Skip to main content

Full text of "JEOL 11 (1949-1950)"

See other formats


1949-1950 


954 


JAARBERICHT N° 


11 


VAN HET VOORAZIATISCH-EGYPTISCH GENOOTSCHAP 


EX ORIENTE LUX 


INHOUD 

Redactioneel: 1. Ter inleiding (1); 2. Belangstelling voor het Nabije Oosten in Nederland (2). 

Lijst van Geschriften van Prof. Dr B. D. Eerdmans (vervolg). 

Egyptische Philologie : 3. Oudertrots, kinderplicht en de klacht van een kinderloze (7); 4 . Overzicht 
der Egyptische filologie gedurende de jaren 1948-1949 gegroepeerd om de vertaling van Egyptische 
verhalen (15). 

Egyptische archeologie: 5. Een nieuwe Phoenix: Amara-West (Soedan) (22); 6. Naar consolidatie en 
verbreiding van onze kennis inzake de pyramiden (24). 

Hellas en de Aziatisch-Egyptische Kunst: 8. A. W. Byvanck, De kunst der Oudheid (29). 

Palestijnsche philologie: 9. De in 1947 in de woestijn van Juda gevonden oude handschriften in het 
kader van gelijktijdige schriftelijke documenten (41). 

Palestjnse archeologie:: 10. Palestijnse archaeologie na de oorlog (74); 11. Enige pas gevonden 
zegels uit c Amman (79). 

Klein-Azië en Syrië: 12. Ou en est le déchiffrement des hiéroglyphes hittites? (81); 13. Archaeologie 
der Hethietische rijken (83). 

Assyriologie : 14. Het Akkadische wetboek van Bilalalama, koning van Esjnunna (95); 15. Over de 
tempels xvi-vi te Eridu (107) ; 16. Le comte du Mesnil du Buisson, Baghouz, L’ancienne Corsotê (117). 

Voor-Azië als cultuureenheid : 17. Van Alasia tot aan de Indus (120). 

RlIaten i-xxvïn, Figuren 1-16. 

Alphabetische lijst der medewerkers : F. M. Th. de Liagre Böhl 14 ; A. de Buck 3; Th. A. Busink 8,15 ; 

J. Janssen 4; J. H. Hospers 11; A. A. Kampman 13; E. Laroche 12; W. van Os 7; J. van der Ploeg 9; 

B. A. van Proosdij 2, 17 ; J. Simons 10. 






HET VOORAZIATISCH-EGYPTISCH GENOOTSCHAP C EX ÖRÏËNTE LUX 3 , opgericht 22 Mei 1933, goed¬ 
gekeurd bij Koninklijk besluit dd. 8 December 1947 no. 9, gevestigd te Leiden, stelt zich ten doel de bevordering 
van -de studie van de beschaving van het oude Nabije Oosten en van daaraan verwante beschavingen, en het 
vormen van een band tussen hen, die in deze studie belang stellen. Het tracht dit doel te bereiken door het uitgeven 
van een aantal publicaties, waarvan het Jaarbericht de meest omvattende is. 

Het Jaarbericht bevat een overzicht van de stand der wetenschap omtrent de landen in het oude Voor Azië en 
Egypte, zowel in archaeologisch-historisch, als in philologisch opzicht. Het onderscheidt zich van het tijdschrift 
doordat het karakter in de eerste plaats informerend is; het beoogt een recapitulatie te geven van de vele tijd¬ 
schriftartikelen en opgravingsberichten, die over het Nabije Oosten verschijnen. Polemiek wordt zoveel mogelijk 
vermeden; behandeling van details wordt 'beperkt. In het Oosten gaat het terrein tot de Indus, in het Westen 
via Klein \Azië en de Aegeische beschaving tot de klassieke archeologie. In ieder Jaarbericht worden ook tekst- 
vertalingen, alsmede capita selecta opgenomen uit de geschiedenis van de beschavingen der volken om het 
Middellandse Zeebekken. 

Het Genootschap geeft verder een serie Mededeelingen en Verhandelingen en Overzichten van de geschiedenis 
en opgravingen in het Nabye Oosten uit, waarin kleinere monographieën verschijnen, benevens een serie grotere 
wetenschappelijke Uitgaven. Voorts stelt de administratie van het Genootschap regelmatig publicaties op het 
gebied van het Oude Oosten tegen gereduceerde prijzen aan de contribuanten ter beschikking. — In vele 
plaatsen in Nederland en België zijn studiekringen van c Ex Oriente Lux 3 gevestigd, die des winters bijeenkomsten 
organiseren, waar sprekers uit binnen- en 'buitenland lezingen en cursussen houden. Alle contribuanten hebben 
gratis toegang tot de lezingen. — De bibliotheek van het Genootschap is ondergebracht in het Nederlandsch 
Instituut voor het Nabije Oosen, Noordeindsplein 4a te Leiden. Contribuanten van c Ex Oriente Lux 3 hebben vrij 
toegang tot de boekerij van dit Instituut, terwijl zij ook van de logeerkamers van het Instituut gebruik kunnen 
maken. 

Het Algemeen Secretariaat van het Genootschap is gevestigd Noordeindsplein 4a, Leiden (tel. 23682), het Belgisch 
Secretariaat is gevestigd Leo Dartelaan 4, Heverlee, Leuven (tel. 2247). De leden (ƒ7.50) en leden-begunstigers (id.) 
ontvangen het Jaarbericht, de Mededelingen en Verhandelingen en de Overzichten van de geschiedenis en op¬ 
gravingen gratis en„zo mogelijk, de Uitgaven. De begunstigers (ƒ5.— per jaar; Bfrk. 85.—) krijgen het Jaarbericht 
gratis en de andere uitgaven tegen gereduceerde prijs. Het verenigingsjaar loopt van 1 Juli tot 1 Juli. Opzegging 
als contribuant moet uiterlijk vóór 1 Juni geschieden. Voor een uitnodiging tot het lidmaatschap en opgave als lid- 
begunstiger of donateur wende men zich tot de secretaris-penningmeester, de heer Dr A. A. Kampman, Noordeinds¬ 
plein 4a, Leiden (postgironummer 229501, tel. 23682), tot de Belgisch secretaris Prof. Dr J. Vergote, Leo Dartelaan 4, 
Heverlee, Leuven (bankrekening 9980 van de Kredietbank te Leuven; tel. 2247) of tot de studiekringbesturen 
(zie blz. 4 van het omslag). Alle bestellingen van publicaties dienen gericht te worden aan het Algemeen 
Secretariaat, Noordeindsplein 4a te Leiden. 


KUNST UIT 


ARTS 

EGYPTE 


EGYPTIEN 

GRIEKENLAND 


D’ASIE ANTÉRIEURE 

VOOR-AZIË 


GREC 

IN - EN VERKOOP 


ACHAT - VENTE 

Komt vaak inHolland 


Souvent en Hollande 

EDGAR BEER 22 

AV. ALBERT, BRUXELLES Tri a 0 -j 0 a 0 
ALBERTLAAN, BRUSSEL 1 C L ' ** ->• 1 ** J 


EGYPTIAN READINGBOOK 

AKKADIAN CHRESTOMATHY 

Volume 1 

Volume 1 

EXERCISES 

SELECTED CUNEIFORM TEXTS 

AND MIDDLE EGYPT5AN TEXTS 

arranged and edited 

selected and edited 

by 

Franz M. Th. de Liagre Böhl 

by 

Dr Phil. (Leipzig), Hon. D. Theol. (Bonn), Hon. D. Philol. et Hist. 
Oriënt. (Louvain), Prof. of Assyriology in the University of Leiden 

Dr A. DE BUCK 

and copied from the Cuneiform by 

Prof. of Egyptology in the University of Leiden 

Madelon L VERSTIJNEN 

1948, 4to, X and 128 pages II. 15.— 

1947, 4to, XVI and 166 pages 11.20.— 

Published by Nederlandsch Instituut voor het Nabije Oosten, Noordeindsplein 4a, Leiden 


1949-1950 


7954 


JAARBERICHT N° 11 

VAN HET VOORAZIATISCH-EGYPTISCH GENOOTSCHAP 


EX ORIENTE LUX 

KONINKLIJK GOEDGEKEURD 


GEVESTIGD TE HEIDEN OPGERICHT 22 MEI 1933 

ANNUAIRE DE LA SOCIÉTÉ EX ORIENTE LUX FONDÉE A LEYDE N° 11 


Commissie van advies: Adres: Redactie: Roodborststraat 16, Leiden 

Prof. Dr F. M. Th. de Liagre Böbl, Prof. Dr A. de Buck Administratie: Noordeindsplein 4a, Leiden 


REDACTIONEEL GEDEELTE 


TER INLEIDING 

In West-Europa heeft Nederland het zwaarst geleden, en ook het 
meest opvallend herstel beleefd. Buitenlanders zien dit duidelijk, en 
verklaren, dat wij met zoveel wilskracht aanpakken. Naar Nederland 
blijft men uitkijken. Nederland heeft verplichtingen in de broeder¬ 
schap der volkeren. Het hoort een voorbeeld te zijn van ontplooiing in 
het nieuwe seizoen van de tweede helft der twintigste eeuw. 

H.M. KONINGIN JULIANA 
in een toespraak door de radio op 5 Mei 1950 



'-'■taus 


j 




















BELANGSTELLING VOOR HET NABIJE OOSTEN IN NEDERLAND 
HET JAARBERICHT, ZIJN VORM, INHOUD EN DOEL 






Dat het in de rubriek Ter Inleiding gegeven koninklijk woord ook geldt voor de Neder¬ 
landse Oriëntalistiek en dat men ook in dit opzicht naar Nederland blijft uitkijken, is mede te 
danken aan de activiteit van ons Genootschap, inzonderheid zich uitend in zijn publicaties. Wel¬ 
iswaar zijn het voor het merendeel der buitenlanders, afgezien dan voor de illustraties, gesloten 
boeken, maar zij beseffen alleen al door het feit dat zulke publicaties kunnen verschijnen dat 
in de Nederlands sprekende kringen een belangstelling voor de Oude Geschiedenis is te vinden, 
die velen van hen met eerlijke jaloersheid vervult. Bovendien zijn zij zich er van bewust dat de 
goede naam die de auteurs der bijdragen bij hen hebben verzekert dat die belangstelling in 
goede banen wordt geleid. 

Nu het Bestuur Jaarbericht nr. n de aangeslotenen aanbiedt, dient om verschillende 
redenen het onderwerp c Jaar bericht 3 aan de orde te worden gesteld. Tot nu toe heeft ons 
Genootschap er tien gebracht, en als men bedenkt dat dit over vijftien jaar geschiedde, dan 
ligt het voor de hand te beweren dat die titel Jaarbericht niet meer voldoet aan de verwach¬ 
tingen die hij schept. Maar niet enkel om deze formele reden zou het nuttig zijn tot een 
jaarlijks verschijnende publicatie over te gaan. Men zou om dit doel te bereiken, moeten afzien 
van het wachten op een auteur, zodat er een gaping in de compositie zou komen; anderen 
stellen voor er een periodiek van te makein dat bevat wat de meer of minder grote pro¬ 
ductiviteit der auteurs zou opleveren. 

Maar door zijn compositie, waardoor geschiedenis en cultuur van het gehele Nabije Oosten 
door verschillenden bezien aan de orde komt heeft ons Jaarbericht een eigen karakter, en velen 
willen ook dit karakter behouden. Zo is het te begrijpen dat het onderwerp Jaarbericht in de 
vergadering van de Algemene Raad j. 1 . September en op menige bestuursvergadering een 
onderwerp van geregeld overleg en gesprek is geweest. Suggesties en overwegingen daar naar 
voren gebracht hebben tenslotte hun verwerkelijking in dit Jaarbericht gevonden. Het zal, 
dunkt mij, velen aangenaam zijn, van die punten van bespreking hier kennis te nemen. 

Technische Kwesties: 

Verschijning met kortere tussenpozen zoals voorheen, en vooral jaarlijkse verschijning 
brengt beperking mede, die de compositie schaadt. 

Naast administratie en uitvoering van lezingprogramma dient de publicatie van het Jaar¬ 
bericht een der grootste posten van de jaarrekening te blijven; omdat hiermede ook zij bereikt 
worden die door omstandigheden de lezingen niet kunnen bijwonen. 

Hoezeer ook de prijzen 'van zetten, papier en drukken (variërend van 200-400 %) zijn 
gestegen, mag de qualiteit van het uiterlijk niet dalen. 

De Inhoud: 

Hoewel in de afgelopen Jaarberichten enige artikelen zijn verschenen waarvan 
de inhoud voor vele lezers moeilijkheden brachten, blijve men bedenken dat zulks in 
vroegere jaarberichten kon, omdat daarnaast iedere lezer door de gevarieerdheid der artikelen 
voldoende gading vond; bovendien kon op die manier nu en dan een onderwerp aan de 
orde worden gesteld, waarvoor elders geen plaats was. In deze dunnere Jaarberichten zal 
evenwel het plaatsen van zulke artikelen minder makkelijk gaan. 

De overzichten over litteratuur en archeologie dienen te worden gehandhaafd. Het zal 
echter niet mogelijk zijn die van ieder gebied in elk Jaarbericht te brengen. Zoveel mogelijk 
zullen in die overzichten de te bespreken publicaties om een bepaald onderwerp worden ge¬ 
groepeerd. 

Naast die overzichten worden in afzonderlijke artikelen besproken die onderwerpen die 
een belangrijke plaats innemen in de ontwikkeling van onze wetenschap en in de belang¬ 
stelling der lezers. 


_ 


BELANGSTELLING VOOR HET NABIJE OOSTEN IN NEDERLAND 


3 


Daarnaast zullen de vertalingen van belangrijke teksten worden gebracht, en zulke bij¬ 
dragen die de geest van het Oosten verduidelijken. 

De rubrieken Vooraziatische Philologie en V ooraziatische archceologie worden opge¬ 
heven. Hiervoor komen rubrieken in de plaats waardoor Palestina, Klein Azië en Syrië, en 
het Tweestromenland als zelfstandige cultuureenheid hun intrede doen. Daarnaast kan in een 
afzonderlijke rubriek op de culturele eenheid van Voor-Azië de nadruk worden gelegd. 

Voor de wetenschap van die onderafdelingen van het Oude Oosten waarvoor in Neder¬ 
landse kringen van geleerden geen beoefenaren worden gevonden, worden buitenlandse ge¬ 
leerden gevraagd. 

Zulk een lijst van desiderata is natuurlijk schematisch. Wilde men Jaarbericht nr. 11 aan 
haar toetsen, dan zou het wellicht opvallen dat bijna geen der artikelen slechts in een van de 
bovengenoemde rubrieken zou kunnen worden ondergebracht. Het pleit voor de bekwaamheid 
der auteurs dat zij hun onderwerpen zo hebben weten te kiezen en te behandelen dat overzicht 
van litteratuur, nieuwheid en belangrijkheid van het onderwerp, het geven van vertaling en 
inwijding in den geest van het Oosten meer dan eens samenvielen. In het bijzonder mogen 
wij dankbaar zijn dat zulk een competente behandeling hebben gekregen die onderwerpen die 
in de afgelopen jaren zo grote belangstelling hebben gevonden, in en buiten de kring van 
Ex Oriente Lux , te weten: de rollen gevonden in de woestijn van Juda, en het wetboek van 
Bilalama, als wetgever een voorloper van de befaamde Chammurabi. 

Ook Pers en Radio hebben aan deze onderwerpen meer dan eenmaal hun aandacht besteed 
en men moet tot hun eer getuigen dat met een enkele uitzondering na zij dit op een bevredi¬ 
gende wijze hebben gedaan. Maar het getuigt toch van gebrek aan kennis en in een bepaald 
geval zelfs van goede wil wanneer over dergelijke onderwerpen berichten en reportages worden 
gegeven die er op bedacht zijn een onkundig publiek te épateren. Over de berichtgeving 
aangaande de expeditie naar de berg Ararat spreken wij nog maar niet eens. 

Dit wat het Jaarbericht betreft naar zijn vorm en zijn inhoud; het zij mij veroorloofd 
nog hier aan toe te voegen enkele beschouwingen over zijn doel en zulks in verband met 
reacties op de bladzijden die wij aan het begin van Jaarbericht nr. 10 schreven, waar wij een 
pleidooi leverden voor de bestudering van de Oude Geschiedenis ook in deze tijd. 

Wij verdedigden ons bestaan door er op te wijzen, althans als stelling te poneren, dat de 
wortels van onze beschaving in dat verre verleden mede in het Nabije Oosten lagen, dat dus om 
onze beschaving te kunnen verstaan kennis dier oudste tijden onmisbaar was, en sommigen 
voegden eraan toe dat voor een komende beschaving deze kennis van integrerend belang was. 
Toch dient in het bijzonder dit , laatste nog even onder de ogen te worden gezien. 
Is het op zichzelf onmogelijk een maatschappelijke en staatkundige regeling te vinden zonder 
die kennis? Als wij aannemen dat wat wij de Europese middeleeuwen noemen een harmo¬ 
nisch geheel van ordening is geweest, dan moeten wij ons toch bewust zijn dat de kennis van de 
tijden van vóór duizend voor Christus slechts zeer summier, om het op zijn zachtst uit te 
drukken, was. Wat helpen mij, zo drukte een Amsterdams reder zich tegen mij uit, de potten en 
de pannen der archseologen, voor het oplossen van mijn moeilijkheden bij het ophouwen van 
nieuwe arbeidsvoorwaarden in mijn bedrijf? Deze vragen 1 zijn klemmend en men kan niet 
volstaan ze ter zijde te schuiven door ze oppervlakkig te noemen. Als ik er een antwoord voor 
tracht te vinden, dan moge ik van de tegenwoordige wereldconstellatie uitgaan. Grote mag¬ 
neetvelden zou men de vier delen waarin onze mensheid heden is gesplitst kunnen noemen. 
West Europa-America, Rusland, Midden en Verre Oosten, en de wereld van de Islam; zij 
allen lijken een autonome en autarkische eenheid te willen zijn, en het benauwende van dit 
oogenblik is dan ook, hoe de krachten van deze velden gecoördineerd moeten worden. Zelfs 
kunnen wij deze botsing geestelijk niet verwerken, en we staan als het ware hulpeloos tegenover 
onze kinderen voor wie in de komende jaren van verdere ontwikkeling van vervoer het pro¬ 
bleem van nog nijpender actualiteit zal zijn. 










4 


BELANGSTELLING VOOR HET NABIJE OOSTEN IN NEDERLAND 


Zal onze beschaving, stoelend op Christendom, classieken en antieken zich kunnen hand¬ 
haven in dit treffen, dan is het een eerste vereiste dat degenen die haar dragen en uitbouwen, 
zich bewust zijn van de historische ontwikkeling, het groeiproces 'in zijn verschillende stadia 
doorzien, dan is het ook nodig dat zij zich bewust zijn dat in dat Christendom, en bij die 
classieken en antieken waarden schuilen die een inzet van de persoon rechtvaardigen: het 
is hier niet de plaats als kampioen van de eerste twee op te treden, maar wat de laatste 
betreft moge ik mij een keer herhalen en nogmaals aandacht vragen voor de identiteit van de 
begrippen waarheid en recht in de oude culturen van het Nabije Oosten. Ik deed dit de eerste 
keer jaren vóór 1939 (Inleiding op deel I der Jaarberichten), maar schoner verschiet voor 
hen die een rechtsorde opbouwen is er dunkt mij niet. Zo heeft de antieke beschaving elemen¬ 
ten in zich die haar bestudering juist in deze tijd niet alleen rechtvaardigen, maar ook gewenst 
maken. 

Maar die beruchte potten en pannen dan, zal men vragen, die staan daar toch buiten. 
Zeker is het niet het doel der ,arch3eologen alle gebroken vaten, zowel die ter ere als die 
ter onere, voor de dag te brengen; zeker zal men zich er voor moeten hoeden een quantiteit 
van materiaal voor de dag te brengen die men niet kan verwerken en die opgepot blijft liggen; 
maar het valt niet te ontkennen dat ons de weg door het tweede en derde millennium v. Chr. 
mede door het aardewerk is gewezen en dat de weg door het vierde en vijfde millennium die 
wij op het ogenblik zoeken, ook mede door dat aardewerk zal zijn te vinden. En juist voor die 
periode heeft niet alleen onze West-Europese cultuur interesse, maar hebben het ook de 
andere drie. 

Want uit de Eurasiatische steppen stammen vele volken die wij in het Naburige Oosten 
later een rol zien spelen. Indië kijkt naar het Westen om een oplossing te vinden voor de 
culturen van Mohenjo Daro en Charappa. De verbinding naar het Verre Oosten is een van 
de problemen waarvoor ons de neolithische vondsten in China stellen, en de wereld van de 
Islam is alleen reeds door het feit dat zij het terrein waarop deze beschavingen tot bloei kwa¬ 
men onder haar controle heeft, ook een der belanghebbenden. Bovendien richten de ge¬ 
dachten van de kerstenheid van over de gehele wereld zich telkens opnieuw naar deze 
gebieden. 

Het Nabije Oosten is dus een gebied waar de vier magneetvelden waarin de huidige 
samenleving is verdeeld, elkaar treffen, het is een gebied waarop aller aandacht is gevestigd, 
en dat des te meer naar gelang in de komende jaren de praehistorie haar geheimen zal uit¬ 
leveren. Daarmede vergeleken is de studie der classieken slechts een interne Westerse aan¬ 
gelegenheid. De studie der antieken is een punt waarop de vertegenwoordigers der verschillen¬ 
de cultuurkringen elkaar kunnen ontmoeten, dus ook een der punten waarop wederzijds con¬ 
tact en wederzijds kennen en begrijpen mogelijk is. 

De kennis toch der wederzijdse beschaving en daardoor de wederzijdse gedachten 
ontbreekt. Wel zijn er enkelen wie het ten deel valt een der groepen in het bijzonder te 
kennen, maar de massa kent de massa niet. Van Rusland weten ze van kaviaar en wodka, 
eventueel van de knoet. Bij het Verre Oosten denken ze aan kimonos en parasols, en als ze 
van de Islamieten spreken, hebben ze het over Mahomedanisme en vereenzelvigen dat met 
onderwerpen die er slechts zijdelings mee in verband staan. Ze hebben enkele juiste gegevens 
die zij met het gevoel verwerken, het is het gebied der confinia veri ac falsi waarover Tacitus 
spreekt, het grensgebied tusschen waarheid en verdichtsel. Ze verwerken dit tot een mythos 
en hoe gevaarlijk zulks is, herinnert ons nog al te goed de oproep tot het Duitse volk zijn 
nederlaag voor Stalingrad tot een mythos te maken. 

Hier is ingrijpen van de logos nodig. Als wij logos met woord vertalen, dan mogen wij 
niet vergeten dat de stam van logos echter tellen en verzamelen betekent. De functie van de 
logos is een tellende en verzamelende, d.w.z., een ordenende. Het is niet een werken met scha¬ 
duw en licht, het is een waarde toekennen aan een ieder der onderdelen naar zijn innerlijk 
gehalte, het is een logisch werken en daardoor een ordenen naar waarheid en recht. 

Zodoende is de logos het beginsel dat zich in de kosmos manifesteert, de verhouding van 


BELANGSTELLING VOOR HET NABIJE OOSTEN IN NEDERLAND 


5 


de Griekse ordenende logos tot het scheppende woord van de Oosterse wereld vindt zijn 
synthese in de godsgedachte. Zo is de ware kennis, de ware logos, krachtens zijn goddelijk 
karakter voor de mens ongenaakbaar; het eritis sicut deus laat zich ook hier horen met 
al zijn verleidelijkheid, het tragisch menselijke is dus ook niet dat de zuivere rede voor de 
mens onbereikbaar is, het tragisch menselijke ontstaat wanneer de mens zich niet meer 
bewust is van zijn gespletenheid, namelijk van het feit dat en logos en my-thos beide in hem 
leven. Als de my-thos domineert, zal hij in de chaos van zoetelijkheid en misverstand, zal hij 
in een valse ray-stiek vervallen. Laat hij de logos overheersen, dan wordt dat in menselijke 
handen slechts nuchterheid en miskenning van het gevoelsleven. 

Een synthese van mythos en logos moet dus ons bestuderen zijn van dit verre verleden 
te midden van een benauwende actualiteit; zo te werken is geen bovenmenselijke taak, maar 
volmaakt menselijk, het moeilijke is slechts het maat houden en het niet laten heersen van de 
een waar de aftider op zijn plaats is. Voor ons Nederlanders wordt deze taak vergemakkelijkt 
omdat wij in den lande voorgangers hebben gehad die deze kunst bij uitnemendheid ver¬ 
stonden. Jan Poortenaar getuigt daarvan in zijn Schilders van het Hollandsche Landschap 
als hij schrijft over de kunst van de gouden eeuw, als een die illusie en werkelijkheid tot edele 
harmonie wist samen te smelten. 

In deze geest hopen wij ook de komende jaren te werken. Het Jaarbericht moge in deze 
periode in het Nederlandse cultuurleven de plaats behouden die het daarin heeft veroverd. 
Moge mede door zijn invloed een nieuw geslacht van Oriëntalisten in den lande ontstaan die 
de goede naam der Nederlandse Oriëntalistiek ook in het nieuwe seizoen van de tweede helft 
der twintigste eeuw handhaaft. 

Leiden, Mei 1950. B. A. van Proosdij 


LIJST VAN GESCHRIFTEN VAN PROF. D R B. D. EERDMANS 

BETREKKING HEBBENDE OP HET OUDE NABURIGE OOSTEN 

vervolg * 

49 — The Covenant at Mount Sinai, viewed in the light of antique thought. 

Burgersdijk & Niermans, Leiden, 1939, 31 blz. 

Een behandeling van Ex. xix, xx en xxiv. Het vuur en het geluid niet veroorzaakt 
door donder of vulcanische uitbarsting, maar door de Qenitische priesters, die naar 
antieke zienswijze de bemiddelaars tussen god en mens zijn. 

50 — Studies in fob. 

I The Conception of God in the Book of Job (El, Eloah, Shaddai). II Liwjatan 
(Leviathan). 

Burgersdijk & Niermans, Leiden, 1939, 34 blz. 

Proloog en Epiloog worden jonger geacht dan het oude, voorjahwistische wijsheids¬ 
lied, waartoe slechts cap. xxxviii, xxxix, xl 6-41 en xlii 1-6 niet behoren. Dit lied kent 
zes verschillende godsbenamingen, weerspiegeling van de ontwikkelingsfazen van het 
godsbegrip. Proloog en Epiloog kennen de Jhwh van Tora en Profeten. 

De Leviathan wordt als een dolfijn geduid, xl 25-32. In xl 15-24 en xli als een 
nijlpaard. 

* In Jaarbericht II/6 (1939) staat een 48 nummers tellende Lijst van Geschriften van Professor 
Dr. B. D. Eerdmans, betrekking hebbende op het oude nabije oosten. 

Sinds dien zijn nog andere geschriften van de hand van Professor Eerdmans, die op 29 April 1948 
tachtig jaren en vijf dagen oud is overleden, verschenen. 



6 


LIJST VAN GESCHRIFTEN VAN PROF. DR B. D. EERDMANS 


51 — Sojourn in the tent of ]ahu. 

Oudtestamentische Studiën Deel i afl. I, Brill, Leiden, 1941, blz. 1-16. 

Een vertaling en verklaring van Pss xv, xxvii 4, 5, lxv 5, lxi, xxxix 13, 14, lxxxiv 
5-8, xci 11, 2, 10-13, Jes lvi 3-5, Pss lvi, lxxxiv 3, 4, Mal ii 10-16, Pss xxiii en xxvii. 
Door het plaatsen van een voorwerp in een kamer of voorhof van de tempel verwacht 
de gelovige bescherming van de god des tempels. 

52 — Essays on Masoretic Psalms. 

Oudtestamentische Studiën Deel i afl. 2/3, Brill, Leiden, 1942, blz. 105-300. 

Tien studies over het Psalmboek: On the road to monotheism; Foreign elements in 
pre-exilic Israël, Ps cxviii; The Songs of Ascents, the psalms hamma caloth; Toda- 
songs and templesingers in the pre-exilic period; The Chasidim; Psalm xiv, liii and the 
Elohim-psalms; Psalms xl; Psalm vli; Psalm lv; Psalm lxviii. 

53 — The Religion of Israël. 

Universitaire Pers, Leiden, 1947, viii, 344 blz. 

Een herbewerking van De Godsdienst van Israël (1930) in het Engels, met uitvoeriger 
argumentatie en met verwerking van nieuwe gegevens zowel op het terrein der Inlei¬ 
ding als der Archseologie en Theologie. 

54 — The Hebrew Book of Psalms. 

Oudtestamentische Studiën Deel iv, Brill, Leiden, 1947 viii, 614 blz. 

Inleiding, Vertaling en Verklaring. De Inleiding behandelt o.a. de Opschriften der 
Psalmen uitvoerig. In de verklaring zijn leidinggevende gezichtspunten: de godsdienst 
van Israël staat als een gestichte godsdienst tegenover de natuurreligies; de antieke 
zienswijze; het voorexilisch bestaan van de Chasidim als groep van orthodoxe ver¬ 
eerders van Jhwh; de hoge waarde van de Masoretische tekst. 

55 — The Name fahu. 

Oudtestamentische Studiën Deel v, Brill, Leiden, 1948, blz. 1-29. 

Een pleidooi voor de uitspraak Jahu van IsraëPs godsnaam, op grond van gegevens uit 
de oudheid en van gezichtspunten over de verbinding met een verbum, het klankna¬ 
bootsend karakter en de Qenitische herkomst. 

56 — The Composition of Numbers. 

Oudtestamentische Studiën Deel vi, Brill, Leiden, 1949, blz. 101-216. 

Een voortzetting van de Alttestamentische Studiën (1908-1912). Bestrijding van de 
toepassing der bronnentheorie op het Boek Numeri. De behandeling van het boek Nu- 
meri, waarbij aanzienlijke gedeelten vertaald en verklaard zijn, is onvolledig gebleven. 
Zij breekt af in Num xxvii. 











EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


OUDERTROTS, KINDERPLICHT EN DE KLACHT 
VAN EEN KINDERLOZE 

„Er was eens een koning, wien nog geen zoon was geboren. En hij bad tot de góden 
van zijn tijd om een zoon, enz.”. Zo begint het Egyptische sprookje van den Prins en het 
Noodlot, en het klinkt ons bekend in de oren; het is dezelfde toon, waardoor wij in onze 
jeugd werden geboeid: „Er waren eens een koning en een koningin, die zo bedroefd waren, 
omdat zij geen kind hadden, enz.”. Het is een begin, dat naar vorm en inhoud eeuwig menselijk 
schijnt te zijn. Het verlangen naar een kind en de wederzijdse liefde tussen ouders en 
kinderen — indien ergens, dan schijnen wij ons hier op een terrein te bevinden, waar wij, in 
welk land en welke tijd ook, mogen verwachten bekende klanken te horen en vertrouwde ver¬ 
schijnselen te ontmoeten. En in deze verwachting worden wij niet teleurgesteld; wij komen 
hier inderdaad van stap tot stap het ons verwante tegen. Tout comme chez nous zeggen wij, 
wanneer de wijze Ani om zijn leerling zorgzaamheid en eerbied voor zijn moeder in te scherpen 
het volgend schetsje ontwerpt van de opofferende, bezorgde moeder: „Geef het brood, dat uw 
moeder u gegeven heeft, in dubbele mate terug. Draag haar, zoals zij u heeft gedragen. Zij 
is vele (maanden) lang met u beladen geweest, zonder dat zij mij die last overliet. En toen 
gij na afloop van uw maanden geboren waart, droeg zij u nog op haar schouder en drie jaar 
lang was haar borst in uw mond. Wanneer de walgelijkheid van uw ontlasting sterk was, walgde 
zij niet, zeggende: Wat zal ik doen? Later heeft zij u op school gedaan, opdat gij onderwezen 
werdt in het schrijven en dagelijks heeft zij u opgewacht met brood en bier in haar huis”. 
Moederliefde van alle landen en tijden en wij kunnen ons gemakkelijk voorstellen, dat tante 
Stastok, indien zij niet door een enkel drastisch trekje in de beschrijving al te zeer ge¬ 
choqueerd zou zijn, de voordrager van dit stukje met het wegknippen van een traan en een 
„Heremijntijd, dat is mooi”, zou hebben beloond. Zoals wij omgekeerd ons zonder moeite 
een Egyptische c Mietje met de kalfsogen 0 kunnen voorstellen, die met een „Hè ja”, zou 
reageren op een Egyptische bewerking van Hildebrand’s voordracht: 

Dat zij nooit zomertijd, aan bloemen arm, bejammeren, 

Of bijenloze korve, of schaapskooi zonder lammeren, 

Of kinderloze woning zien. 

Zulke gevoelens lijken inderdaad van altijd, overal en van allen. En toch — soms kunnen 
ook op dit bij uitstek algemeen-menselijke gebied de vormen ons vreemd zijn, zodat wij ons 
herinnerd voelen aan Pascal's bekende tirade over de betrekkelijkheid van alle zedelijke 
oordeelvellingen: Le larcin, Pinceste, le meurtre des enfants et des pères, tout a eu sa place 
entre les actions vertueuses ... tout branie avec le temps. On ne voit rien de juste et d’injuste, 
qui ne change de qualité en changeant de climat; ... Vérité au dega des Pyrénées, erreur 
au dela. 

Moord op kinderen en ouders — tot geruststelling van den lezer, zij gezegd, dat wij geen 
kans lopen bij de Egyptenaren op dergelijke uitersten van wonderlijke c vreemde° zeden en 
gewoonten te stoten. Het bevreemdende, of, indien dit woord te sterk is, het lichtelijk van onze 
wijze van voelen afwijkende, dat wij in enkele der hier vertaalde inschriften zullen tegen¬ 
komen, is van veel onschuldiger aard. Voorlopig blijven wij trouwens nog binnen het gebied, 
waar wij de Egyptenaren geheel kunnen begrijpen. 

Misschien zou de Egyptische koning, die zo bedroefd was, ook blijde zijn geweest met 
een meisje, dat zijn kinderloze woning kon opvrolijken, zoals zijn Mesopotamische collega, 
bij wien onze prins later terecht komt, blijkbaar tevreden en gelukkig is geweest met zijn 
dochter, die hij uit jaloerse bezorgdheid in een hemelhoge burchtkamer tegen andere liefdes 
dan de zijne trachtte te beveiligen. Toch gaat in het Oosten, het huidige zowel als het oude, 
het verlangen vooral uit naar een zoon. En bij sommigen onzer moge de familiezin zo zwak 









8 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


zijn, dat dochters en zoons hun om het even zijn, bij velen leeft toch in onze eigen tijd en 
omgeving nog sterk de begeerte naar een Stamhouder 3 , die de familienaam, het geslacht zal 
kunnen voortzetten. In de oudheid was dit verlangen bij vele volken buitengewoon sterk ont¬ 
wikkeld. Zeer krachtig leefde het o.a. in het oude Israël en uit menig gebruik en verhaal van 
het Oude Testament is het ons vertrouwd. De roerende gestalten van de kinderloze en door 
hare rivalen geminachte Rachel en Hanna getuigen ervan, evenzeer als omgekeerd het trotse 
woord van Lea: Nu zal mijn man mij aanhangen, want ik heb hem zes zonen gebaard (Gen. 
30:20). Het vrouwtje van Tekoa weet ’skonings hart te zullen treffen met het verhaal 
over haar twee zoons, waarvan de een den ander gedood heeft, „en zie het ganse geslacht is 
opgestaan tegen uw dienstmaagd en zij hebben gezegd: Geef dien hier die zijn broeder ver* 
slagen heeft, dat wij zijn leven voor dat van zijn broeder dien hij heeft doodgeslagen, nemen 
en ook den erfgenaam verdelgen: alzo zullen zij mijn kool, die overgebleven is, uitblussen, 
opdat zij mijn man geen naam, noch nakomelingschap laten op de aardbodem” (2 Sam. 14: 7). 

Het leviraatshuwelijk is er op gericht den man ook na zijn dood nakomelingschap te 
verzekeren; de lieftallige Ruth en de doelbewuste Tamar oogsten de onbeperkte bewondering 
van verteller en toehoorders, wanneer zij dit lofwaardige doel nastreven, ook waar dit tot 
situaties leidt, die voor ons gevoel stuitend zijn ... fout branie avec le temps. Bewonderens- 
waard is naar de bedoeling van den schrijver ook het gedrag der dodhters van Lot, als zij door 
hun vader het geslacht doen voortleven (Gen. I9:32vv.). 

Een zelfde verlangen naar een zoon, ondanks het bezit van drie dochters spreekt uit het 
volgende opschrift van een grafsteen, dat onder de Egyptische inscripties van deze soort 
met hun merendeels uiterst traditionele bewoordingen opvalt door frisheid van verteltrant en 
meer dan in Egypte gebruikelijk is, de menselijke, persoonlijke gevoelens van den schrijver 
of spreker onthult. Het betreft hier trouwens een vrouw, doch aan dit feit is de grotere open¬ 
hartigheid in het uitspreken van verlangen en blijdschap wel niet toe te schrijven, daar 
het grafschrift zeker pas na haar dood is opgesteld. De dode, die op haar grafsteen, zoals 
gebruikelijk was, wordt voorgesteld als de spreekster van het opschrift, was de gemalin van 
een hogepriester van Memfis, uit de eerste eeuw vóór Christus en na een inleiding, waarin 
behalve haar naam, Taimhotep, haar vele titels en de namen en titels harer ouders worden 
vermeld, doet zij het verhaal van haar leven aldus *): 

O, alle gij rechters, alle gij geleerden, alle gij ambtenaren, alle gij edelen, 
alle gij mensen, die dit graf zult binnengaan, komt en hoort, wat er met mij 
is gebeurd. 

De negende dag van de vierde maand van het overstromingsseizoen van het 
negende jaar onder de regering van de Majesteit van koning Ptolemaeus, hij leve 
eeuwig, de door Ptah en Isis beminde, (is) de dag, waarop ik geboren werd. 

Op de ... dag van de derde maand van het zomerseizoen van het drie en 
twintigste jaar onder de regering van de Majesteit van den Heer der beide Landen 
gaf mijn vader (mij) tot vrouw aan den profeet 1 2 ) van Ptah, den bibliothecaris 

van de tempelbibliotheek 3 ) ., den hogepriester van Memfis, Pesjerenptah 4 ), 

.Het hart van den hogepriester verheugde zich daarover uitermate. Ik werd 

driemaal zwanger bij hem, zonder dat ik een jongen baarde, maar (ik baarde) 
drie dochters. Toen bad ik samen met den hogepriester tot de Majesteit van dezen 

1 ) Gepubliceerd o.a. in H. Brugsch, Thesaurus , wij gewoonlijk aan dit w T oord hechten, 

p. 918 w. 3 ) Er volgt een lange reeks titels. 

2 ) Onder profeet versta men hier en in het vervolg 4 ) Er volgen nog de titels en namen van zijn 
een soort priester, niet een profeet in de zin, die ouders. 


OUDERTROTS, KINDERPLICHT EN DE KLACHT VAN EEN KINDERLOZE 


9 


verheven god, die grote wonderen doet, die geluk aanbrengt en die een zoon 
geeft aan dengene, die er geen heeft, Imhotep 5 ), den zoon van Ptah. Hij ver¬ 
hoorde onze smekingen, hij gaf gehoor aan zijn 6 ) gebeden. 

Hij kwam (staan) aan het hoofdeind van den hogepriester in een godde¬ 
lijke openbaring en hij zeide: „Laat een groot bouwwerk uitgevoerd worden, een 
heilige kapel van Anchtawi 7 ), een plaats, waar mijn lichaam 8 ) geborgen kan 
worden. Dan zal ik u als beloning daarvoor een jongen schenken”. Daarop ont¬ 
waakte hij en hij wierp zich ter aarde voor dezen verheven god. 

Hij gaf opdracht daartoe aan de profeten, geheimraden en priesters en aan de 
beeldhouwers van het Goudhuis 9 ), allen tezamen. Hij zond hen om een voor¬ 
treffelijk werk te maken, een heilige kapel. En zij deden geheel, zoals hij had 
bevolen. 

Toen verrichtte hij het mondopeningsrituaal 10 ) voor dezen verheven god en 
hij bracht een groot offer, bestaande uit alle mogelijke goede dingen. Hij be¬ 
loonde de beeldhouwers wegens dezen god en verblijdde hun hart met alle moge¬ 
lijke dingen. 

In ruil daarvoor maakte hij mij zwanger van een jongen. Hij werd geboren 
op de vijftiende dag in de derde maand van het zomerseizoen in het zesde jaar 
onder de regering van de Majesteit van de Heerseres en Meesteres der beide 
Landen, Cleopatra, zij leve, zij ongedeerd en gezond, in het achtste uur van de 
dag. Het was een feestdag van dezen verheven god Imhotep, den zoon van Ptah. 
Zijn u ) gedaante geleek op die van den zoon van Hem, die zich ten Zuiden van 
zijn muur bevindt 12 ). Er werd wegens hem 13 ) gejuicht door de bewoners van 
Memfis. Hem werd de naam Imhotep gegeven, bijgenaamd Petubastis. En ieder¬ 
een jubelde wegens hem. 

De zestiende dag van de tweede maand van het winterseizoen van het tiende 
jaar (was) de dag, waarop ik ben overleden. Mijn echtgenoot 3 ) ... de hoge¬ 
priester Pesjerenptah bracht mij naar het Westen 14 ). Hij verrichtte voor mij alle 
ceremoniën, die voor een voortreffelijke gestorvene worden verricht. Hij gaf mij 
een schone begrafenis en liet mij in zijn graf leggen 15 ). 


In dit alles klinkt niets ons vreemd in de oren. Anders wordt het wanneer wij vragen 


naar de reden, waarom de Egyptenaar zo naar 
onze eigen gevoels- en ervaringswereld op een 
in de Egyptische grafinscripties uitdrukkingen 

5 ) Dit is een beroemd architect en wijze uit de 
3 de dynastie, die in de late tijd vergoddelijkt is en 
vooral beschouwd werd als een god, die genezing 
schonk, de Egyptische Asclepios. 

6 ) Waarschijnlijk een fout voor: onze. 

7 ) Naam van een deel van Memfis. 

8 ) D.i. mijn beeld. 

9 ) De tempelwerkplaats. 

10 ) Het rituaal dat aan beelden en mummies vol¬ 
trokken wordt, waardoor zij tot leven worden ge- 

Jaarbericht No. 11 


een zoon verlangde. Gemakkelijk kan ons hier 
dwaalspoor brengen. Honderden malen komen 
voor als: Het is zijn zoon, die zijn naam doet 

wekt. De opening van mond, ogen, oren speelt daar¬ 
bij een grote rol. 
ia -) D.i. die van haar zoon. 

12 ) Een bijnaam van Ptah. 

13 ) Het pasgeboren kind. 

14 ) De dodenstad. 

15 ) Hierop volgt nog een toespraak tot haar ge¬ 
maal, waarin zij hem opwekt het leven te genieten, 
daar het dodenrijk slechts ellende betekent; zie 
Jaarbericht n°. 7 , 302 . 


2 









10 


EGYPTISCHE PHILÖLOGIE 


leven 16 ); het is de zoon van zijn zoon, die zijn naam doet leven; enz. Wat betekenen deze 
formules ? Meestal wanneer ik een leerling, die nog weinig van de Egyptische gedachtenwereld 
afweet, deze vraag voorleg, komt daarop zonder aarzelen het antwoord: Zijn zoon of zijn klein¬ 
zoon doet het geslacht van den afgestorvene voortleven. En toch is dit voor ons zo voor de 
hand liggende antwoord onjuist. Wat deze formules dan wel betekenen? Uitvoeriger voor¬ 
beelden als de volgende uit het graf van een zekeren Petosiris spreken het duidelijk uit. 
Hier spreekt de overledene, die later zelf is bijgezet in het graf, waarin hij zijn vader en oudste 
broer heeft begraven en dat hij zelfs beweert voor hen gebouwd te hebben 17 ) : „O, alle gij 
profeten, alle gij priesters, alle gij geleerden, die deze dodenstad binnentreedt en dit graf ziet! 
Gezegend is hij, die mij offers brengt, gezegend zijn zij, die mij offers brengen, want ik ben 
een geëerde van zijn vader, een gunsteling van zijn moeder, een vriend van zijn broeders. Ik 
heb dit graf gebouwd in deze dodenstad, in de nabijheid van de grote zielen, die zich daar 
bevinden, opdat de naam van mijn vader en die van mijn oudsten broer worden uitgesproken. 
(Want) iemands rtiaam uitspreken betekent dat men hem doet leven”. 

Elders weidt hij nog meer daarover uit 18 ) : „O, mijn oudste broer, ik ben uw jongste 
broer. Ik heb gemaakt, dat uw ziel geëerd is op de aarde van de levenden, dat hij er niet van 
verdwijnt. Er is geen tekortkoming in u gevonden. Ik heb gemaakt, dat uw naam is in de 
mond van de levenden, die elkaar zullen opvolgen in uw huis, opdat uw naam niet ophoude 
in uw huis, eeuwiglijk; want een mens leeft daardoor dat men zijn naam uitspreekt. Uw beeld 
is getransporteerd naar de tempel van Thoth met uw naam er op gebeiteld, om te maken, 
dat uw naam herdacht wordt in de tempel van Thoth, dagelijks voor altijd. Ik heb dit graf 
gebouwd in de dodenstad, terwijl uw naam er op gebeiteld staat op zijn linker zijde, opdat 
uw naam wordt uitgesproken door hen, die gaan en komen om offers in de dodenstad neer 
te leggen, eeuwig, ten gunste van de ziel van de eigenaar van dit graf.” 

Hier blijkt ten duidelijkste de ware zin van de genoemde formules. Overal wordt de 
naam van den dode aangebracht, want het uitspreken er van betekent het voortbestaan van 
den afgestorvene. c Zijn zoon doet zijn naam voortleven 0 vertolkt dus niet het verlangen van 
den dode naar een voortzetting van het geslacht, maar naar een voortleven van de eigen 
naam, d.i. de eigen persoon. Als een refrein keert dit motief telkens terug. Op de beelden, 
die in tempel of graf worden opgesteld, op de wanden van het graf, overal staat de naam 
van den dode. Zoals het reciteren van de gebeden en offerlijsten deze tot levende realiteit 
maakt, zo wekt het uitspreken van de naam van den afgestorvene dezen tot leven. Deze nadruk 
op het eigen, persoonlijk voortbestaan, schijnt in Egypte de elders zo algemeen heersende en 
blijkbaar bevredigende voorstelling van de onsterfelijkheid van het geslacht volkomen te 
overschaduwen. Het is een kentekenende lijn in Egypte’s geestesmerk. 

De dode wordt dan ook niet moede op te wekken tot het uitspreken van zijn naam en 
de aard van de gave, die hij zijn familie of vrienden of alle voorbijgangers vraagt, doet hem 
tevens een argument aan de hand om hen over te halen aan zijn verzoek gehoor te geven. 
Het is zo gemakkelijk, wat hij vraagt. Hij vraagt niet iets kostbaars, noch iets vermoeiends, 
slechts een woord, een ademtocht. 

Evenzo, aldus een inscriptie in hetzelfde graf van Petosiris 19 ), zal er gedaan worden 
voor dengene, die het (voor mij) zal hebben gedaan. Wie mij welgedaan heeft, hem zal de 
god weldoen. Iets goeds te zeggen is een monument. (En toch) zal uw mond niet vermoeid 
worden door het te zeggen; het zal niet van uw voedselvoorraden afgaan. Het is niet moeilijk 
iets goeds te zeggen. (Integendeel,) het is voordelig voor wie het doet. 

En elders in hetzelfde graf, dat ik hier heb gekozen wegens de uitvoerigheid van zijn 
teksten, spreekt de dode 20 ) : O, gij levenden op aarde, die naar deze berg komt ... en die zegt: 
Tot uw dienst, tot uw dienst! in antwoord op de woorden, die ik tot u zeg! Spreekt mijn naam 
uit met een goed..., leest de opschriften, verricht de ceremoniën voor mijn naam, spreekt mijn 

16 ) Of : in leven houdt. 18 ) Ibid inscr. 65 , 1 vv. 

17 ) G. Lefebvre, Le tombeau de Petosiris, inscr. 19 ) Ibid., inscr. 137 , 5 vv. 

81 , iow. 20 ) Ibid., inscr. 125 , 2 vv. 


OUDERTROTS, KINDERPLICHT EN DE KLACHT VAN ËEN KINDERLOZE 


ii 


naam uit, terwijl gij rijkelijk offers brengt. Geeft mij voedsel van de mond en spijzen van 
de lippen 21 ); uw mond zal daardoor niet moede worden; het zijn geen eigendommen, die 
uit uw handen ontsnappen. Zoals men anderen weldoet, zal men welgedaan worden; iets 
goeds te zeggen is een monument, enz. 

Teksten uit vroeger tijd zijn bij deze woordenvloed vergeleken kort en sober; zij gaan 
spaarzamer om met het woord, ofschoon ook zij overtuigd zijn van de goedkoopte en gemak¬ 
kelijkheid van dit artikel. Zij zeggen meestal slechts kortweg: Adem van de mond is nuttig 
voor den dode; dit is niet iets waarvan men moe wordt. Een enkele maal wordt daaraan nog 
een kleuriger illustratie toegevoegd: Het komt niet uit uw voorraadkamers, of: het is geen 
last op uw schouders! 

Daar wij in de laatste inscriptie, die ik hier zal vertalen nog een zeer uitgewerkt voor¬ 
beeld van dergelijke aanbevelingen zullen tegenkomen, ben ik ter toelichting daarvan iets 
uitvoeriger ingegaan op dit genre van opschriften. Thans keren wij tot ons eigenlijke onder¬ 
werp terug. 

In Egypte vindt dus, zo zagen wij, het verlangen naar een zoon zijn grond voornamelijk 
in het feit, dat deze in de dodencultus een onontbeerlijke figuur is. Hij moet zorgen voor een 
graf met toebehoren, zonder hetwelk de ziel in het Westen geen plaats zou vinden, waarop zij 
kan neerstrijken, zoals het in de Levensmoede heet. Hij moet zorgen voor een behoorlijke 
begrafenis met al de begeleidende ceremoniën, waardoor de dode tot een „welvoorziene geest” 
wordt gemaakt. Hij moet na de begrafenis het dodenoffer brengen en het dodengebed reciteren 
en bovenal de naam van den overleden vader uitspreken. Zonder hem is een waarlijk voort¬ 
bestaan onmogelijk en zou de dode, zoals wij nog zien zullen, aangewezen zijn op de altijd 
twijfelachtige welwillendheid van vreemden. Het nakomen van de plichten jegens den ge¬ 
storven vader is even belangrijk, ja, in wezen belangrijker dan het vervullen van de kinder¬ 
plichten, waarop de levende vader recht heeft. De plichtsbetrachting jegens den overleden 
vader wordt dan ook niet vergeten in het hooggestemde loflied op den volmaakten zoon, dat 
vereeuwigd is in één der opschriften van het beeld van een zekeren Bakenchonsoe, een priester 
van Amon. Het is voor den vader gemaakt en in de tempel van Karnak opgesteld door een 
zoon, wiens voorbeeldig gedrag in het algemeen en wiens piëteit jegens den gestorven vader 
in het bijzonder breed worden uitgemeten. 

Het portret laat ons den bezongene naar onze smaak niet op zijn voordeligst zien en 
gaarne zouden wij het hier getekende beeld van den braven Hendrik, wiens leren spelen en 
wiens spelen leren is geweest, aan misplaatste vadertrots toeschrijven. Was misschien Baken¬ 
chonsoe een Egyptische heer Witse, die — in dit opzicht hinderlijker nog dan deze — het 
vermogen bezit ook na zijn dood overal rond te gaan en aan alle huizen, daar hij komt, breed 
op te geven van de ongehoorde kundigheden van zijn zoon Gerrit, alias Djedbastefanch? Er 
zijn verscheidene wegen om een zoon of dochter ongelukkig te maken — had reeds Baken¬ 
chonsoe sedert lang deze ingeslagen? Helaas, het beeldje en ook het opschrift zijn het werk 
van den zoon zelf, zodat wij hem niet op deze wijze kunnen redden. Misschien mogen wij 
echter een groot deel van de beschrijving op rekening stellen van zelfbedrog of geheugen¬ 
zwakte en zo de mogelijkheid openhouden, dat onze onuitstaanbaar brave Djedbastefanch een 
doodgewone, normale Thebaanse jongen is geweest. 

Ziehier dan de incarnatie van het ideaal van den braven zoon 22 ) : 

Dit mijn graf is nuttig voor mijn ziel. Mijn hart is vriendelijk voor hem, die 
mijn beeld heeft gemaakt. Ik hield immers van hem, toen hij een klein kind was; 
(want) ik zag in, dat hij een echte man 2S ) was. Ik bevond hem reeds oud, toen 

21 ) D.i. die slechts uit woorden behoeven te be- verbeterd naar pl. xxn. 
staan. 23 ) Er staat: de zoon van een man, d.i. iemand 

2 p) G. Legrain, Statues et statuettes de rois et van goede geboorte en daarom zelf ook een gentle- 
de particuliers, n°. 42213 ; de gedrukte tekst (p. 35 ) man. 







12 


EGYPTISCHE PHILOEOGIE 


hij nog een kind was. Zijn onderwijs 24 ) stond niet in verhouding tot zijn leeftijd. 
Zijn spreken was uitgelezen, er was geen fout (?) in zijn woorden. Hij was de 
evenknie van Thoth 25 ), vriendelijk voor dengene, die hem had gemaakt 26 ). Hij 
verving mijn werkzaamheid in wat hij deed 27 ). (Hij was) iemand vaardig in het 
spreken, die de harten vriendelijk stemt. Zijn woord was melk. Ik heb voor hem 
gebeden om jaren in geluk. Ik heb de Phoenix 28 ) melding gemaakt van hem. 
Moge hij lang op aarde leven zonder daarin op te houden. (Want) zijn dauw 29 ) 
is overvloediger dan regen, hij brengt rijkelijk offers. Hij heeft de dodenstad 
voortreffelijk gemaakt ... voor mijn lichaam. Hij heeft daarop het lichaam van 
den god gespreid voor mijn graf, zodat hij zeilt wanneer hij mij nadert 30 ). 

Het loon daarvoor van de zijde van Osiris is dat zijn leven lang wordt gemaakt 
in vreugde. Moge hij zijns gelijke hebben tot zijn opvolger, opdat deze hem zijn 
weldadigheid jegens mij vergoede. 

Moge mijn beeld in deze tempel blijven, duurzaam als de monumenten van 
Karnak. 


De voorlaatste alinea is voor den liefderijken zoon zeker niet het minst belangrijk geweest. 
Charité bien ordonnée commence par soi-même. Het in de tempel geplaatste beeld moge een 
weldaad voor den vader zijn; ook de zoon zelf mag op den duur rente van dit uitgezette 
kapitaal verwachten. Geheel onbaatzuchtig is hij stellig niet, want weldaden aan een dode 
bewezen zijn, zoals de grafschriften dikwijls verkondigen, nog beter voor dengene die ze doet 
dan voor dengene voor wien ze worden gedaan. 

Doch hoe dit zij, hoe gering of groot de dosis eigenbelang in de piëteit van den zoon 
geweest moge zijn, de vader plukt er in ieder geval de vruchten van. Hoe benijdenswaard is het 
lot van hem, die zulk een zoon heeft! Hoe troosteloos moet de overzijde van het graf er uit 
zien voor een Egyptenaar, die deze verzorging moet missen. 

Daarom volge hier tenslotte nog een grafschrift, waarin een kinderloze zijn hart uit¬ 
stort. Het ligt na al het boven besprokene voor de hand, dat vooral de bezorgdheid omtrent 
zijn toekomstig lot na den dood hem zwaar zal drukken. Wat ook het leed van Petusoechos, 
zo heet onze kinderloze, tijdens zijn leven geweest moge zijn, hoe groot het verdriet om schaaps¬ 
kooi zonder lammeren, hoe vlijmend de smart om zomertijd, aan bloemen arm, veel ingrijpender 
moesten voor een Egyptenaar de eeuwige gevolgen der kinderloosheid zijn. Wat was dit 
tijdelijk verdriet vergeleken bij de ontbering der eeuwigheid? Geen dochter en vooral geen 
zoon, dat moest betekenen het wegvallen van alle zekerheid omtrent het hiernamaals. Alle 
voorwaarden voor een behoorlijk voortbestaan, waarvan de vervulling afhing van den zoon, 
de begrafenis en de voortgezette dodencultus, dat alles zweefde voor den kinderloze in een 
pijnlijke onzekerheid. Niets bleef hem over dan een vurig, doch machteloos beroep op het 
medelijden van buitenstaanders. Zou het mogelijk zijn de onverschillige voorbijgangers na 


24 ) Er staat: in verhouding tot hem. Men zou 
gaarne vertalen: zijn wijsheid, kennis, doch het 
Egyptische woord betekent: onderwijzing. Het komt 
trouwens op hetzelfde neer: hij was zijn leeftijd 
vooruit in kennis. 

25 ) Thoth is de god van de wijsheid. 

26 ) D.i. zijn vader. 

27 ) D.i. hij leek sprekend op mij in zijn doen en 
laten. De vertaling is echter erg onzeker; er kan ook 
iets héél anders staan. 

28 ) Een merkwaardige en verder onbekende 
functie van de Phoenix. Wel heet deze bv. in Doden¬ 


boek 17 , de inspecteur van wat er geweest is, d.i. van 
de eeuwigheid. Dat verklaart misschien, dat hij over 
de tijd kan beschikken en levensjaren uitdelen, wat 
hier blijkbaar de bedoeling is. 

2 D D.i. de plengoffers, die hij brengt. 

30 ) Een raadselachtige zin. Het lichaam van den 
god kan betekenen: het water. Is het een overdreven 
beeld voor de veelheid van zijn plengoffers: hij 
plengt zoveel, dat het graf er van drijft; men kan 
er wel zeilen. Dit lijkt waarschijnlijker dan dat het 
zou betekenen: hij heeft een kanaal aangelegd naar 
mijn graf, zodat hij het zeilende kan bereiken. 


OUDERTROTS, KINDERPLICHT EN DE KLACHT VAN EEN KINDERLOZE 


13 


dagen en weken — misschien —, na maanden en jaren — het leek reeds onwaarschijnlijker — 
nog over te halen al was het maar tot een ademtocht van enkele minuten ? 

Het grafschrift van Petusoechos is een wanhopige poging de daadwerkelijke belangstelling 
van de bezoekers der dodenstad te wekken. Het is in zijn uitvoerigheid tevens een uitstekend 
voorbeeld van de compositie en stijl van dit litteraire genre. Men vindt er achtereenvolgens 
de aanroeping der voorbijgangers, het verzoek zijn naam uit te spreken en andere cultische 
handelingen te verrichten (bv. water te plengen, het dodenoffer te reciteren, enz.) en de 
belofte van goddelijke en menselijke gunst, die dit verzoek kracht bijzet. 

Deze belofte is merkwaardigerwijs zeer kort — een enkele zinsnede, terwijl men zou 
verwachten, dat de spreker, die er alles aan gelegen moest zijn onverschillige vreemden voor 
zijn lot te interesseren, hoog zou hebben opgegeven over de beloningen, die hun wachtten, in¬ 
dien zij hem ter wille waren. Het ontbrak ook niet aan modellen voor de uitwerking van dit 
thema en een ruime voorraad geijkte phrases had hem desgewenst ter beschikking gestaan. 
Zelfs graven van ouderen datum, die op het punt van inscripties meestal minder breedsprakig 
zijn dan de latere, weiden hierover dikwijls uitvoerig uit 31 ): Gij zult leven in de gunst van 
uw vorst, gij zult uw ambten overdragen aan uw kinderen; uw kinderen zullen blijven op uw 
zetels in uw eeuwige ambten; gij zult geen honger hebben en gij zult geen dorst lijden. De 
grote god heeft bevolen, dat gij op aarde leeft in zijn gunst. Gij zult niet worden vastgehouden 
in de moeilijke plaats 32 ) door de gunst van de góden van uw stad, indien gij zegt, enz. Daarbij 
steekt op onze stele het éne zinnetje over de gunst van den groten god wel zeer sober af. 

Hierop volgt dan een biographisch deel, grotendeels een uitstalling van eigen voor¬ 
treffelijkheid, die ten doel heeft te bewijzen, dat de dode deze weldaden waardig is. In ons 
geval komt hier waarschijnlijk de kinderloosheid en misschien de oorzaak daarvan ter sprake. 
Uitvoerig schildert hij dan wat zoon en dochter voor een dode doen en wat hij dus mist, om 
daarna met dubbele aandrang zijn verzoek te herhalen: als niemand anders zijn naam uit¬ 
spreekt, staat hij immers geheel alleen en hulpeloos, dan is hij een boom, die met wortel en 
tak is uitgeroeid. En als sluitsteen van zijn argumentatie volgt dan nog een zeer uitvoerige 
uitwerking van het boven besproken thema: Doe het maar, het vermoeit u niet en het kost 
u ook niets! 

Ondanks de slechte toestand, waarin sommige delen van het opschrift verkeren, is het 
grootste gedeelte van de stele volkomen duidelijk en vertaalbaar, dank zij de traditionele vorm 
en inhoud, waardoor het mogelijk is, slecht leesbare regels met behulp van verwante teksten aan 
te vullen. Waar deze hulp ontbreekt — en dat is juist het geval bij de individuele, en daar¬ 
door interessantste passages — is een volledige vertaling van de gepubliceerde tekst niet 
mogelijk 33 ). Het is verleidelijk juist in de onvolledige en blijkbaar incorrect gecopieerde regels 
allerlei buitengewoon treffende mededelingen te vermoeden. Lange heeft bijvoorbeeld de 
onderstelling geopperd, dat Petusoechos ergens over een ziekte als oorzaak van zijn kinder¬ 
loosheid zou spreken. Voordat een correcte, volledige tekst beschikbaar is, blijft dit echter een 
gewaagde, oncontroleerbare fantasie. Beter is het voorlopig met het zekere genoegen te 
nemen en dit is belangwekkend genoeg. Petusoeohos dan houdt de volgende toespraak: 


O, alle gij priesters, alle gij profeten, alle gij voorleespriesters ... alle gij 
schrijvers van het Levenshuis 34 ) en alle balsemers, dienaren, dodenpriesters, 


31 ) Brits Museum ioi = K. Sethe, Agyptische 
Lesestücke , 89 . 

32 ) D.i. blijkbaar een bijzonder onaangenaam deel 
van de onderwereld. 

S3 ) De publicatie van Daressy in Ree . de Trav. 
xxvi, 78 is zeker niet overal correct. Sommige fouten 
kon ik verbeteren aan de hand van een goede photo, 
waarover ik door de vriendelijke bemiddeling van 
den heer Labib kon beschikken, maar voor een defi¬ 


nitieve lezing is vergelijking met het origineel nood¬ 
zakelijk. Spiegelberg heeft het eerst op het belang 
van deze stele gewezen en de hoofdinhoud juist 
aangegeven: Die Bitte eines kinderlosen Agypters 
um Totengebete (ARW xviii, 594 ); Lange analy¬ 
seerde de tekst in Mélanges Mas per o 1 , 2 i'i. 

34 ) De schrij versschool bij tempel of paleis, waar 
ook de heilige boeken werden geschreven. 




EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


werklui die bij de begrafenis 35 ) betrokken zijn en die bij de dodenstad behoren, 
die zult komen naar deze berg en die Hawara 36 ) zult voorbijkomen ten tijde, dat 
gij offers brengt voor uw afgestorvenen en die zult zien deze grafsteen en die de 
hiëroglyphische inscripties daarop zult lezen, geeft toch gehoor aan de bede, die 
ik als een nederig smekeling voor u heb opgesteld, namelijk dat gij mijn naam ge¬ 
denkt en vermeldt ten goede. Dan zal de grote god, de heer van het Westen, u 
daarvoor gunst bewijzen, want ik ben een edele afgestorvene ... vriendelijk voor 
dengene, die hem weldoet ... er is geen kwaad bij mij. Ik zeg en doe u weten de 
dingen, die met mij zijn gebeurd ... Ik heb daarom deze [inscriptie] geschreven. 
Ik heb (mijn) leven doorgebracht... van ’smorgens tot ’savonds; ik heb niet 
werkeloos gezeten... 37 ). 

Ik heb geen opvolger, die mij tot geest zou kunnen maken 38 ) in de hal van 
de horizon met zijn riten en het werk van Anubis 30 ) ... en die mij kon tooien 40 ) 
op de dag van de ter aarde bestelling, die voor mij de dodenspreuken kon uit¬ 
spreken ... die mij in mijn graf kon doen binnengaan, die mij kon doen rusten 
in mijn grafgebouw, die voor mij de riten kon verrichten, wiens hart mijn graf 
kon zoeken wegens mij en die voor mij offers en plengoffers kon brengen, zoals 
een zoon voor zijn vader pleegt te doen. 

Ik ben een eerwaarde geweest van mijn gouw, (maar) ik heb geen dochter, 
die voor mij kon rouwbedrijven op de dag van het plantenoffer (?), die voor mij 
kon rouwen, die over mij kon klagen ten tijde van het moede zijn 41 ) ... Dit is 
met mij gebeurd, zodat er niemand is die voor mij offert. 

Ik ben een priester geweest, die zijn plicht kent, bij wien geen kwaad was, 
rein van vingers bij wat zijn hand deed, die geen onreinheid deed, een priester, 
die ging op het water van zijn heer 42 ) ..., die niet moede werd hem te volgen, 
rein in zijn ..., die niet streefde naar het onreine, die zich reinigde ten tijde van 
het offeren zonder ophouden ... Ik was een burger in wien geen tekortkoming 
werd gevonden, die een uitspraak deed zonder partijdigheid ..., bij wien geen 
zonde was ... zonder partijdigheid, ..., wiens afschuw het onrecht was. 

Ik heb dit vóór u geplaatst om u mijn aard te doen kennen en wat er met 
mij is gebeurd om uw mond sterk te maken om mijn naam uit te spreken als een 
bede, die ik tot u heb gericht, want een man, wien geen kind is geboren, 
hij is iemand die er nooit geweest is, hij is in het geheel niet geboren. Zijn naam 
wordt niet herdacht, zijn naam wordt niet uitgesproken als die van iemand, die 


36 ) Dat is niet alleen de ter aarde bestelling, maar 
het gehele proces van mummieficatie, enz. 

36 ) Plaats in het Fajoem, waar de grafsteen is 
gevonden. 

37 ) Op deze passage berust Lange’ s gissing; er is 
blijkbaar slechts sprake van P.’s rusteloze werk¬ 
zaamheid voor het algemeen welzijn. 

38 ) Dit is: door voorgeschreven riten tot een 
zalige dode maken. De even later vermelde doden¬ 


spreuken heten bijvoorbeeld in het oorspronkelijke: 
geestmakers. 

39 ) Het werk van Anubis is de mummieficatie. 
Men ziet Anubis of een als Anubis vermomde 
priester dikwijls afgebeeld, terwijl hij bezig is met 
de mummie. 

40 ) Het werkwoord wordt vooral van kleden en 
zalven gebruikt. 

41 ) D.i. het sterven. 

42 ) D.i. die zijn heer trouw diende. 


OUDERTROTS, KINDERPLICHT EN DE KLACHT VAN EEN KINDERLOZE 15 

in het geheel niet heeft bestaan. Zo ben [ik als] een boom, die met zijn wortels 
is uitgerukt wegens datgene wat er met mij is gebeurd. 

Daarom heb ik dit vóór u gesteld, opdat degenen, die nu leven en zij die in 
de toekomst tot in eeuwigheid zullen leven (mij) van dienst zullen zijn. 

Moge het waarlijk voor mij gedaan worden, (want) 
uw hart zal niet mat worden door het te scheppen, 
uw keel zal niet benauwd worden door het te uiten, 
uw tong zal niet moede worden door het te zeggen, 
uw [mond] zal niet ziek worden door het te herhalen! 

Het is geen koopwaar die u [ontglipt], wanneer gij het doet; uw voorraad¬ 
schuren zullen daardoor niet leeg worden van spijzen; (want) adem van [de mond 
is nuttig] voor de doden, ... een dode leeft van het uitspreken van zijn naam, 
een geest ademt doordat men roept ... 43 ). 

Deze grafsteen geeft, zoals men ziet, in zijn begrijpelijke delen een volledige samen¬ 
vatting van de inhoud van de Egyptische geloofsvoorstellingen, die in dit artikel kort zijn 
geschetst. Moge ons in de toekomst ook de zin van de nu nog duistere passages worden onthuld. 

Leiden A. de Buck 

OVERZICHT DER EGYPTISCHE FILOLOGIE GEDURENDE 

DE JAREN 1948—1949 GEGROEPEERD OM DE VERTALING 
VAN EGYPTISCHE VERHALEN. 

De verhalen, die Scheherazade aan haar echtgenoot verteld zou hebben, zijn bekend 
geworden onder den titel van iooi Nacht. Uit hun beroemdheid mag men afleiden, hoezeer 
men in het Oosten het verhaal, mits goed verteld, op prijs wist te stellen. Het gold dan zelfs 
als litteratuur, iets wat in Hellas zeker in veel mindere mate het geval geweest is, hoewel 
bv. Plato en zeker Herodotus de vertelling niet versmaad hebben. Het is interessant, dat 
sommigen verdedigen, dat de 1001 Nacht, hoewel zij in Bagdad voorgesteld worden te ge¬ 
beuren, feitelijk Cairo als achtergrond zouden hebben. Daarnaast wijst men op parabelen 
met oeroude Egyptische verhalen x ) ; zo wil men het verhaal van den zeeman Sindbad in 
verband brengen met den Schipbreukeling. Juist omdat een vertelling zo geliefd geweest is 
in het faraonische Egypte, is het merkwaardig, dat wij van den Schipbreukeling slechts één 
tekst en wel op papyrus, over hebben. Want a priori zou men verwachten, dat ook ostraka 
ons tenminste gedeelten van dezen tekst bewaard zouden hebben. Waarom dit niet het geval 
is, kunnen wij slechts gissen. Mag men er uit afleiden, dat hij niet als voorbeeld op de 
scholen gebruikt werd? Sinoehe genoot daarentegen een grote populariteit of tenminste een 
grote verbreiding bij het onderricht; zo bevindt zich bv. te Oxford een buiten verhouding 
groot ostrakon, dat zoveel van dezen tekst bevat, dat men het liefst als een schoolbord zou 
beschouwen. 

Dat de oude Egyptische verhalen ook in ons taalgebied nog belangstelling genieten, 
blijkt wel uit het feit, dat de verzameling, die A. de Buck ruim twintig jaar geleden in ver¬ 
taling publiceerde, reeds jaren uitverkocht is 2 ). Hij heeft niet geschroomd door cursieven 

43 ) De rest van de stele is afgebroken. 74 - 84 * Het is niet mijn bedoeling hier de verdere 

litteratuur over dit onderwerp te geven. 

a ) G. Lefebvre, Origine égyptienne d’un épisode 2 ) A. de Buck, Egyptische verhalen uit het oud - 
d un conté des „Mille et une Nuits ”, CRAIBL 1943 , Egyptisch vertaald, Santpoort, 1928 . 







ió 


EGYPTISCHE PHILOLOG1E 


druk aan te geven, waar de vertaling onzeker is. Want ofschoon de Buck hier als litterator 
aan het woord is, verloochent hij terecht niet de andere aspecten der filologie. Wanneer hij 
immers als grammaticus weet, dat hij een bepaalde passage zo moet vertalen, doet hij dit, 
ook indien de zin ervan hem dan ontgaat. Het niet begrijpen ligt immers aan ons, of ten¬ 
minste aan gebrek in onze kennis. Maar wegens dit tekort mag men niet verwringen, wat 
wij volgens onze kennis der grammatica op een bepaalde manier moeten vertalen. Het is 
slechts geduldig wachten op de interpretatie. Daarbij is de semasiologie of betekenisleer der 
woorden van groot belang; Sir Alan Gardiner, wiens Egyptian Grammar zo voortreffelijk 
is, omdat hij algemeen linguistisch georiënteerd is, heeft daarop nog het vorige jaar, bij 
gelegenheid van het Oriëntalisten congres te Parijs, gewezen. Want maar al te vaak zijn 
onze vertalingen van Egyptische woorden vaag of erg ruim, terwijl onze kennis van het 
idioom betrekkelijk gering is. Het werk van den grammaticus en semasioloog is zeker on¬ 
dankbaar, maar het is absoluut noodzakelijk, wil men tot betrouwbare vertalingen komen. 
Door niet meer te vertalen dan men kan, eert men niet alleen hun werk, maar is men ook 
pas wetenschappelijk verantwoord. De voortgezette studie van grammatica en betekenisleer 
der woorden zal ongetwijfeld leiden tot een steeds beter verstaan der beschikbare teksten. 
Nu is het een plicht de bestaande vertalingen steeds meer te vervolmaken. Het is dan ook 
verheugend, dat er kortelings twee bijdragen op dit gebied van eerste rangs Egyptologen, 
B. Gunn en G. Lefebvre, zijn verschenen. 

Alvorens op hun werk nader in te gaan, is het misschien niet overbodig iets te zeggen 
over de Egyptische verhalen in het algemeen. Indien men als omschrijving van het begrip 
verhaal mag zeggen, dat het de verzorgde beschrijving is van iets, dat de verteller voorstelt 
als gebeurd, maar met een onverwacht verloop, dan moet men zeggen, dat de fantasie van 
den Egyptenaar op dit punt niet groot geweest is. Wij zien er dezelfde nuchterheid, die wij 
menen te mogen opmerken bij het beschouwen van hun reliefs. Ook is, volgens ons gevoel, 
de opbouw der verhalen soms zwak, hoewel litteraire procédé’s als bv. het kaderverhaal, 
gebruikt worden. Wij kennen naast mythologische verhalen als het Proces van Horus en 
Seth 3 ), ook anecdotische, bv. de geschiedenis van de Inneming van Joppe door Generaal 
Toethmosis. Ook kunnen allegorieën, als Waarheid en Leugen 4 ) de hoofdrol vervullen. 
Weer geheel anders is de parel der Egyptische vertellingen, Sinoehe, waarin ons in den vorm 
van een autobiografie diens belevenissen verhaald worden. Men is algemeen van mening, 
dat wij hier met een historisch gegeven te doen kunnen hebben, dat dan echter met grote 
vrijheid is bewerkt. Daar wij in de avonturen van Wenamon een beschrijving van diens 
werkelijke avonturen, slechts weinig opgesmukt, schijnen te hebben, is het een kwestie van 
standpunt, of men dit geschrift al of niet tot de verhalen wil rekenen. 

Misschien nog moeilijker dan een bevredigende omschrijving van het begrip verhaal is 
het vinden van een indeling in genre’s der verschillende vertellingen. Het realistische verhaal 
van den Welsprekenden Boer zou men als vertegenwoordiger van een apart genre kunnen 
beschouwen, evenzeer Sinoehe wegens zijn autobiografisch karakter. Men kan het verhaal 
van Astarte mythologisch noemen, evenals het Proces van Horus en Seth, maar indien, wat 
niet onwaarschijnlijk is, Bata in het verhaal der Twee Broers met Osiris gelijk gesteld moet 
worden, zou dit er ook bij thuis horen. Moet men bij de geschiedenis der prinses uit 
Bechten 5) met Lefebvre meer den nadruk leggen op het anecdotische ervan of het toch 
niet liever klassificeren onder de wonderverhalen, zoals wij die kennen uit den papyrus 
Westcar? Terwijl wij dus van den enen kant bij den Egyptenaar een gebrek aan fantasie 
moesten vaststellen, kunnen wij van den anderen kant toch constateren, dat de onderwerpen 
en de behandeling ervan zo gevarieerd zijn, dat het beter schijnt iedere indeling achterwege 
te laten. Ook hier dringt zich vanzelf een vergelijking met de beeldende kunst op: hoe 
uitgesproken typisch deze ook in haar uitbeelding was, toch heeft de kunstenaar dit type 

3 ) J. M. Gerritsen, Het Proces van Horus en 5 ) A. de Buck, De Bentresj-stele, JEOL 10 

Seth , JEOL 1/3 (1935), 61 - 68 . ( 1945 - 1948 ), 237 - 243 . 

4 ) J. M. Gerritsen, Waarheid en Leugen , JEOL 
1/2 (1934), 24 - 26 . 


OVERZICHT DER EGYPTISCHE FILOLOGIE 


17 


nooit klakkeloos gecopieerd,maar steeds gevarieerd. J. Capart, die voor de reliefs het bestaan 
van boeken met voorbeelden ( cahiers de modèles) aannam, heeft hier herhaaldelijk op 
gewezen. 

Ook de beide straks genoemde vertalers hebben een keuze uit het beschikbare materiaal 
gedaan. B. Gunn 6 ) vertaalde slechts enkele verhalen en, om het aanstonds te zeggen, mis¬ 
schien is wel het belangrijkste van deze vertaling hierin gelegen, dat hij breekt met de 
bestaande gewoonte, oude teksten in een soort Bijbel-Engels te vertalen; zijn vertalingen 
hebben daardoor niet het gekunstelde, dat zij in Engeland tot nu toe steeds bezaten, en 
spreken den huidigen lezer dan ook veel meer aan. Als proeve van oud-Egyptische verhalen 
koos hij den Schipbreukeling, de avonturen van Sinoehe, de Wonderverhalen aan het hof 
van Cheops, de Twee Broers, en uit den laten tijd, het verhaal van Chaëmwese. Bovendien 
werd het verhaal van de schatten van Rhampsinitus, ofschoon slechts bij Herodotus bewaard, 
opgenomen, omdat het onmiskenbaar Egyptische inspiratie verraadt, misschien zelfs van 
Egyptischen oorsprong is; tenslotte voegde Gunn nog een tweetal verhalen uit de Koptische 
litteratuur aan zijn bloemlezing toe. Het boekje is uitdrukkelijk bestemd voor een algemenen 
lezerskring, zoals ook uit de noten blijkt. Dat de vertalingen alleszins verantwoord zijn, 
behoeft nauwelijks uitdrukkelijk gezegd te worden. 

Zoals uit den ondertitel van het boek blijkt, was het de bedoeling een verzameling korte 
verhalen te geven. Men vindt er, behalve de reeds vermelde, nog een elftal, die alle dateren 
uit de Arabische periode van het Nijldal; het oudste is ongeveer duizend jaar oud, het 
jongste nog geen tien. Lewis ziet' in al deze verhalen iets typisch Egyptisch, omdat de basis 
van het Egyptische leven, de boer, door de eeuwen heen dezelfde en hetzelfde is gebleven. 
Hij wijst erop, dat het scheppen van het korte verhaal als litteraire vorm voor het eerst in 
Egypte heeft plaats gevonden en dat vele van de bewaarde verhalen, ook uit den oudsten 
tijd, slechts verteld worden uit zuivere liefde voor het vertellen. Wanneer Lewis echter 
constateert, dat de meest treffende trek van den Egyptenaar in alle eeuwen is de vitaliteit 
en verscheidenheid van zijn verbeelding, kan ik hem tot mijn spijt niet bijvallen, evenmin 
als wanneer hij spreekt van de onwerkelijke schepselen der boerenlegenden. Van deze laatste 
is ons immers in de oud-Egyptische litteratuur niets bekend en het is niet zonder belang op 
te merken, dat juist het verhaal van den Welsprekenden Boer uitmunt door zijn realisme 7 ). 
Verder zegt hij : Dit land zonder bergen of bossen heeft geen Spartacus of Robin Hood 
gekend, en daar de wrok der massa zich niet kon uitleven door voort te borduren op de 
daden van populaire opstandelingen, heeft hij een uitlaat gevonden in verhalen van dieven 
en oplichters, kleine luyden uit de steden, die door een combinatie van stoutmoedigheid 
en bedrog, onder de toejuichingen van degenen, die van bezit verstoken waren, de rijken 
en machtigen tartten en te slim af waren.” Ook dit geldt toch wel niet van de verhalen uit 
de faraonische periode, waarvan men dan evengoed als kenmerk zou kunnen vermelden, dat 
de goddelijke farao er zeer menselijk wordt voorgesteld, bv. in Neferrohoe en de Wonder¬ 
verhalen aan het hof van Cheops, zoals ook in het Proces van Horus en Seth nogal ge¬ 
moedelijk met de góden wordt omgesprongen. 

Daar Lewis zijn bundel betitelt als „Land van tovenaars”, zijn bij voorkeur verhalen 
opgenomen, waarin deze een rol spelen. In Sinoehe, dat wegens zijn kwaliteiten moeilijk 
weggelaten kon worden, is dit echter in genen dele het geval. De bloemlezing van Lewis 
is dan ook tamelijk willekeurig en zijn inleiding geeft, zoals wij zagen, herhaaldelijk aan¬ 
leiding tot tegenspraak. Ziet men echter af van deze tekortkomingen, dan mogen wij con¬ 
stateren, dat dit aardige boekje velen menig aangenaam uur zal bezorgen. Voor hen, die er 
belangstelling voor hebben uit het oogpunt van de algemene letterkunde, zal het voor het 
faraonische gedeelte echter met voorzichtigheid gebruikt moeten worden, om redenen die 
boven zijn aangegeven. Het zou ongetwijfeld zeer interessant zijn te weten, of er door veertig 

6 ) B. Gunn in B. Lewis, Land of Enchanters. 7 ) B. A. van Proosdij, Oudoostersche vertel- 
Egyptian Short Stories from the earliest Times to kunst, Kernmomenten der antieke beschaving en 
the present Day, London, [ 1948 ]. haar moderne beleving, Leiden, 1947, 9-12 

(MVEOL 7 ). 







i8 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


eeuwen heen iets typisch Egyptisch in de verhalen valt op te merken. Dit is echter een pro¬ 
bleem, dat Lewis wel heeft aangeraakt, maar mijns inziens niet bevredigend heeft opgelost. 

Veel omvangrijker is het boek van G. Lefebvre 8 ), dat twaalf verhalen meer bevat dan 
de vorige bloemlezing. De voornaamste ervan zijn de Welsprekende Boer, de profetie van 
Neferrohoe, de Prins en het Noodlot, de Inneming van Joppe, Waarheid en Leugen, het 
Proces van Horus en Seth, Wenamon, en de Prinses uit Bechten. De vier andere zijn of in 
verminkten vorm of fragmentarisch tot ons gekomen. Behalve een uitvoerige inleiding op het 
geheel, geeft Lefebvre een inleiding op elk verhaal afzonderlijk, dan volgt een gedetailleerde 
bibliographie en daarna de vertaling; de noten, in den regel voor Egyptologen bestemd, 
geven vaak aan, waarom aan een bepaalde opvatting bij het vertalen de voorkeur werd ge¬ 
geven. Bovendien zijn de vertalingen veel meer geleed door het aanbrengen van opschriften, 
terwijl het opzoeken van een bepaalde passage gemakkelijk is, doordat de regels van den 
oorspronkelijken tekst zijn aangegeven. 

Telkens kan men constateren, hoezeer zijn vertaling een vooruitgang op vroegere be¬ 
tekent, maar — en dit stemt in zekeren zin tot verheugenis — vrijwel altijd zijn het kleinig¬ 
heden en fijnheden; dit geldt nog meer van plaatsen, waar de vertaling nauwkeuriger kon 
zijn 9 ). Het zou ongetwijfeld interessant zijn, Lefebvre’s vertaling naast vroegere ver¬ 
talingen te plaatsen, maar waarschijnlijk zou dit de lezers slechts matig boeien en daarom 
lijkt het beter, een verhaal in zijn geheel hier op te nemen. Dit is gekozen, omdat het om 
verschillende redenen merkwaardig is. Allereerst wegens de overlevering, waarin het tot 
ons is gekomen, namelijk uitsluitend op ostraka, alle ongeveer uit de 13de eeuw v. Chr. 
Sommige ervan zijn nog niet gepubliceerd, maar konden door Lefebvre toch reeds gebruikt 
worden bij zijn vertaling. Bovendien is het verhaal van een genre, dat wij pas uit den 
Ptolemeeën-tijd in Egypte kenden. Zie hier den korten inhoud van deze spookgeschiedenis: 
De hogepriester van Amon, Chonsoe-emheb geheten, staat in betrekking met een geest (sh), 
wiens gezelschap hij schijnt te zoeken, want hij smeekt de góden dien te laten verschijnen. 
Vol ontzag voor dit bovennatuurlijke wezen, vraagt hij naar diens naam en den naam van 
zijn ouders en verklaart zich bereid zijn bevelen uit te voeren, met name hem een nieuw graf 
te verschaffen. Want de geest is een spook, een dode die door den droeven toestand van 
zijn graf moet ronddolen en daardoor allerlei narigheden en zwarigheden ondervindt. Toch 
was hij tijdens zijn leven een hooggeplaatst ambtenaar, die zozeer de achting van den farao 
genoot, dat deze hem een sarcofaag en een graf geschonken had. Dit graf was blijkbaar door 
iemand anders geüsurpeerd met alle gevolgen van dien; de mummie was eruit gehaald en 
de offers van de dodenstichting werden niet meer aan hem gebracht maar aan den nieuwen 
eigenaar. De hogepriester besluit dan drie personen uit te sturen om het geschonden graf te 
zoeken. Wanneer deze hierin geslaagd zijn, keren zij terug. Na enkele regels breekt de tekst 
dan af. De opschriften in de hier volgende vertaling zijn door Lefebvre aangebracht, terwijl 
aanvullingen of onzekerheden cursief gedrukt zijn. 


DE VERSCHIJNING VAN DEN GEEST 

... zijn plan ... volgens het plan, dat ... gemaakt had ... Hij kwam per schip; hij bereikte 
zijn huis en liet doen ... alle goede dingen. 

... Toen ik (nl. de verteller) dan naar het Westen gekeerd wasj, besteeg hij (nl. de 
hogepriester) het dak ... hij riep de góden des hemels aan en de góden der aarde, die van 
het Zuiden, Noorden, Westen en Oosten, de góden van de andere wereld met de woorden: 
„Laat de zalige geest tot mij komen’\ Hij kwam en sprak tot hem: „Ik ben uw ..., die komt 


8 ) G. Lefebvre, Romans et contes égyptiens de 
répoque pharaonique, Paris, 1949 . 

9 ) Bijvoorbeeld 

Schipbr. 64 - 65 : haar lichaam was met goud over¬ 
trokken ; 

Schipbr. 66 : verstandig was zij wat betreft de toe¬ 


komst, dwz. zij kon in de toekomst zien; 

Schipbr. 133 : Indien het u te machtig wordt. 

Sinoehe 226 : evenals wanneer een Delta-bewoner 
zich in Elefantine ziet en een moerasbewoner in de 
gouw van Elefantine. 


OVERZICHT DER EGYPTISCHE FILOLOGIE 


19 


om 's avonds bij zijn graf te slapen ”. Toen sprak de hogepriester van Amon, Chonsoe-emheb, 
tot hem : „Zeg mij uw naam, den naam van uw vader en den naam van uw moeder, om hun 
te offeren en te doen voor hen al datgene, wat gedaan moet worden voor iedereen, die zich 
in hun positie bevindtToen zeide de zalige geest tot hem: „Nioetboesemech is mijn naam, 
Anchmen is de naam van mijn vader, en Tamsjas is de naam van mijn moeder”. 

BELOFTEN VAN DEN HOGEPRIESTER 

Toen sprak de hogepriester van Amon, koning der góden, Chonsoe-emheb, tot hem : 
*,Zeg mij, wat gij wenst; ik zal zorgen, dat men het voor u doet, en ik zal u opnieuw laten 
begraven. Ik zal ook zorgen, dat men alles voor u doet, zoals passend is te doen jegens iemand 
van uw rang. Gij zult niet meer naakt hoeven te verdragen den wind in den winter, hongerig, 
zonder te ... Mijn hart zal niet heen en weer geslagen worden als het water der overstroming; 
ik heb niet de bedoeling u in den steek te laten, anders zou ik mij er niet mee ingelaten 
hebben”. Maar de geest antwoordde hem : „Houd op met spreken ...” Daarop ging de 
hogepriester van Amon, konin\g der góden, wenend naast hem zitten en zeide tot hem: „Ik 
zal dus hier blijven, zonder eten, zonder drinken, zonder oud te worden en zonder jong te 
worden ; ik zal de stralen vajn de zon niet zien, ik zal den noordenwind niet inademen, de 
duisternis is eiken dag in mijn gelaat; ik zal niet vroeg opstaan om te vertrekken”. 

DE GEEST VERTELT ZIJN LEVEN 

Toen sprak de geest tot hem: „Toen ik nog op aarde leefde, was ik hoofd van het 
koninklijke schathuis van farao Rahotep, hij leve, zij in welstand en gezondheid! Ik was ook 
officier bij het leger. Toen ik aan het hoofd der mensen stond, onmiddellijk na de godejn, 
ging ik voorgoed te ruste in het 14de jaar, in het zomerjaargetijde, van farao Menfo^hotep, 
hij leve, zij in welstand en gezondheid! Hij gaf mij mijn vier canopenvazen en mijn albasten 
sarcofaag. Hij liet voor mij doen al datgene, wat gedaan wordt voor iemand van mijn rang. 

Hij deed mij rusten in mijn graf ... Zie, het laagste gedeelte van den bodem ... om ze 
(nl. de mummie?) naar buiten te werpen; wanneer de wind blaast, kan hij zomaar ... grijpen. 

Wat betreft datgene, wat gij mij gezegd hebt: „Ik zal u opnieuw laten begraven”, dat 
is mij reeds viermaal beloofd . Maar wat heeft men gedaan ? En wat zal ik doen met dergelijke 
dingen, die gij op uw beurt toezegt? Zal ik met al die woorden mijn doel bereiken, en naar 
mijn graf gaan?” 

Toen sprak de hogepriester van Amon, koning der góden, Chonsoe-emheb, tot hem: 
„Geef mij een concreet bevel, met de opdracht: Het moet voor mij worden uitgevoerd, en 
ik zal het voor u laten uitvoeren. Ofwel ik zal zorgen, dat men u vijf slaven en slavinnen 
schenkt, totaal tien, om u water te plengen, en dat men dagelijks een zak tweekoom geeft 
om aan u af te leveren; bovendien zal de chef der offers water voor u plengen”. 

Daarop sprak de geest Nioetboesechensic tot hem: „Waartoe dient datgene, wat gij wilt 
doen? Wordt een boom niet overgelaten aan de zon? Wordt hij niet achter de tuinpoort 
gelaten zonder dat hij zich kan verplaatsen? Wanneer de steen oud geworden is, brokkelt 
hij af”. 

MEN ZOEKT EN ONTDEKT HET GRAF 

... koning Hepetre, hij leve, zij in welstand en gezondheid! ...Amon, koning der góden, 

driemannen.Hij ging per schip, hij ging naar boven ... bij de schitterende behuizing 

van koning Hepetre, hij leve, zij in welstand en gezondheid !... en zij gingen binnen. En zij 
gingen vijf en twintig el voorwaarts op den koninklijken weg, die leidde naar.... Toen daal- 






20 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


den zij af naar den oever en zij keerden terug naar den hogepriester van Amon, koning der 
góden, Chonsoe-emheb. Zij vonden hem, terwijl hij celebreerde in den tempel van Amon, 
koning der góden . . . Hij sprak tot hen: „Zo, gij zijt dus terug. Heeft men de voortreffelijke 
plaats gevonden om er voorgoed te vereeuwigen den naam van den geest, die Nioetboesemech 
heet?”. Toen zeiden de drie mannen uit één mond: „Wij hebben de voortreffelijke plaats 
gevonden om er den naam van den geest te vereeuwigen”. Zij gingen voor hem zitten en zij 
vierden dien dag feest. Zijn hart was blij gestemd, sinds zij gezegd hadden: „ ..., wanneer 
de zon uit den horizon is gekomen”. Toen riep hij den officier van het domein van Amon, 
Menkaoe, ... en hij gaf hem instructies over zijn werkzaamheid, ’s Avonds kwam hij om in 
de stad te overnachten, terwijl hij ... 


Ook voor teksten, die ons op papyrus zijn bewaard, zijn de ostraka van groot belang, 
hoewel zij soms slechts enkele regels bevatten. Op duidelijke en overtuigende wijze is dit 
uiteengezet door B. van de Walle, die een helder overzicht geeft van datgene, wat ons 
thans bekend is aangaande de overlevering der litteraire teksten in Egypte 10 ). Hoewel ook 
belangstellenden het met vrucht zullen raadplegen, is het toch op de eerste plaats bestemd 
voor ingewijden. Wij zullen het dan ook hier verder niet bespreken, maar slechts wijzen op 
de bijdrage, die G. Posener ertoe leverde. Hij publiceert in genoemd werk enkele ostraka 
uit het museum te Brussel; op één ervan staat de volgende zinsnede: „Wat betreft den 
schrijver, welke ook zijn rang is aan het hof, hij zal er niet slecht aan toe zijn”; nu wordt 
dit gezegde in een zeer bekend litteratuurwerk, de Leer van Cheti, aangehaald, terwijl deze 
laatste er tevens bij vermeldt, dat het staat „aan het einde van Kemiet”. Met dit woord werd 
dus blijkbaar het geschrift, waaraan dit gezegde ontleend was, aangeduid. Ongeveer terzelfder 
tijd kwam H. Brunner in zijn grote publicatie van de Leer van Cheti tot dezelfde con¬ 
clusie 1X ). Minstens even interessant is, dat W. C. Hayes, nog onkundig van dit alles, twee 
ostraka uit New York publiceerde, waarop een flink stuk van den tekst uit Kemiet staat 12 ). 
Naar den vorm blijkt het een modelbrief te zijn, terwijl de inhoud vier onderwerpen behandelt: 
de begroetingsformule, een vertellend gedeelte, formules uit de traditionele autobiografische 
teksten en een onderwijzing. In het vertellende gedeelte vernemen wij, hoe een zekere Aoe 
na een afwezigheid van drie jaar thuis komt; al dien tijd heeft hij zich beziggehouden met 
jagen en vissen. Gezien dezen bonten inhoud is het niet eenvoudig het boek Kemiet onder 
een of ander genre te rubriceren. Zou het te gewaagd zijn, het in te delen bij de groep, waarin 
de schrijvers hun spot ten beste gaven over alle andere klassen van mensen en die men 
daarom vaak de satyres op de ambachten 13 ) heeft genoemd? Voor een behandeling van deze 
groep teksten zij verwezen naar het uitstekende overzicht van B. van de Walle 14 ). 

Het is mij een genoegen te vermelden, dat van de door P. Gilbert verzorgde bloem¬ 
lezing uit de Egyptische poëzie 15 ), een weinig veranderde herdruk verscheen; ook deze is 
zeer verzorgd uitgegeven en met veel smaak geïllustreerd. 

Men kan opmerken, dat de hier genoemde studies zich slechts weinig (bv. Gunn) of 
opzettelijk niet (Lefebvre) bezig houden met een periode der Egyptische letterkunde, die 
wij de Demotische plegen te noemen. Daar zij een tijdsspanne van verscheidene eeuwen 
omvat en er de laatste vijftig jaar een groot aantal litteraire teksten in het Demotisch bekend 
zijn geworden, is dit wel te betreuren, maar toch evenzeer te verklaren 16 ). De studie van 
het Demotisch is namelijk een terrein van specialisten geworden, wier aantal niet groot is, en 


10 ) B. van de Walle, La transmission des textes 
littêraires égyptiens avec une annexe de G. Posener, 
Bruxelles, 1948. 

41 ) H. Brunner, Die Lehre des Cheti, Sohnes 
des Duauf, Glückstadt, 1944, 26-27; exemplaren van 
dit boek bereikten West-Europa pas in 1948. 

12 ) W. C. Hayes, A Much-Copied Letter of the 
Early Middle Kingdom, JNES 7 (1948), 1-10. 

13 ) JEOL 1/5 (1937-1938), 295-296. 


14 ) B. van de Walle, Le thême de la satire des 
métiers dans la littérature êgyptienne, CdE XXII 
( 1947 ), 5072. 

lö ) P. Gilbert, La poêsie êgyptienne, Bruxelles, 
1949; men zie JEOL 9 (1944), 29. 

16 ) W. Spiegelberg, Die demotische Literatur, 
ZDMG 85 (1931), 147-171; in het Frans vertaald 
als La littérature démotique, CdE VIII (1933), 
44-68. 


OVERZICHT DER EGYPTISCHE FILOLOGIE 


21 


zo komt het, dat de andere Egyptologen zich slechts met schroom op zulk een speciaal terrein 
wagen. Wij mogen ons daarom gelukkig prijzen, dat wij in Nederla’nd in dit opzicht goed 
bedeeld zijn, zoals blijkt uit de vertaling van den Strijd om de praebende van den god Amon; 
deze werd verzorgd door B. H. Stricker, die bovendien de vertaling van een werk, dat tot 
denzelfden cyclus behoort, den Strijd om het pantser van Inaros, beloofde 17 ). 

Wij hebben in het begin gezien, hoe noodzakelijk en belangrijk het werk op semasiologisch 
terrein is. Het is dan ook wenselijk kort te wijzen op een uiterst belangrijke bijdrage van Sir 
Alan Gardiner 18 ). Feitelijk zijn de door hem als onomastica betitelde teksten niets anders 
dan lijsten van woorden, die vanuit bepaalde gezichtspunten bij elkaar zijn geplaatst, een 
gebruik, dat ook in de Koptische en Arabische periode in zwang is gebleven 19 ). Zo vindt 
men bv. de namen van een aantal vissen of viervoeters opgesomd, maar ook van planten, 
koeken, steden en vestingen, ambachten en beroepen, naast vreemde volkeren. Oorspronkelijk 
heeft het aantal bij elkaar gebrachte woorden 323 bedragen, maar deze zijn niet meer allemaal 
leesbaar. Zij zijn door den Egyptischen samensteller niet voorzien van een vertaling of 
omschrijving, zodat deze taak ten laste kwam van den modernen uitgever. Deze heeft zijn 
grote kennis neergelegd in de verklaringen; kennelijk is zijn voorkeur echter uitgegaan naar 
de aardrijkskundige gedeelten en vreemde volkeren. Sir Alan is hier zo kwistig met 
het hem ten dienste staande materiaal, dat elke naam voor het ogenblik werkelijk afdoende 
behandeld wordt. Maar ook voor het overige brengt hij zoveel verduidelijkende passages, dat 
zijn werk een ware goudmijn is geworden. De uitgave van dit werk heeft lang op zich laten 
wachten, maar dit wachten is ruimschoots beloond geworden. 

En alsof dit opus nog niet genoeg was, kregen wij van Gardiner’s hand ook nog de 
magistrale bewerking van den papyrus Wilbour 20 ) ; ofschoon nu reeds twee delen verschenen 
zijn na de publicatie van den tekst zelf, wordt ons het deel, dat de indices zal bevatten, nog 
in het vooruitzicht gesteld. Hoewel het grote belang van dezen papyrus op ander terrein is 
gelegen dan het filologische, is de commentaar van Sir Alan Gardiner, die zich in zijn 
bekende bescheidenheid tot het oplossen van vele door den papyrus gestelde problemen niet 
competent acht, van een dergelijke grootse allure, dat zijn verschijnen een evenement genoemd 
mag worden in de geschiedenis der Egyptische filologie. 

Het zou verleidelijk zijn niet alleen in te gaan op den inhoud van dezen belangrijken 
papyrus, maar ook op andere publicaties van dezen groten Egyptoloog, die weer verband 
houden met datgene, wat hier slechts kon worden aangeraakt. Maar volledigheid zal zeker dit 
maal niet de bedoeling van den schrijver van dit overzicht zijn. En gelukkig is dat ook niet 
nodig. Van den enen kant is immers de Egyp'tologische productie weer zo groot geworden, 
dat volledigheid hier te veel plaats zou opeisen, van den anderen kant is deze overbodig 
geworden, sinds er geregeld een overzicht verschijnt, waarin de gehele litteratuur is opge¬ 
nomen. Voor hen, die volledig wensen te worden ingelicht, zij daarheen verwezen 21 ). 
Terwijl in genoemde bibliografie gestreefd is naar de grootst mogelijke objectiviteit, is hier 
niet alleen een persoonlijk standpunt betrokken, maar daardoor tevens een greep of keuze uit 
het beschikbare materiaal gedaan. Maar niet alleen kiezen is subjectief, ook bij het bepalen 
van de waarde der publicaties is het uiteraard niet mogelijk, die objectiviteit voor ogen te 
houden, die men zelf zou wensen. Moge de lezer, het oude spreekwoord indachtig, tenminste 
den wil van den overzichtschrijver prijzen. 

Leiden, 26 October 1949 Jozef M. A. Janssen 


17 ) B. H. Stricker, De strijd om de praehende 
van Amon, Oudheidkundige Mededelingen Rijksmu¬ 
seum van Oudheden, Leiden, 29 (1948), 71-83. 

18 ) A. H. Gardiner, Ancient Egyptian Onomas¬ 
tica, Oxford, 1947, 3 delen. 

19 ) J. Capart, Philologie moderne et égyptologie, 


Mélanges Lefort 491-496 = Le Muséon 59 (1946). 

20 ) A. H. Gardiner, The Wilbour Papyrus, Ox¬ 
ford, 1941-1948, 3 delen; zie reeds JEOL 10 (1945- 
1948), 247, Nr. 93. 

21 ) J. M. A. Janssen, Annual Egyptological Bi - 
bliography 1947, Leiden, 1948 en 1948, Leiden, 1949. 







EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 

EEN NIEUWE PHOENIX: AMARA-WEST (SOEDAN)* 

PLATEN I-II (Fig. 1-2) 

In November 1947 zijn de opgravingen te Amara-West *■) hervat door de Egypt 
Exploration Society, wederom onder leiding van H. W. Fairman. Het is gebleken, dat de 
plaats oorspronkelijk op een eiland in de Nijl lag. Tengevolge van uitdroging van de Noor¬ 
delijke arm der rivier heeft deze zich Zuidwaarts verlegd, waardoor het oude Amara zich 
thans op de linkeroever bevindt. De huidige nederzetting treft men ten Zuiden van de Nijl 
aan. De originele situatie was een zeer gunstige: controle op de scheepvaart en op de karavaan- 
route naar de Selima-oase en vooral aanwezigheid van goudmijnen in de woestijn, wier bestaan 
waarschijnlijk is door de vondst van een kruik met klompen goudhoudend kwarts in één der 
huizen. De c Stadhouder van Koesj D , één der twee gevolmachtigden van de Egyptische vice- 
koning van Nubië, resideerde tijdens de Ramessiden dan ook daar en misschien was Amara 
de hoofdstad van de provincie Boven-Nubië. 

De schets van Fig. 1 laat zien, dat een ringmuur van tichelstenen, =1= 3 m dik en soms 
nog een 6 m hoog, de stad omgaf. Ofschoon men in deze muur bastions aantreft, waren er 
blijkbaar geen vijandelijke aanvallen te duchten: eigenlijke verdedigingswerken vindt men 
niet en verschillende gebouwen liggen buiten de muur. 


4 ? 


CcMrse) 


KI 

4 - 

(Arscwy\J Course) 


C D 








V RT-IUe 

f?.(Ar\oar\h 

Cojrsc.) 




*Rivcaf’ Nilc (ArvLiefNÏ Ccursc) .-.>4^ 

Rjïvei? JMilc 0L94Ö) . Howirvg -V 




Fig. i. Plattegrond van Amara-West (Soedan) 
ILN April 17, 1948, p. 439 


De tempel van Ramses n (Fig. i, e; d is de oorspronkelijk in het Zuiden geprojecteerde 
hoofdingang), die reeds in 1939 blootgelegd was 2 ), blijkt volgens inscripties gedurende de 
xixe en xxe dynastie gebruikt en pas tegen het einde daarvan geheel afgewerkt te zijn. 
Onder deze inschriften, belangrijk in historisch opzicht, bevinden zich in de zuilenhal 
(plaat i, Afb. 1) uitvoerige lijsten met overwonnen steden en volkeren in Afrika en Azië. 
Terwijl de meeste hiervan op plagiaat uit Amenhotep m’s tempel in Soleb berusten, dateert 
één groep uit de tijd van de koning zelf (Fig. 2). Het is hier, dat voor het eerst — voor zover 
bekend — in Egypte gewag wordt gemaakt van de plaatsen Jericho (zie bij 1 op Fig. 2) en 


*) Naar: ILN, April 17, 1948, p. 439-441 en 
Oct. 22, 1949, p. 633-635 met artikelen van H. W. 
Fairman en P. L. Shinnie. 

1 ) Amara-West ligt ± 180 km ten Zuiden van 
Wadi Halfa tussen de tweede en derde cataract. — 


Zie ook reeds: JEOL m (n°. 10, I945->I948), p. 313- 
315 (met oudere literatuur). 

2 ) Een beschrijving van de vooroorlogse resultaten 
vindt men in het geciteerde overzicht (noot 'i). 


EEN NIEUWE PHOENIX I AMARA-WEST (SOEDAN) 


23 


Jahweh-in-Edom (zie 2), zoals B. Grdseloff ontdekte. Vooral de tweede naam, één van een 
rijtje Edomitische plaatsen, is zeer interessant. 

De naoorlogse opgravingen bevestigden het bij het uitgraven van de tempel gewekte ver¬ 
moeden, dat de stad reeds vóór Ramses 11 bewoond was. Het onderzoek van werkplaatsen en 
opslagruimten (Fig. 1, f) wees uit, dat in Amara vier lagen te onderscheiden zijn en in¬ 
schriften in het paleis van de gouverneur (Fig. 1, a en plaat i, Afb. 3) bepaalden de datering. 
De oudste stad werd gebouwd in het begin van Seti i’s regeringsperiode (zh 1306 v. Chr.), 
vermoedelijk vooral met het oog op de goudmijnen. Deze was fraai aangelegd: de ruimten (van 
Fig. 1, f) waren in blokken gegroepeerd en lagen aan smalle, elkaar rechthoekig kruisende 
straatjes of met de achterkant tegen elkaar. Nadat de stad snel in verval was geraakt, voor¬ 
namelijk door de onsolide bouw, trok Ramses 11 haar geheel nieuw op (waarschijnlijk vóór 
1266). Ook deze plaats was geen lang leven beschoren en een vijftig jaar daarna onder 
Ramses in verrees zij wederom. De derde stad, met een muurdikte van soms 90 cm, handhaafde 
zich honderdtwintig jaar: toen volgde de reeds genoemde opdroging van de Nijlarm (ztz 1080). 
Daardoor was Amara gelijk steeds, maar thans volledig, blootgesteld aan de hevige Noorden- 



Fig. 2. Lijst van plaatsnamen uit de tempel, o.a. 1. Jericho, en 2. Jahweh-in-Edom 

ILN April 17, 1948, p. 439 


winden en de wegvretende zandstormen 3 ) en werd het door de bevolking verlaten. Of daar 
ook andere, b.v. politieke redenen voor geweest zijn, is onbekend; sporen van plundering of 
verovering zijn in elk geval niet aangetroffen en uit de kleine hoeveelheid gevonden voorwerpen 
blijkt, dat men niet overhaast is vertrokken. Door de alles overdekkende zandmassa’s is de 
plaats overigens beter dan welke andere Egyptische ook geconserveerd. Waarschijnlijk hon¬ 
derden jaren later bouwde blijkbaar een vissersbevolking de vierde stad. De breuk met de 
bouwplannen van het eerste Amara werd toen volkomen, doordat men zelfs met de oorspron¬ 
kelijke straten geen rekening hield. 

In één van de werkplaatsen werd verf bereid; in een andere bevonden zich stenen werk¬ 
banken, stampers en onder de vloer de reeds vermelde kruik met kwarts, plaat I, Afb. 2 toont 
één met de naam Amenemope, vermoedelijk het hoofd, op de deurposten. — Het paleiscomplex 
bestond uit een blok ambtelijke vertrekken en opslagruimten, uit het huis van de gouverneur, 
verdeeld in ambtskamers en -hallen, ruim en soms met zuilen getooid, en uit de particuliere 
appartementen, waaronder een badkamer. De bader stond hierin op een steen, terwijl een pot 
in de vloer het douchewater opving. 

Aan het einde van het seizoen wachtten o.a. de bestuurswijk, de garnizoenskazerne, de 
ambtsgebouwen, het terrein buiten de muur en de kerkhoven op ontgraving. Eén derde van de 
stad was toen blootgelegd. 

In het daaropvolgende jaar werd de ontmanteling van het paleis door de Egypt 
Exploration Society samen met de Sudan Government Antiquities Service voltooid en het 
terrein vóór de hoofdpoort 4 ) blootgelegd. In dit laatste gebied ontdekte men de waterafvoer- 


3 ) Karakteristiek voor de weersgesteldheid is, dat 
vele huistoegangen, die op het Noorden lagen, door 
de bewoners geblokkeerd zijn. 

4 ) Uit de tijd van Seti 1. Zie Fig. 1, c en plaat 


11, Afb. 4. Fig. 1, b is de Westelijke ingang, blijkbaar 
eerst als hoofdtoegang bedoeld en met levendige, 
helaas zwaar beschadigde reliëfs van Ramses 11 op 
het Nubische oorlogspad versierd. 






















24 


EGYPTISCHE ARCHAEOLOGIE 


leiding, gevormd door aan elkaar gecementeerde aarden buizen, die door stenen beschermd 
werden (plaat ii, Afb. 4 en 5). De plattegrond van het paleis kon door grondbeschadiging 
niet tot in bijzonderheden gereconstrueerd worden. Wel vond men de Oostelijke buitenmuur, 
welke aan een brede straat bleek te grenzen, die vermoedelijk de stad van de Noord- tot de 
Zuidkant doorkruiste. Aan de Noordzijde van het paleis en daarbuiten werd een aantal 
huisjes ontdekt, misschien van werklieden, die voor de gouverneur arbeidden. Twee daarvan 
bestonden uit een kleine slaapkamer, een woonkamer en een keuken, die aan de voorkant 
lag. 

Tussen de stadsmuur en de opgedroogde rivierarm blijken zich gebouwen, onder welke 
waarschijnlijk een tempel, en kleine rechthoekige, voor de bewatering practisch aangelegde 
bedden (zie plaat ii, Afb. 6 en 7 achtergrond) bevonden te hebben. Midden in Amara’s 
groententuin, die deze laatste misschien gevormd hebben, treft men een klein heiligdom van 
tichels aan (Afb. 6). Dit tempeltje bestaat uit één vertrek met een ingang op het Zuiden en 
is, zelf opgetrokken op een ouder gebouw, later als huis gebruikt, waarom het van een tweede 
toegang voorzien is. Om het heiligdom heen waren potten geplaatst, die meestal met lemen 
stoppen gesloten waren en slangeskeletten bevatten, waarvan men er overigens ook in een 
kuiltje vond. In een grote pot (plaat ii, Afb. 7) bevonden zich twee geraamtes, van een 
hond en van een slang, die zich om hem heen gewonden had. Misschien heeft men hier met 
pythons te maken. En betreft het een tot nu toe onbekende Egyptische cultus of een Nubische? 

Zal Amara, dat in navolging van die merkwaardige Egyptische vogel, de phoenix, in de 
oudheid driemaal en thans wederom herrees, neg eens voorgoed ten onder gaan? Wee de 
stad, wanneer bij de tweede cataract en Kareima dammen aangelegd worden! Dan zal het 
ganse gebied tot de derde cataract aan Hapi, de overstromingsgod, ten offer vallen. 

Leiden, 10 Januari 1950 M. S. H. G. Heerma van Voss 


NAAR CONSOLIDATIE EN VERBREIDING VAN ONZE 
KENNIS INZAKE DE PYRAMIDEN 

Aan de hand van een drietal boeken wil ik de lezers van de Jaarberichten in kennis 
brengen met de nieuwste gegevens over de pyramiden. Twee daarvan behandelen geschiedenis 
en problemen in het algemeen, het derde geeft bijzonderheden over de zo merkwaardige 
trappenpyramide te Sakkara. 

Jean-Philippe Lauer: Le Problème des Pyramides d’Egypte. Traditions et 
Légendes — Explorations — Description — Théories — Science et Croyances 
des Constructeurs. Avec 49 figures et 29 photographies. Préface d’Etienne 
Drioton. Paris, Payot, 1948. 231 pp. 

J. E. S. Edwards: The Pyramids of Egypt. With drawings by John Cruik- 
shank Rosé. London, Penguin, (1947) 256 pp. 

Sinds de bijna 5000 jaren dat de pyramiden van Giza, als drie gigantische grenspalen, 
juist bij de aardrijkskundige limiet van het Nijldal, waar voorbij de Delta zich als een waaier 
openvouwt, hun imposante massa omhoogtillen, hebben zij niet opgehouden bij de ontelbare 
bezoekers de levendigste gevoelens te wekken van admiratie, van verwondering, ja, soms 
van verontwaardiging. En nog in onze dagen, meer misschien dan ooit, zijn de reizigers te 
tellen, die wanner zij in de buurt van Egypte komen, niet alles in het werk stellen om tot Cairo 
te geraken met geen andere bedoeling dan om — zo al de tijdsomstandigheden het niet toe 
laten tot aan den voet van de pyramiden zelf te gaan — toch minstens een visioen uit de verte 
te hebben van hun fameuze geometrische silhouetten. Dit visioen is overigens een van de 
schoonste indrukken, die men van hen kan meedragen; vooral wanneer men het voorrecht heeft 


ÓNZE KËNNiS INZAKE t>È PYRAMIDEN 


25 


hen hetzij in den ochtend te zien, wanneer ze, al naar gelang hun zijde gekeerd is ten opzichte 
van het licht, rosé of blauw omhoogrijzen uit de nevels van het dal, die ze met hun spitsen 
schijnen te doorboren, — hetzij tegen den avond, wanneer ze de vurige stralen weerkaatsen 
van de op de woestijn neerdalende zon of enige minuten later, tijdens de schemering, wanneer 
hun al donker wordende driehoeken zich aftekenen tegen een hemel, die in brand staat. 

Bij deze indrukken kon zich voorheen des zomers en nu, de laatste jaren, nog in het 
begin van den herfst, het waarlijk feeërieke schouwspel voegen van de overstroming van den 
Nijl. Dit onvergetelijke panorama, zo uitzonderlijk en zo typisch Egyptisch, is helaas voor 
altoos uitgevallen sinds in 1936 een nieuwe ophoging van den stuwdam bij Assoean werd 
verwezenlijkt, die, terwijl ze een permanente bevloeiing van al het bebouwde land in het dal 
door kleine kanalen mogelijk maakt, ook de verdwijning heeft meegebracht van de laatste 
waterbekkens, die tot dan toe nog gebleven waren langs den westelijken woestijnrand. Ge¬ 
durende deze overstromingsperiode werd de Egyptische vlakte omgetoverd in een onmetelijk 
meer, door uitgestrekte palmaanplantingen, afgewisseld met zandduinen, omringd en waar¬ 
boven hier en daar een sycomore, een groepje palmen, een tamarisken- of accasiabosje uit¬ 
stak, terwijl de dorpen met opzet op kleine heuveltjes gebouwd, in evenzovele eilanden ver¬ 
anderden, tussen welke zich de roeibootjes of de zeilschepen der fellahs bewogen: „ lila facies 
pulchcrrima est , cum iam se in agros Nilus ingressit . Latent campi, opertaeque sunt valles: 
oppida insularum modo extant” schreef reeds Seneca. Dit reusachtig wateroppervlak dat zich 
in het dal zowel naar het noorden als naar het zuiden uitstrekte tot voorbij den gezichtseinder, 
weerspiegelde in een kleurenrijkdom met oneindige variaties alles wat door zijn meestal kalme 
en klaardoorzichtige golfjes werd bespoeld. Naar het oosten begrensde enkel de lange, rosé 
muur van het Arabische gebergte, hier en daar onderbroken door een blauwachtige wolken- 
schaduw, dit magnifieke kijkspel dat in het westen door het zand van de Lybische woestijn als 
met een soepelen gouden band werd omlijst. 

Met deze dichterlijke regelen 1 ) opent in onovertroffen élan het meest interessante, meest 
exact-wetenschappelijke, ik zou haast zeggen het meest dogmatische, maar in elk geval het 
meest voortreffelijke boek dat ooit over c de pyramiden van Egypte 3 geschreven werd. Etienne 
Drioton, directeur van den Oudheidkundigen Dienst, noemt het, in de voorrede die hij schreef, 
in één adem een noodzakelijk èn een voortreffelijk boek! Te recht gewaagt hij in verband met 
de pyramiden van het privilegium, de geesten in lichter laaie te zetten: nog steeds is de pyra- 
mide of zijn de pyramiden het waarmerk van Egypte. Wie c pyramide D zegt, verwijlt met 
zijn gedachten in Egypte, aan den Nijl. Zo is het geweest van vóór den tijd der Grieken, onver¬ 
anderd tot nu toe. Want ook het puntige silhouet der pyramiden boven den altijd eenderen 
woestijnrand, westelijk en zuid-westelijk van de Deltaspits, veranderde al dien tijd niet. 

Wat echter dit silhouet in concrcio verborg, wat voor werkelijks precies eraan ten grond¬ 
slag lag, daarover liepen de meningen in zo uiteengelegen tijden ook ver uiteen. Hoe ver, dat 
stelt ons meteen duidelijk het eerste hoofdstuk van dit boek voor ogen, dat een quasi volledig 
overzicht geeft van alles wat van de oudheid af tot aan de expeditie van Napoleon, de 
Expedition d’Egypte, over de pyramiden geschreven werd. Ik kan U verzekeren, lezer, het 
is meer dan de meesten weten! En interessant en leerzaam is het alles in hoogste mate. 


Buitengewoon knap is in den aanhef van hs. 11 een beschrijvende karakteristiek van de 
Egyptische expeditie en de uit deze voortgekomen Description de VEgypte, geconcentreerd 
samengevat in nauwelijks een halve pagina. De analyse van de door deze expeditie verrichte 
werkzaamheden beslaat enkele bladzijden meer, maar ze is dan ook c aP. Graafwerk van be¬ 
tekenis in en om de pyramiden is er tijdens deze expeditie niet zo veel verricht. De grote pyra- 
mide was geopend, doch een verder onderzoek nauwelijks aangevangen. Wel had een vrij nauw¬ 
keurige opmeting van alle buitenmaten plaatsgevonden door drie verschillende onderzoekers 
onafhankelijk van elkaar, die tot bijna volmaakt hetzelfde resultaat leidden. Resultaat dat ook 

D Naar Arthur Rhóné, UEgypte a petites journées, 

Jaarbericht No. 11 












26 EGYPTISCHE ARCHAEOLOGIE 

in het licht van onze tegenwoordige kennis er zijn mag: zo was de door Jomard op 144.195 m 
vastgestelde absolute hoogte slechts 2.40 m lager dan de tegenwoordig algemeen erkende. 

Daarnaast echter zijn het vooral de notities en herinneringen geweest die de deelnemers 
aan de expeditie, Jomard vooral, in de Description hebben nagelaten, die de aandacht van de 
post-napoleontische wereld op de talloze door de pyramiden gestelde problemen concentreer¬ 
den. Het duurde niet lang of een brede schare van nieuwe onderzoekers trad aan. In het ver¬ 
volg van het tweede hoofdstuk verhaalt de auteur ons minutieus en uitvoerig van hun werk en 
van de resultaten die ze bereikten. In chronologische volgorde behandelt en coördineert hij 
mensen, data en feiten; alles wat de mensen, wat de onderzoekers deden, al hun pogingen, 
soms tot veie malen toe herhaald, soms schijnbaar op niets uitlopend. Zo opende al in 1818 
Belzoni de tweede pyramide, die van Chefren, waarbij hij o.m. diens grafzerk vond. Hieruit 
trok Belzoni terecht de conclusie dat de beide grote pyramiden echte graven waren en geen 
schatkamers, zoals wel beweerd werd. Drie jaar later drongen von Minotuli en Segato door 
tot in één van de c blauwe kamers 3 onder de trappenpyramide van Sakkara, waarbij allerkost¬ 
baarste zaken gevonden en meegenomen werden: helaas ging het belangrijkste op weg naar 
Hamburg in een schipbreuk te gronde. 

Het meest vruchtbare werk aan de pyramiden was dat van kolonel Howard Vyse en 
ingenieur S. J. Perring in 1836/7, die er in slaagden de pyramide van Mycerinus te openen. 
De ook in moderne kunstboeken nog zo vaak af geheelde fraaie grafzerk die toen gevonden 
werd ging, andermaal, tijdens een scheepsramp verloren. De hele streek waar pyramiden voor¬ 
komen van Abu Roach tot Dahchour toe werd in die dagen door de twee energieke Engelsen 
onderzocht. De voortreffelijke tekeningen in opstand en doorsnede, die Perring maakte van 
de beide grote pyramiden van Dahchour zijn to nu toe (1948) de enige die wij bezitten van 
deze bouwwerken, die ouder zijn dan dat van Cheops. Men glimlacht wanneer men leest dat 
het werk soms met de wapens in de hand moest worden gedaan en dat de onderzoekers met 
hun personeel in hun kampen door Bedouïnen werden aangevallen! 

Vlak daarop zien we vervolgens Lepsius in Egypte werkzaam, daarna Mariette en den 
Britsen astronoom Piazzi Smyth, die de tot dan toe bekende maten, vooral van de grote pyra¬ 
mide, nauwlettend naging en controleerde en, vooral wat het inwendige betrof, in allerlei details 
corrigeerde. In andere opzichten heeft Smyth verderfelijken invloed geoefend, waarover hier¬ 
onder meer. Wetenschappelijk, ook in onzen modernen zin, werden de pyramiden van Giza, 
later ook andere, eerst in de jaren 1880 e.v. door Sir W. Flinders Petrie, onderzocht. Hij 
verrichtte in Egypte veelzijdig en oorspronkelijk werk, meer dan enig ander Egyptoloog, 
gedurende een halve eeuw lang. Ongeveer te zelf der tijd — het begin der tachtiger jaren — 
opende Gaston Maspero verschillende pyramiden, vooral van koningen uit de ve en vie 
dynastieën. Hij ontdekte als eerste de pyramidenteksten en bestond het bovendien ze, zó, 
heet van de naald, en bloc te vertalen! Van de namen van nieuwere onderzoekers noem ik 
alleen Jacq. de Morgan, Edouard Naville, Ludwig Borchardt, en ten slotte Lauer zelf, 
mij alleen tot de allervoornaamste beperkend. Veel, ontzaglijk veel over dezen en hun werk 
staat in deze bladzijden van het boekje saamgedrongen. 

Maar de auteur laat het hierbij niet. Al vertellend ontwerpt hij voor ons een beeld ook 
van c de pyramide 3 in algemenen zin, haar betekenis en wordingsgeschiedenis, daarbij uit¬ 
stippend allerlei wezenlijke trekken b.v. dat de pyramide op zich zelf geen geheel is zoals een 
tumulus of een mastaba, doch het dominerende punt in een uitgebreid monumentaal complex, 
waar om te beginnen alle ritueel aan mummificatie en begrafenis verbonden voltrokken werd 
en dan later de dodendienst blijvend plaats vond. Dat en hoe in den loop van de lange ontwik¬ 
keling het bouwplan zich telkens wijzigde. En passant ook allerlei meer bijkomstige trekjes 
vermeldend, die bij den bouw en de bediening werden toegepast (lopend zand b.v.), enz., enz. 
Daarbij vergeet hij niet, bij gelegenheid tevens ook te wijzen op het bijzondere, dat elk nieuw 
exemplaar, door de achtereenvolgende koningen van de me tot de xnie dynastie gebouwd, 
aankleefde of typeerde. Zo werd, naar Lauer meent, het idee dat de ziel van den overleden 
koning een ladder behoefde om op te gaan naar den hemel, idee ontleend aan één der pyra- 
miden-teksten, en in de trappenpyramide van Zoser in Sakkara tot stenen werkelijkheid ge- 


ONZE KENNIS INZAKE DE PYRAMIDEN 


27 


maakt, in de pyramide van Meydoum weer losgelaten. En wanneer de lezer na het beëindigen 
van dit hoofdstuk, dat het eerste van de vier delen besluit, waaruit het werk bestaat, het boek 
een ogenblik neerlegt, weet hij van de pyramide en haar ontwikkeling meer af, dan hij ooit 
heeft kunnen vermoeden dat er aan te pas zou komen. 

Lauer zelf vat het voorafgaande aldus beknopt samen: ,,de archeologische onder¬ 
zoekingen gedurende anderhalve eeuw, die wij zoëven opsomden, hebben onweerlegbaar aan¬ 
getoond dat de pyramide onder het Oude Rijk wezenlijk koningsgraf was en dat de architecten 
zich, geslachten lang, beijverd hebben in hen een systeem van verdediging te verwezenlijken, 
dat hoe langer hoe meer geschikt zou zijn de mummie in stand te houden van den pharao, welke 
instandhouding als een noodzakelijke voorwaarde werd beschouwd voor het voortbestaan van 
den laatste”. Elders preciseert hij nog: (p. 109) „assurer au pharaon divinisé l’inviolabilité 
de sa demeure d’éternité en même temps que la persistance de son culte funéraire, tels ont 
été les objets essentiels de la construction des pyramides royales et de leurs complexes monu- 
mentaux.”. 

Hierop schraagt nu de auteur zijn beschouwing die het essentiële van het tweede deel van 
zijn boek uitmaakt, dat tot opschrift draagt: „de pyramide — koningsgraf — en haar monu¬ 
mentaal geheel”. Voor deze beschouwing, systematisch, nauwkeurig en fundamenteel, werd 
gebruik gemaakt van het volledige ter zake dienende materiaal. Dit is een der prettigste 
ervaringen van dit boekje: het gemak waarmee de auteur de stof in al haar onderdelen be¬ 
heerst. Niets, geen detail wordt vergeten. Alles vindt in Lauers betoog zijn juiste plaats, zijn 
geëigende verhoudingen. Hier is de man aan het woord die grotendeels uit eigen ervaring 
puttend, zijn kennis afrondt tot een gaaf geheel, geadstrueerd en verlucht met een overvloed 
van tekeningen en plattegronden — vele van hem zelf afkomstig en enkele nog niet gepubli¬ 
ceerd — wier aantal men, zo mogelijk, nog uitvoeriger zou wensen. 

We staan daarmee midden in de situatie van vandaag. Het onderzoek van de pyramiden 
is nog lang niet afgesloten. En bijna met de getrouwheid van een verslag vinden we in het 
boek voor elk object afzonderlijk, den stand van zaken geregistreerd, niet slechts naar de 
archeologische feiten maar ook volgens de interpretatie daarvan. Er ontbreekt niets aan: noch 
enig onderdeel van de pyramide boven of onder den grond, noch een detail van den doden¬ 
tempel of van den tempel in het dal. Alles is ontleed tot in onderdelen en wordt — voor zoveel 
de gegevens het toelaten — verklaard naar ontwikkeling, gebruik en betekenis. 

Met het derde deel betreedt het boek een geheel nieuw terrein en hierop doelde Drioton’s 
adjectief C nécessaire 3 . We moeten hiervoor weer even terug naar Napoleon’s Expedition 
d’Egypte. Deze expeditie, wier voornaamste nut, zoals we zagen, van den enen kant is geweest 
dat ze uitgangspunt en stimulans werd van en voor steeds meer vruchtdragend modem onder¬ 
zoek, maakte van den anderen kant ook den bodem rijp voor allerlei vage en mysterieuse inter¬ 
pretaties, die een halve eeuw later vorm kregen in de werken van een John Taylor en vooral 
een Piazzi Smyth. Sinds laatstgenoemde zijn fantastische theorieën verkondigde over een in 
de maten van de Grote Pyramide ons geopenbaarde geheime kennis van de oude Egyptenaren, 
hebben de door hem uitgezaaide dwalingen voortgewoekerd op een wijze, die nauwelijks kan 
worden begrepen. Is het niet vreemd zoiets te moeten ervaren in een tijd, die getuige was 
van het systematisch en tot in de finesses doorgevoerd onderzoek van meer dan 60 pyramiden 
en de daartoe behorende bouwwerken ? Het mocht wat! Binnen de 75 jaar groeiden de adepten 
van Taylor en Smyth uit tot een klein leger — onder hun namen lezen we die van Morton 
Edgar, van D. Davidson, van Georges Barbarin, van J. Garnier, van Walfeer Wynn; 
van bekende theosophen als W. Marsham Adams, Ralston Skiller, Edouard Schuré en 
Madme H. P. Blavadski, van de astronomen Rich. A. Proctor, Duncan Macnaughton 
en Cothsworth. In Frankrijk kennen we den beroemden Abbé Th. Moreux, in Duitsland 
waren het vooral Jarolimek, Max Eyth, Hermann Reikes en G. de Manteyer. Velen 
van dezen zijn ook in ons land geen onbekenden. Hun soms bepaald ziekelijke geestes¬ 
producten verschenen en verschijnen in bijna ongelimiteerde aantallen/die hun lezers bij 
tien- ja, wellicht bij honderdduizenden tellen. 














28 


EGYPTISCHE archaeologie 


En ofschoon we sinds lang met zekerheid het doel kennen, waarvoor niet alleen de grote 
pyramide in Giza, die slechts één onder vele is, maar zonder uitzondering alle werden ge¬ 
bouwd, ofschoon we van elk der onderzochte pyramiden het bouwschema nauwkeurig kennen, 
aan de hand waarvan met bijna absolute zekerheid de chronologische volgorde van hun ont¬ 
staan kan worden afgeleid, ofschoon ook weer met absolute zekerheid op een paar uitzonde¬ 
ringen na de namen bekend zijn van hen, wier gebalsemde lijken er eens rustten — toch blijft 
de mythe rondwaren van de occulte kennis van de Egyptische priesters, van hun profetieën, 
die symbolisch in de stenen particulariteiten van alleen die éne, Grote pyramide werden vast¬ 
gelegd ! 

De Stenen spreken: hoeveel maal reeds werd een datum in het wereldgebeuren, als van 
bijzonder groot belang aangekondigd, door de gebeurtenissen gelogenstraft en prompt ver¬ 
scheen een nieuwe editie van hetzelfde boek, waarin de datum eenvoudig naar een later tijdstip 
verschoven was! En altijd weer volgen nieuwe oplagen elkander op; het is een raadsel waar¬ 
mede de psychologie zich zal moeten bezighouden. Egyptologen hebben hieromtrent maar één 
oordeel en herhaaldelijk werden in het verleden pogingen gedaan om in eenvoudige, klare 
taal de zaken recht te zetten. Ik noem U hier alleen Sir Flinders Petrie, Ludwig Borchardt, 
Gustave Jequier. 

Ook Lauer heeft nu den strijd aangebonden tegen dit euvel. Hij doet het grondig en 
systematisch en het derde deel van zijn boek is een boek op zich geworden. In het kort memo¬ 
rerend wat sinds de Oudheid over de bestemming van de pyramiden werd geschreven en 
gedacht komt de auteur tot de lichtelijk beschamende vaststelling dat behoudens enkele kleine 
afwijkingen — de mening van een Proclus in de vijfde eeuw onzer jaartelling of de middel¬ 
eeuwse legende van de graanschuren van Josef — het eigenlijk eerst de C verlichte 3 achttiende 
eeuw geweest is, die voor het eerst van het juiste inzicht, dat de pyramide een graf vormde 
en niets dan een graf, is afgeweken en daarvoor fantastische theorieën in de plaats stelde, 
strekkende om de mysteriën en geheimzinnigheden te ontsluieren, die in deze buitengewone 
monumenten zouden verborgen liggen. 

Lauer onderscheidt deze theorieën, die zich zoals we zagen vooral sinds Piazzi Smyti-i 
tot ware monsterachtigheden ontwikkelden, in mystieke en wetenschappelijke. De eerste ver¬ 
deelt hij weer onder in bijbelse en theosofische, de laatste in astronomische en mathematische. 
Stuk voor stuk laat Lauer de opkomende dwalingen de revue passeren, recht zettend wat nog 
recht gezet kan worden. Hij analyseert ze tot op den draad, altijd geestig blijvend en vaak 
met een tikje van dien fijnen humor, die naar het schijnt O.L. Heer alleen ter beschikking van 
de Fransen heeft gehouden. 

Een van de kardinale punten waar de theorie van Piazzi Smyth op steunt is de beruchte 
pyramide-inch. „Alle berekeningen van den vernuftigen astronoom berusten in feite op het 
bestaan van dezen pyramide-duim, die identiek zou zijn met een 25ste deel van de c heilige eP, 
welke, op haar beurt, gelijk was aan 25.025 Engelse duim (= 0.6356 m). Van waar: één pyra¬ 
mide-duim = 1.001 Engelse duim. Welnu, deze pyramide-duim en deze heilige el zijn pure, 
op gevoelsoverwegingen steunende verzinsels van Piazzi Smyth, die voor de uitvoering van 
een monument als de Grote Pyramide het gebruik van de eenvoudige Egyptische el van 
0.5235 m a 0.5240 rci niet kon begrijpen. Toch vinden we, vanaf de eerste dynastieën, bij alle 
Egyptische monumenten deze el terug, die hij (Piazzi Smyth) kwalificeert als een afgodische 
eenheid, die door Caïn zou zijn uitgevonden! 

Zouden verzekeringen van een dergelijke naïviteit doordrenkt, niet voldoende hebben 
moeten zijn om ieder te goeder trouw zijnd persoon voor te lichten en heel de theorie tot niets 
te reduceren’ vraagt Lauer. „Maar”, concludeert hij fijntjes, „de schriften van Piazzi Smyth, 
die het voordeel had van zijn officiëlen titel van astronoom en van zijn reputatie van geleerde, 
konden niet nalaten indruk te maken op het Engelse publiek, dit te minder waar het werken 
met ingewikkelde berekeningen en niet-meer-te-controleren cijfers den schijn suggereerden 
van een ter zake vereiste nauwkeurigheid.” (blz. 115). 


onze kennis inzake de pyramiden 


29 


Mijn artikel zou te lang worden wanneer ik den auteur op den voet ging volgen. Wie 
zich voor deze dingen te sterk interesseert moet het boek lezen en als er in zijn brein nog één 
gezond plekje over is, ik verzeker hem, hij zal zich van zijn dwaling genezen weten! 

Tensdotte bestaat Lauer’s boek nog uit een vierde deel. Men zou dit, wanneer men in 
deel drie meer een negatieve bestrijding, een soort verweer wil zien, een constructieve bijdrage 
van zeer positieve waarde kunnen noemen. Het bestaat uit drie hoofdstukken achtereenvolgens 
handelend over de technische kennis van de pyramidenbouwers, over den stand van hun 
wetenschappelijke kennis en over wat deze mensen geloofden. Dit deel, waarin ook Lauer’s 
nieuwste gezichtspunten tot uitdrukking worden gebracht zou, strikt genomen misschien een 
meer zakelijke en dieper gaande kritiek vereisen, waaraan ik mij hier liever niet wagen wil. 
In ieder geval immers zou die kritiek alleen in ondergeschikte details met de zienswijze van 
den auteur kunnen verschillen. En stellig zal de buitenstaander zich het veiligst aan de ziens¬ 
wijze van den auteur kunnen houden. 

Deze put hier bijna geheel uit gegevens en berekeningen ontleend aan zijn eigen, onge¬ 
lofelijk rijke ervaring. In hoofdstuk 1 somt hij b.v. de zeer weinige werktuigen op in steen, 
koper en hout, of de sporen van gebruikte materialen (baksteen, afkomstig van eens bestaan 
hebbende opritten) die hij vooral in Sakkara in het trappenpyramide-complex van Zoser vond 
en waaruit hij de beginselen af leest, die bij den opzet en de uitvoering van het werk werden 
toegepast. 

Belangrijk lijken mij in hoofdstuk 11 zijn meetkundige berekeningen die uiteindelijk geen 
andere conclusie toelaten dan deze, dat de Egyptenaren tijdens den langen duur van hun ge- 
geschiedenis weliswaar den weg hebben bereid voor de latere ontdekkingen van de Grieken, 
doordat zij beetje voor beetje den schat aan kennis hebben opgebouwd, waaruit deze onbetwist¬ 
baar in zeer ruime mate hebben geput, doch dat men aan den anderen kant niet kan ontkennen, 
dat het aan den wijsgerigen geest van deze laatsten te danken is dat de meetkunde zich tot 
een waarachtige wetenschap ontwikkeld heeft. 

Het laatste hoofdstuk eindelijk, dat er niet alleen den nadruk op legt dat de pyramide 
niet, zoals veelal gedachteloos wordt aangenomen, een monument is op zich, maar centrum 
van een groot geheel, dat er al evenmin om zich zelfs wil is doch deel, middelpunt uitmaakt 
van een cultus, wil ons aan de hand van de pyramideteksten een blik geven in de religieuze 
gevoelens en bespiegelingen van dien tijd en brengt als het ware een soort concordantie tot 
stand tussen deze teksten en de pyramiden, vooral die van Sakkara. Dit zal zonder twijfel een 
machtig gegeven blijken met vele nieuwe aspecten. 

Bijna gelijktijdig met het tot dusver besproken boek, maar geheel onafhankelijk daarvan, 
ontstond een ander boekje over de pyramiden, misschien een tikje minder wetenschappelijk, 
minder gedocumenteerd ook, maar buitengewoon prettig om te lezen. 

De auteur, J. E. S. Edwards, is, ook ditmaal, geen onbekende in Egypte. De meeste van 
de door hem beschreven pyramiden heeft hij persoonlijk bezocht en zijn notities heeft hij ter 
plaatse gemaakt, ofschoon hij het merendeel van zijn gegevens ontleende aan de ter zake 
verschenen wetenschappelijke publicaties. Zijn verdienste is niet alleen dat hij deze gelezen 
heeft, en goed gelezen, maar ook dat hij het wezenlijke eruit zo knap en gedegen heeft weer¬ 
gegeven. Zijn boekje heeft dan ook — en dat is geen geringe lof — naast dat van Lauer wis 
en zeker reden van bestaan. 

Ik kan het vlot geschreven boekje van Edwards hier niet op dezelfde wijze analyseren 
als ik het zijn voorganger deed; dan zou ik in herhaling vervallen en ook de voor dit artikel 
beschikbare ruimte overschrijden. Na een bondige, zeer lezenswaardige inleiding, die terecht 
een definitie van de Egyptische religie en het Egyptische geloof aan het menselijke voortbestaan 
in het hiernamaals tot onderwerp en uitgangspunt heeft, schetst de auteur ons in een zestal 
hoofdstukjes de ontwikkeling van het oorspronkelijke Egyptische graf bij uitstek, de mastaba, 
dan den sprong naar de trappenpyramide, den overgang naar de werkelijke pyramide, de Giza- 
groep, de pyramiden van de ve en vie dynastieën en die van latere tijden. Gezonde denkbeelden 






30 


EGYPTISCHE ARCHAEOLOG 1 E 


die ten dele met die van Lauer overeenkomen, bevat vooral ook het laatste hoofdstukje 
Construction and purpose. 

De vele duidelijke en goed gereproduceerde tekeningen verhogen de waarde van het boekje 
aanzienlijk. De bij gevoegde chronologische lijst van de c voornaamste pyramiden van het Oude- 
en het Middenrijk 0 — al gedeeltelijk door de ontdekkingen in Dahchour achterhaald —, een 
vrij uitvoerig literatuuroverzicht en een index dragen tot de practische bruikbaarheid het 
hunne bij. 

Na deze twee boeken van algemenen aard zal, denk ik, de aandacht wel zijn gewonnen voor 
het werk van Lauer, waarin ons zoveel bijzonderheden worden gegeven over de geschiedenis 
van de opgravingen van de trappenpyramide van Koning Zoser. 

Jean-Philippe Lauer, La Pyramide d de gres. Tomé m, Compléments. vu, 

77 pp., 24 pis, dont i en couleurs. Gr. in-4 0 . Le Caire, Imprimerie de lTnstitut 
Francais d’Archéologie Oriëntale, 1939. 

zie platen iii-vi, Fig. 3 

In Jaarbericht n° 5, blz. 313/4 besprak ik, nu ongeveer elf jaar geleden, de eerste twee 
delen van het hierboven aangekondigde boek. Mijn bespreking wilde destijds niet alleen recht 
laten wedervaren aan het ongetwijfeld belangrijke verslag van den auteur, maar ook de aan¬ 
dacht vestigen op de meer dan gewone betekenis van het werk zelf der opgraving van Zoser’s 
grafcomplex in Sakkara, die in de voorafgaande jaren onder verschillende leiders had plaats 
gevonden en waarvoor, ook te onzent, de belangstelling in die dagen nog groeiende was. 

Jean-Philippe Lauer was de laatste van een drietal bekwame mannen aan wie, sinds 1925, 
de leiding van het gigantische werk was toevertrouwd. Dat werk, men weet het, was toen nog 
niet afgesloten. Hij heeft het naderhand voortgezet. 

Het is waar, Lauer heeft meer gedaan: hij heeft een deel van de ontgraven monumenten, 
voor zoveel het materiaal ervoor aanwezig was of met zekerheid kon worden aangevuld, 
weer opgericht. Maar dat is een taak apart — en welk een taak! — die in dit deel, dat niet 
anders wil dan het verslag van de eigenlijke opgravingen completeren en afmaken, niet uit¬ 
voerig kon worden meegedeeld. 

Naarmate de restauratie- en reconstructiewerken vorderen — het tempo kan uiteraard 
niet anders dan zeer langzaam zijn — zal men de resultaten elders besproken en verantwoord 
vinden. 

Op het ogenblik dat de delen 1 en 11 werden afgedrukt moest met name nog een aantal 
ongeveer dertig meter lange gangen op een diepte van 28 m onder den grond worden onder¬ 
zocht, resp. geledigd. Deze gangen liggen, elf in getal, naast elkaar onder de oostelijke helft 
van het metselwerk van de trappenpyramide. Vijf ervan waren reeds eerder onderzocht; ze 
hadden als begraafplaatsen gediend voor leden van de koninklijke familie. Zes gangen echter 
waren in 1933 nog ongeopend; ja, ten dele werden ze eerst nadien ontdekt (vgl. Fig. 3: i-xi). 

In het 'hier besproken derde en laatste deel van zijn werk, dat te onzent eerst na den 
oorlog bekend werd, beschrijft Lauer deze gangen, of galerijen, zoals hij ze noemt, en détail. 
Hij noteert de verschillende bijzonderheden die hij tegenkwam en vooral de wijze waarop de 
nooit eerder geziene massa’s stenen vaatwerk die hij vond in de gangen vi en vu, die er tot 
den nok toe mee bleken gevuld, waren opgestapeld (vgl. plaat v), zowel als de vulling met 
aarde van andere gangen, al naar de mate en den gang van zaken, letterlijk zoals hij alles bij 
de opgraving vond. Op de platen, die het werk verluchten, vindt men de reproducties van ter 
plaatse bij de opening genomen foto’s en van verduidelijkende tekeningen. Ook enige van de 
voornaamste typen van de gevonden stenen kruiken en schalen worden door Lauer gepu¬ 
bliceerd, alsmede enkele belangrijke inscripties, in het bijzonder een aantal gegraveerde konings- 
namen — het is alles slechts een kleine selectie, bijeengebracht op vier belangrijke platen in 
het boek (vgl. o.a. onze platen v en vi). Van de inscripties zowel als van de kruiken en 


onze kennis inzake de pyramiden 


3i 


schalen komen speciale catalogi met een wetenschappelijke beschrijving, die waarschijnlijk 
jaren zal vergen. 

Aan de korte beschrijving van de nieuw-ontdekte galerijen en de opsomming van hun 
inhoud werden enkele paragraphen toegevoegd, die vroegere publicaties van Lauer comple¬ 
teren of wijzigen. Ten slotte bevat het boek een antwoord op verschillende kritieken en ge¬ 
geven suggesties. 

Levendig beschrijft Lauer in het eerste gedeelte van dit boek hoe hij in Mei 1933 op het 
einde van het seizoen, nadat het werk in de vijfde galerij (de laatste van de tot dusverre be¬ 
kende) geëindigd was en op het punt stond te worden verlaten, ontdekte dat er uit den zuide¬ 
lijken wand van de galerij juist boven een tweetal kort te voren ontdekte grafzerken, 
scherven van vaatwerk staken. Dat was bij het uiterste einde van gang v (de laatste naar men 
toen meende) ; de wand was ter plaatse van zeer slechte rots en sterk afgebladderd. Bij den 
aan vang van het nieuwe seizoen in November was het eerste werk dezen wand te reinigen en 
af te krabben op de plaats waar de potscherven naar buiten puilden, ten einde te weten te 
komen waar deze scherven vandaan kwamen. Er bleek toen al heel gauw dat de wand daar 
slechts ongeveer 30 cm dik was en dat zich daarachter een hele stapel scherven uitstrekte; 
misschien een dépot, waarvan de toegang tot dan toe onbekend was gebleven. Waarschijnlijker 
nog was er een nieuwe galerij aangeboord, die vermoedelijk wel parallel aan de overige zou 
lopen. Ten einde hieromtrent zekerheid te krijgen werd een eind meer naar het beginpunt toe, 
ongeveer halverwege vanuit de vijfde galerij, een zijgang in zuidelijke richting gegraven en, 
jawel, na drie en een halve meter stiet men op de verwachte nieuwe galerij, die tot stomme 
verbazing van alle aanwezigen tot den nok toe gevuld was met vaatwerk van allerlei vorm en 
afmeting. Stapels schalen en borden vooral van albast en hardsteen, kriskras door elkaar 
geworpen en opeengestapeld van den bodem tot het plafond, dat, doordat het in den loop der 
tijden was ingestort, alles meer of minder gebroken en verbrijzeld had. 

Welk buitengewoon toeval was er verantwoordelijk voor dat deze enorme reserve aan 
vaatwerk bad kunnen ontsnappen aan de aandacht en de naspeuringen van de vele grafrovers, 
die al in de oudheid naar het scheen, de hele pyramide van onder tot boven hadden door¬ 
zocht? Lauer, die zich deze vraag stelt, meent dat Zoser’s graf het doelwit is geweest van 
achtereenvolgens op z’n minst twee berovingen, waarvan de eerste zich alleen tot de gangen, 
door hem 1 t/m iv genoemd — graven van familieleden van den koning zoals we zagen — 
zou hebben uitgestrekt. Eerst veel later, toen men al begonnen was de bekledingsblokken van 
de pyramide weg te halen, werd ook de put, die uitmondde in de vijfde galerij, ontdekt en 
stellig ook kort daarna gevisiteerd. 

De zes volgende galerijen echter (vi t/m xi), waarvan de putten, resp. de ingangen be¬ 
graven liggen onder den bovenbouw van de vergrote mastaba (vgl. Fig. 3), die aan den bouw 
van de eigenlijke trappenpyramide voorafging (vgl. JEOL 5, blz. 313), bleven tot nu toe 
onontdekt. Dit feit zou mede te danken zijn aan de omstandigheid dat de scherven, die Lauer 
in 1933 opmerkte omdat ze door den wand staken, in den tijd dat deze gang (v) door de graf¬ 
rovers geledigd werd, nog niet uitpuilden. 

Nu herbergden deze laatstelijk ontdekte galerijen (vi-xi) helaas geen begrafenis en 
bevatten ook nimmer enig ander graf mobilair dan het gevonden stenen vaatwerk. (Men zou 
zich kunnen afvragen of wellicht in deze omstandigheid niet de reden kan worden gezocht 
waarom de grafrovers uit de oudheid, die, wat weten we nu onder de hand wel, steeds 
drommels goed op de hoogte zijn geweest van wat er in die onderaardse graven en gang- 
systemen te koop was, deze c galerijen° evenals de hieronder te noemen daarop volgende, maar 
eenvoudig links lieten liggen? Schatten of wat in hun ogen daarvoor doorging, bevatten ze 
immers toch niet? A.). 

Archeologisch gesproken vertegenwoordigt het gevonden vaatwerk zowel kwantitatief als 
kwalitatief buitengewoon grote waarde en rijkdom. Naar schatting is het materiaal gevonden 
van 30.000 a 40.000 stuks. Verschillende honderden stuks zijn intact of zo goed als, terwijl 
binnen enkele jaren meer dan 5000 stuks konden worden gereconstrueerd. Vele van de 






ONZE KENNIS INZAKE DE PYRAMIDEN 


33 


gevonden vazen en schalen zijn opmerkelijk om hun vormenschoonheid of hun vormstof, 
andere om de perfectie van hun uitvoering, de nieuwheid of de originaliteit van hun type, 
zoals b.v. de op plaat vi, i en 2 afgebeelde hebsed-v aas. 

In philologisch en pateeologisch opzicht is van belang een mooie collectie inscripties — 
in cursief hiëroglyphenschrift met inkt geschreven, ,c een aanloop naar het latere hiëratisch 0 , 
dat op talrijke vazen voorkomt. De inscripties behoren deels tot de derde, maar voor het 
grootste deel tot de eerste en tweede dynastieën. Ze vormen verreweg de belangrijkste groep 
uit deze vroege periode, die ooit gevonden werd. Ook historisch zullen sommige van deze 
inscripties ongetwijfeld kostbare documenten vormen voor de studie van de sociale en admi¬ 
nistratieve organisatie van die archaïsche periode. Ten slotte vindt men er vele namen en titels 
van koningen onder, sommige zijn echte c koningslijsten D . Wat op deze wijze onder de trappen- 
pyramide gevonden werd, vormt het merendeel der namen van alle koningen van de beide 
eerste dynastieën (vgl. plaat vi, i t/m 9). 

In een volgend hoofdstuk beschrijft de auteur meer in detail het verloop van de ontdekking 
van de galerijen vi t/m xi en het systematisch opnemen en bergen van het gevonden vaatwerk. 
Het werk zelf moet hoogtepunten van opwinding hebben gekend. Hoe bv. nauwelijks in gang 
vi doorgedrongen, de bodem slechts een laag rotsgrond blijkt van 30 a 50 cm dik, waaronder 
een nieuwe, eveneens met vaatwerk volgepropte galerij zichtbaar wordt (vu). Beide gangen 
waren over een deel van hun verloop juist onder elkander gelegen, terwijl, dit bleek weer enkele 
dagen later, ook de wand aan de zuidzijde van de boven elkander liggende galerijen, onmid¬ 
dellijk grensde aan nog een derde galerij (vin). 

Een sarcofaag echter werd, zoals reeds gezegd, niet meer gevonden, noch in galerij vi, 
noch in de later ontdekte gangen. De massa vaatwerk was zo groot dat speciale maatregelen 
moesten worden genomen (vgl. plaat iv). Voor de berging en het voorlopig bewaren werden 
kleine kistjes van wit hout ontworpen, 30 X 60 X 20 cm groot, waarin telkens een hoeveel¬ 
heid bij elkander gevonden scherven werden neergelegd. Stukken afkomstig van een en de¬ 
zelfde gebroken vaas of schaal werden eerst netjes bij elkaar in papier gepakt. Voor het 
maken der kistjes werden twee schrijnwerkers aan den arbeid gezet. Verder moest er een 
magazijn worden gebouwd met afdelingen, waarin in de volgorde van plaats en tijd de kistjes 
dag na dag konden worden gerangschikt. Dit magazijn bleek met 900 kistjes aan het einde 
van zijn capaciteit te zijn, waardoor het noodzakelijk werd een tweede magazijn, ditmaal voor 
1200 kistjes, te bouwen. Wanneer men echter leest dat de lediging van galerij vi over een 
afstand van ongeveer 5 m, 500 kistjes met scherven opleverde, zal men begrijpen dat spoedig 
een derde magazijn, ditmaal nog groter, later zelfs nog een vierde, nodig waren (vgl. plaat 
iii). De afmetingen van de galerij waren ± 1.50 m breed en ± 1.40 m hoog bij een lengte 
van 30 m. Per dag werden 30 a 40 kistjes boven gebracht. 

Wat den tijdsduur aangaat waarover de exploratie van de gangen vi en vu zich uit¬ 
strekte: het duurde tot midden 1936 eer galerij vu geheel ledig was. Aan de andere (vi) moest 
nog in December van dat jaar worden gewerkt! De volgende gangen vin t/m xi, die in den 
loop van 1934 en '35 werden gevonden, bleken, zoals we zagen, zo goed als geheel met zuivere 
aarde gevuld. Het is een gruwelijk werk geweest deze aardmassa, waarin slechts heel weinig 
dingen van waarde werden aangetroffen, te verwijderen, resp. te verplaatsen en men kan 
zich indenken dat, toen op Kerstavond 1936 de meer dan drie jaar eerder aangevangen taak 
voorgoed was beëindigd, niet slechts de leiding maar ook de werkers zich opgelucht hebben 
gevoeld. 

Lauer beschrijft hierna allerlei typen van vazen, enz. door hem gevonden — verschillende 
geheel nieuw. Ik kan hierop nu niet ingaan (vgl. plaat vi) ; wel nog even dit: reeds in het 
jaar 1933, tijdens de lediging van gang vi, waren vermoedens gerezen dat althans sommige 
van de vazen in gebroken staat in deze galerij zouden zijn gebracht, maar zekerheid hierom¬ 
trent kon niet worden verkregen. (Het vermoeden is naderhand bewaarheid, gelijk men weet.) 

Bij een terugblik komt Lauer ten slotte tot deze tweeledige conclusie, i° dat de gehele 
aanleg van het bouwcomplex rond de trappenpyramide voor rekening van Zoser komt en 
niet door een van diens voorgangers werd begonnen (zoals o.a. vroeger door Borchardt 





















































































34 


EGYPTISCHE ARCHAEOLOGIE 


en Capart wel is beweerd) en 2° dat het gevonden vaatwerk vermoedelijk is geput uit 
reserves door voorgangers van Zoser aangelegd of anders uit diverse tempels en heiligdommen. 
De massa moest vermoedelijk in overeenstemming zijn met de grootheid van het bouwwerk. 

Het tweede gedeelte van het boek bevat een viertal aanhangsels, met aanvullingen en 
verbeteringen van in de delen i en 11 voorgestelde reconstructies. Tot de belangrijkste behoren 
de nieuwe fagade-tekeningen van de Maisons du Sud et du Nord, die elk een venster kregen, 
dat in beide gevallen den ^Serdab 3 met de buitenwereld in verbinding brengt. Verder is 
er een interessante correctie op de wijze van afsluiting van de granieten grafkamer van het 
graf onder den zuidelijken ringmuur. Met de reeds genoemde contra-kritiek en een minutieuse 
beschrijving der platen sluit het werk. 

Utrecht, 31 Dec. 1949 Henri Asselberghs 


WERKELIJKHEID EN UITDRUKKINGSMIDDEL 
IN DE OUDOOSTERSE KUNST 


Noch de Oudoosterse tekenaar, noch de Oudoosterse beeldhouwer tracht een onmiddel- 
lijken indruk van de werkelijkheid weer te geven. Een kunstenaar, gezeten voor zijn natuurlijk 
voorbeeld, daarnaar van zijn werk telkens opkijkend om vervolgens den zojuist ontvangen 
indruk vast te leggen, is voor het Oude Oosten ondenkbaar. Integendeel — het is daar het 
uitdrukkingsmiddel , dat het kunstwerk beheerst. Het uitdrukkingsmiddel van den tekenaar 
wordt gevormd door het vlak. De tastbare twee dimensies daarvan bepalen bepalen de wijze 
waarop de kunstenaar tekent. Hij geeft de werkelijkheid in samenhang met het vlak weer. 
Het resultaat is een a-perspectivisch beeld of — zoals het reeds lang in de kunstwereld ge¬ 
noemd wordt — een „tweedimensionale weergave” x ). 

Bij het vervaardigen van een statue gaat het net zo. 

Het lichaam, zowel van mens als dier, dat het onderwerp van den beeldhouwer vormt, is 
organisch. Het bestaat uit een passief deel — het skelet — dat door de activiteit der spieren, 
die het bekleden, in beweging wordt gebracht. Deze bewegingen worden vanuit één centrum 
geregeerd en de verplaatsing van het ene lichaamsdeel heeft verandering van vorm en stand 
van andere lichaamsdelen ten gevolge. Deze organische samenhang van het lichaam vormt — 
voor zover het om het formele (d.w.z. het blootvormelijke) gaat — het uitganspunt van den 
Europesen beeldhouwer en ligt zowel ten grondslag aan een beeld van Lysippos, als van 
Michel Angelo of van een modern meester als b.v. Auguste Rodin 1 2 ). 

Het uitdrukkingsmiddel van den beeldhouwer daarentegen — het materiaal dus waarvan 
het beeld gemaakt is — vormt een onwrikbare, homogene en anorganische massa. Deze ge¬ 
steldheid ligt ten grondslag aan de gestalte van de Oudoosterse statue. De kop van een 
Egyptisch beeld b.v. is een massieve kei, die van buitenaf gemodeleerd is. De Griekse beeld¬ 
houwer van het klassieke tijdvak daarentegen, vat — zoals Valentin Muller terecht opmerkt 
— het hoofd op als bestaand uit een benen kern met daarom heen een laag van week en soepel 
vlees: „Wat de conceptie betreft, is dit een constructie van binnen naar buiten, terwijl de 
techniek van het beeldhouwen van buiten naar binnen voert” 3 ). 

De anorganische formule van de statue is ook toegepast op de Oude Vooraziatische sculp- 


1 ) W. van Os, Irrationele Tekenkunst (avec 
résumé en francais). Binnenkort te Antwerpen te 
verschij nen. 

2 ) Deze alinea vrij naar Gerhard Krahmer, Figur 
und Rauni in der agyptischen und griechisch-archai- 
schen Kunst. Halle (Saaie), 1931, p. 7. 

3 ) Valentin Muller, Progress and Reaction in 


Ancient Egyptian Art. Studies in Oriental Archaeol- 
ogy IV. Journal of the American Oriental Society, 
Vol. 63, n° 2, April-June 1943, p. 146. 

Valentin Muller (f 1945) was gedurende de laat¬ 
ste 14 jaren van zijn leven c Associate Professor of 
Classical Archaeology 0 bij het Bryn Mawr College 
in Pennsylvania. 


WERKELIJKHEID EN UITDRUKKINGSMIDDEL IN DE OUDOOSTERSE KUNST 


35 


tuur. Bij de Mesopotamische beelden bv. is het lichaam evenmin organisch van binnenuit 
opgebouwd, maar vormen skelet, spieren en kledingstukken met elkaar tezamen één enkele 
compacte massa 4 ). Ten slotte huldigt ook de Griekse sculptuur van vóór de Perzische oorlogen 
de anorganische opvatting 5 ). 

Het is niet twijfelachtig of de anorganische conceptie ligt ten grondslag aan alles wat de 
Oudoosterse sculptuur heeft voortgebracht, terwijl ook zeker is, dat de organische formule 
van de Grieken der 5de eeuw v. Chr. afkomstig is. Anorganisch opgevat zijn dus ook de 
Egyptische rondplastieken, die niet aan de z.g. frontaliteitswet gehoorzamen en waarbij dus 
hoofd, hals en romp tezamen géén symmetrisch geheel vormen (1-5 van Fig. 4 tonen hiervan 
enkele voorbeelden). Deze inbreuken op de frontaliteitswet zijn volgens Valentin Müller 
een gevolg van de eisen van het motief. De Grieken van het klassieke tijdvak passen op de 
gewone staande figuur den heupstand toe (Fig. 4, 6). In dezen stand rust het lichaam op één 



Fig. 4. 


1. n. Hedwig Fechheimer, Kleinplastik der Aegypter, 151A. — 2. n. Paul Richer, Nouvelle anatomie 
artistique IV, fig. 242). — 3. Als fig. 1, maar dan: 146 A. 4. — Als fig. 1 maar dan: 36. — 5. n. Jean Capart, 
Documents pour servir d Vétude de l’art êgyptien I, pl. 42 C. — 6. n. Julius Lange, Darstellung des 
Menschen in der alter en griechischen Kunst, fig. 71. 

been {Standbein) , terwijl het andere ( Spielbein ), dat sterk gebogen is, slechts dient om het 
evenwicht te bewaren. De schouder boven het Spielbein ligt hoger dan die boven het Stand¬ 
bein, De heup van het Spielbein daarentegen, ligt lager dan die van het Standbein (zie de 
stippellijnen in Fig. 4, 6). Dit is iets wat, zoals Muller verder opmerkt, by Egyptische rond¬ 
plastieken niet voorkomt. Bij deze liggen heup en schouder van denzelfden kant beide of 
hoger of lager 6 ). 

Opgemerkt zij nog, dat — daar ook een organisch beeld „frontaal” kan zijn — deze term 
die van Julius Lange afkomstig is, ons in geen enkel opzicht inlicht omtrent het wezen der 
Oudoosterse sculptuur. 

Wij willen ons betoog in de volgende stelling samenvatten. 


4 ) Valentin Muller, Frühe Plastik in Griechen- 
land und Vdrderasien. Augsburg 1929. Hfdst. V: 
Die mesopotamische Kunst mit Einschluss der ela- 
mischen, p. 102, 


5 ) Valentin Muller, Archaïsche Plastik bis 211 
den Perserkriegen. Bilderhefte zur Kunst- und Kul- 
turgeschichte des Altertums IV. Bielefeld und Leip- 
zig, '1927, p. sv. 

6 ) Als noot 3. 









36 


EGYPTISCHE ARCHAEOLOGIE 


Terwijl wij het uitdrukkingsmiddel opofferen aan de werkelijkheid (door diepte te 
maken op een vlak b.v.), offert de Oudoosterse kunstenaar — omgekeerd — de werkelijk¬ 
heid op aan het uitdrukkingsmiddel. 

Leiden, Januari 1949 W. van Os 


RÉSUMÉ 

Ni le dessinateur ni le sculpteur de 1 ’Orient ancien n’ont tenté de rendre une impression directe de la 

réalité. Au contraire — ce qui lëmporte dans leurs créations, c’est le moyen d’expression. Le moyen par 

lequel s’exprime le dessinateur est constitué par le plan. Par conséquent c’est la référence au plan qui 
régit son dessin et il en résulte une image „a-perspective” ou, comme on le dénomme depuis longtemps déja 
dans le monde de 1’art: le dessin a deux dimensions. 

II en va de même pour la ronde bosse. 

Le corps — aussi bien celui de l’homme que celui de 1’animal — qui constitué le sujet du sculpteur, 

est une masse organique. Son support est le squelette, élément passif, mis en branie par Tactivité des muscles 

qui le revêtent. Celle-ci est dirigée d’un centre unique. Le mouvement d’une partie du corps entraine celui 
des autres. 

D’autre part, le moyen par lequel le sculpteur s’exprime — c’est-a-dire la matière dont la statue 
est faite — constitué une masse immuable, homogène et inorganique. Tel est le cas de la ronde bosse 
de 1 ’Orient ancien. La tête d’une statue égyptienne par exemple a été conque comme un caillou massif qui 
a regu son modelé du dehors. Par contre — comme le constate a juste titre 1 ’archéologue M. Valentin 
Muller — pour les sculpteurs grecs de 1 ’époque classique la tête possède avant tout une structure osseuse 
interne recouverte d’une couche de chair molle et flexible: „En ce qui concerne la conception, c’est une 
construction du dedans, quoique la technique procédé du dehors.” 

La formule de la ronde bosse inorganique a été égaiement appliquée a la statuaire de 1 ’Asie occidentale 
ancienne et a celle des Grec's antérieure aux guerres médiques. Ici non plus — comme 1 ’affirme encore M. 
Valentin MüLl(er — la figure n’a pas été construite organiquement du dedans; le corps en chair et en os 
avec les vêtements forment une seule masse homogène. 

La formule inorganique est a la base de toute ronde bosse de 1 ’Orient ancien, tandis que 1 ’autre, 

1 ’organique, est une invention grecque. Par conséquent, ont aussi été concues inorganiquement toutes les 

rondes bosses égyptiennes qui n’obéissent pas a la loi de frontalité, c’est-a-dire dont la tête, le cou et le 
torse ne constituent pas entre eux un tout symétrique. D’après M. Muller ces infractions a la loi de 

Lange sont dues aux exigences du motif. Les Grecs de 1 ’époque classique ont représenté la figure debout 

au repos dans une station hanchée. Cette station n’existe pas dans la statuaire égyptienne. 

these. Notre art plie le moyen d’expression a la réalité (par exemple en donnant de la profondeur a 
une sur face). Inversément, 1 ’artiste de 1 ’Orient ancien sacrifie la réalité au moyen d’expression dont il dispose. 


HELLAS EN DE AZIATISCH-EGYPTISCHE KUNST 


A. W. Byvanck, De Kunst der Oudheid. Tweede deel. 565 blz. Met 
465 afbeeldingen op 120 platen en 141 figuren in den tekst. 
Leiden, E. J. Brill, 1949. 

Tn 1945 verscheen zooals bekend het eerste deel van een groot werk over de Kunst der 
Oudheid van de hand van prof. Dr A. W. Byvanck 1 ). Hoezeer dit deel door het Neder- 
landsche publiek werd gewaardeerd bleek uit een tweede druk welke reeds in 1947 noodig 
is geweest. Waarschijnlijk moet dit succes, behalve aan de uitstekende behandeling der stof, 
mede aan een ruime belangstelling voor de kunst van het oude Oosten, die in deel 1 wordt 
behandeld, worden toegeschreven. Zij die belangstellen in de kunst der gansche Oudheid 
zullen zich verheugen, dat thans deel 11 (waarvoor de tekst reeds in het najaar van 1945 
gereed is geweest) 2 ) is verschenen. Byvanck behandelt in dit deel de kunst van Europa 
en Azië buiten de oude cultuurlanden die in deel 1 zijn besproken en wel over een tijdruimte 
zich uitstrekkend van het Neolithicum tot ca. 500 v. Chr. Hoofdzakelijk is dit deel echter 
gewijd aan de Kretisch-Mykeensche en de Grieksche kunst tot den aanvang der Perzische 
oorlogen. Dit hoofdbestanddeel wordt voorafgegaan door een hoofdstuk (1) over het Neoli¬ 
thicum, terwijl het wordt gevolgd door een hoofdstuk (vie en laatste) c Europa en Azië 0 . 
Onder dezen, hier weinig sprekenden titel, worden o.m. de kunst van Italië (Bronstijd en 
vroegen Ijzertijd), westelijk en midden Europa {idem) en de kunst van het Perzische Rijk 
behandeld. 

De kunst van het oude Oosten, waaraan deel 1 was gewijd, is voor de Grieksche kunst 
niet zonder beteekenis geweest. Byvanck verzuimt dan ook niet den invloed welken zij 
hierop heeft uitgeoefend, aan te wijzen. In de zevende eeuw v. Chr. ontstond onder invloed 
van Oostersche ornamenten een oriëntaliseerende richting in de vazenkunst. Ook in de 
plastiek wordt deze richting waargenomen. Een ivoren beeldje (Afb. 140, t.o.p. 164), in 
Athene gevonden, vertoont groote verwantschap met een ivoren beeldje uit Megiddo (Afb. 
141, ibid.). De aanvang der groote Grieksche beeldhouwkunst stond onder Egyptischen 
invloed. De Kleobis in Delphi (Afb. 160, t.o.p. 180) toont dezen invloed duidelijk (181). Het 
beeld „mist ... de geweldige kracht van de Egyptische sculpturen. De laatste worden even¬ 
wel verre door den Kleobis overtroffen door het leven, dat er uit straalt” (181). Invloed der 
Assyrische en Phoenicische kunst spreekt uit reliëfs op bronzen schilden (laatste kwart 8e 
eeuw v. Chr.) welke in een grot op den Ida op Kreta zijn gevonden (Afb. 150, t-o.p. 172). 
Het ^Eolische kapiteel, hetwelk als een voorlooper van het Ionische wordt beschouwd, stamt 
van Egyptische en Voor-Aziatische voorbeelden (202). 

Byvanck wijst er verder op, dat de Oostersche motieven in Griekenland reeds spoedig 
in eigen geest werden verwerkt (186). Nog vóór het einde der zevende eeuw zijn de vreemde 
elementen volkomen geassimileerd ( ibid .). Behalve aan invloed van Oostersche motieven 
moet echter ook worden gedacht aan de stimulans welke van het oude Oosten vooral voor 
de bouwkunst kan zijn uitgegaan. Reeds de Mykeensche bouwkunst kan door Egypte zijn 
gestimuleerd. Terecht wordt door Byvanck de „behoefte om te imponeeren, een der meest 
sprekende kenmerken van den Mykeenschen stijl” genoemd (98). Karo wees er reeds op, 
dat de machtige burchtmuren dezer periode in geen verhouding staan tot de toen in gebruik 
zijnde aanvalswapenen 3 ). Het mag m.i. waarschijnlijk worden geacht, dat de gedachte impo- 
neerende bouwscheppingen op te richten is ontleend aan Egypte, waarmede Mykene zooals 

1 ) Zie de bespreking door van Proosdij in JEOL *) Archaol. Am. 1922, 137. Het verlangen naar het 

10, p. 369-371. grootsche, overweldigende, is hier van beteekenis ge- 

2 ) „Ook dit deel is nagenoeg geheel een product weest, meent ook Karo (ibid). 

van den oorlog” (p. xi). » - 1 * ' -7= 








3 » 


HELLAS EN DE AZIATISCH-EGYPTISCHE KUNST 

bekend in verbinding heeft gestaan 4 ). De groote bouwwerkzaamheid der tyrannen in de 
zesde eeuw v. Chr. kan eveneens door de machtige Egyptische bouwscheppingen zijn gestimu¬ 
leerd 5 ). Aan invloed van Egypte mag ook worden gedacht bij de oudste toepassing van 
natuursteen in den Griekschen tempelbouw. 

De auteur heeft de gelukkige gedachte gehad de gebruikelijke volgorde waarin de 
verschillende kunstuitingen van Griekenland worden behandeld: bouwkunst, beeldhouw¬ 
kunst, vazenkunst, prijs te geven voor de omgekeerde: vazenkunst, beeldhouwkunst, bouw T - 
kunst. Opmerkelijk is het ontbreken der numismatiek, waarvan toch Griekenland c le vrai 
créateur 3 is geweest 6 ). Ook met het oog op de groote beteekenis welke Byvanck aan de 
dateering toekent mag het ontbreken der numismatiek opvallend worden genoemd. ,,Er zijn 
geen monumenten der Oudheid die in zulk een ononderbroken rij vervolgd kunnen worden 
en over welker herkomst we zoo zeker onderricht zijn als de munten” (Baumeister, Denk¬ 
maler des klassischen Altertums 11, 1887, 934). 

Ofschoon de volgorde: vazenkunst, beeldhouwkunst, bouwkunst, werd gekozen met het 
oog op de dateering, die bij de beeldhouwkunst aan de hand der vaasschilderingen kan worden 
vastgesteld, moet zij ook zakelijk geheel verantwoord worden geacht. In de ontwikkeling der 
kunst ging de schilderkunst (die in Griekenland de vazenkunst heeft beïnvloed) steeds aan 
het hoofd. Zij werd gevolgd door de plastiek en eerst later door de bouwkunst. Het mag 
waarschijnlijk worden genoemd, dat de vroege beeldhouwkunst in Griekenland, sterker dan 
door Byvanck wordt betoond, door de vaasschilderingen, c.q. de schilderkunst, werd beïn¬ 
vloed. Hiervoor spreekt de rijke Teekenachtige 3 behandeling der plooien van het gewaad. Het 
mag verder eveneens waarschijnlijk worden genoemd, dat de veredeling van de detailvormen 
der bouwkunst mede onder invloed der vazenkunst en der plastiek tot stand is gekomen 7 ). 
Tn het wezen van den stoeren Dorischen tempel lag deze veredeling althans niet. 

De behandeling der Kretisch-Mykeensche en Grieksche kunst door Byvanck mag voor¬ 
treffelijk worden genoemd (vgl. ook zijn artikel De beteekenis der Oud-Kretenzische Kunst , 
Jrb. 5, 373 vlg.). Het overzicht der archaische periode der Grieksche kunst (700-525 v. 
Chr.) berust, zooals de auteur zelf aangeeft (XII) voor een zeer belangrijk deel op de door 
Mevr. Byvanck-Quarles van Ufford verrichte onderzoekingen over de chronologie van 
die periode. Het is onmogelijk in dit artikel een indruk te geven van de ontwikkeling der 
vazenkunst, beeldhouwkunst en bouwkunst zooals zij door Byvanck aan de hand van vele 
fraaie afbeeldingen aanschouwelijk wordt geteekend. De behandeling der bouwkunst is be¬ 
knopt, maar de hoofdzaken worden vermeld. Terecht wordt erop gewezen, dat de oudste 
Dorische tempels, in tegenstelling met de gangbare opvatting, geen zwaar, gedrukt, doch 
een slank, licht, karakter hebben vertoond (197). De oudste tempels hadden geen peristylos 
van steenen kolommen, doch van houten posten 8 ). De opmerking, dat in de Homerische 
gedichten geen tempels worden vermeld (187), moet zeker als een Gedachtnisfehler worden 
aangemerkt 9 ). 

Opvallend is de uitvoerige behandeling der vazenkunst. Voor het eerst wordt hier in een 
Nederlandsch werk de Grieksche vazenkunst als een ontwikkeling van het Grieksche artistieke 

wer, meende, dat de Grieksche architecten de ko¬ 
lommen, basementen, kapiteelen, architraven en 
soortgelijke bouwkundige details aan de schilder¬ 
kunst hadden ontleend (Borinski, Die Antike in 
Poetik und Kunsttheorie 1, 1914, 158-59). Deze ex¬ 
treme opvatting over den invloed der schilderkunst 
op de bouwkunst moet uiteraard verworpen worden. 

8 ) De oorspronkelijke galerij van houten posten 
wordt door Byvanck in verband gebracht met be¬ 
scherming der (kleisteenen) muren tegen het he¬ 
melwater. Zeker zullen echter van den aanvang 
ook bouwkunstige motieven werkzaam zijn geweest. 

9 ) Ilias vr, 88 : vyjóv ’AÖTjvabjs yXauxcómSoc; ev 
7 toXI Zie ook Perrot-Chipiez vii, 1898, 108. 


4 ) Over Egyptische objecten in Mykene gevonden 
zie Pendlebury, Aegyptiaca, 1930, 53 vv. Vgl. Glotz, 
La civilisation êgéenne, 1923, 246 over contact My- 
kene-Egypte. 

5 ) Vgl. Perrot-Chipiez, Histoire de Lart dans 
l'antiquité vin, 1903, 707. Deze bouwwerkzaamheid 
wordt overigens wel terecht door verschillende 
schrijvers in verband gebracht met een prestige- 
politiek (WilLamowitz-Moellendorff, Aristoteles 
und Athen 11, 1893, 71; Beloch, Griechische Ge - 
schichte 1, 1, 1924, 356). 

6 ) Perrot-Chipiez ix, 1911, 150. 

7 ) De beroemde Italiaansche bouwmeester Al- 
berti (15e eeuw), zelf tevens schilder en beeldhou- 





HELLAS EN DE AZIATISCH-EGYPTISCHE KUNST 


39 


vermogen voor oogen gesteld 10 ). Boeiend is deze ontwikkeling vooral als de vaasschilders 
(sedert de zesde eeuw v. Chr.) niet langer anoniem zijn. Klitias de schilder en Ergotimos de 
pottenbakker der Fran^.ois-vaas, de vazenschilders Douris, Brygos, om slechts deze te noemen, 
verdienen bekendheid naast de grootmeesters der Grieksche plastiek en bouwkunst. Pierson 
heeft er destijds op gewezen, dat de Grieksche vazen in onze musea al te weinig belangstelling 
hebben gevonden loa ). Het werk van Byvanck toont aan, indien dit nog noodig mocht wor¬ 
den geacht, hoezeer de Grieksche vazenkunst onze belangstelling verdient. Ook de ontwikke¬ 
ling der Kretenzische vazenkunst wordt door Byvanck aanschouwelijk geteekend. Een uit¬ 
eenzetting over het stijlverschil tusschen de Grieksche en Kretenzische vazen had in de 
slotbeschouwing (waarin zonder innerlijke noodzaak de oude volgorde: bouwkunst, beeld¬ 
houwkunst, vazenkunst voorkomt) verwacht mogen worden 14 ). Een uitvoerige beschouwing 
over het wezen der Grieksche kunst in vergelijking met de kunst van het oude Oosten zou 
eveneens welkom zijn geweest. Men mag verwachten, dat de slotbeschouwing in deel III ons 
hierover nader zal inlichten. Er moge echter op worden gewezen, dat een klassicistisch 
getinte beschouwing 12 ) nimmer tot een juist inzicht in de kunst van het oude Oosten voeren 
kan. In dit verband is de uitvoerige behandeling der Grieksche kunst in vergelijking met die 
van het oude Oosten, in het werk van Byvanck reeds opvallend. Men wordt herinnerd aan 
Perrot-Chipiez, die zelf hun monumentale Histoire de Vart dans l’antiquité een histoire de 
I’art grèc hebben genoemd 13 )- Deze opvatting, dat een geschiedenis van de kunst der Oudheid 
een geschiedenis is der Grieksche kunst, waarbij de kunst van het oude Oosten slechts inlei¬ 
dend behoeft te worden besproken, zal heden slechts door weinigen worden onderschreven. 
De Egyptische kunst, om slechts deze te noemen, maakt aanspraak op een volkomen gelijk¬ 
waardige behandeling met de kunst van Hellas 14 ). Het kan bovendien nauwelijks worden 
betwijfeld, dat in onzen tijd velen door de meesterwerken der Egyptische kunst sterker 
worden geboeid dan door de beste werken uit Hellas’ bloeitijd. Door het Nabootsend 3 
karakter der Grieksche kunst blijft de klassieke schoonheid immer aan de aarde gekluisterd. 
De Egyptische kunstenaar, die het kunstwerk boven het tijdelijke plaatst, verheft de schoon¬ 
heid in de sfeer van het Eeuwige. Niet het opgaan in de aardsche schoonheid, hoe subliem 
ook uitgebeeld, schijnt thans het verlangen van de geestelijke elite, maar de overgave aan het 
bovenzinnelijke. De Egyptische kunst komt door haar Eeuwigheids-karakter aan dit verlangen 
tegemoet 15 ). 

Het ligt voor de hand, dat bij een boek met een rijken inhoud als deel II over detail¬ 
punten verschil van meening kan bestaan. Een uitvoerige bespreking hiervan valt evenwel 
buiten het kader van dit Jaarbericht. De groote plaats welke in deel 11 aan de vazenkunst 
wordt toebedeeld is vermoedelijk oorzaak, dat bij de bespreking der Bandeeramische cultuur- 
provincie uitsluitend het aardewerk en niet de sieraden in beschouwing worden genomen 
(27 v.). Bij de bespreking van de schatten uit Troje 11 had op het verband met de Bandce- 
ramische cultuur-provincie gewezen mogen worden (47). Eveneens bij de bespreking van 
de schatten uit de schachtgraven van Mykene (108). Dat de ornamentiek der Bande eramische 
cultuur-provincie haar ontstaan dankt aan invloed van Mykene (464; eerst hier wordt op een 
verband gewezen) mag in verband met den invloed der Donau-cultuur op Troje 1 en 11 zeer 


10 ) Een uitstekende discriptieve behandeling der 
Grieksche vazenkunst werd reeds vroeger geleverd 
door C. W. Lunsingh Scheurleer ( Grieksche Ce¬ 
ramiek, Rotterdam, 1936). 

loa ) Hellas ii: 1913, 193. 

X1 ) Een uitstekende analyse gaf Valentin Mul¬ 
ler in Prdh. Zeitschrift 19, 1928, 307-339. 

12 ) Een voorbeeld hiervan geeft boven vermeld 
oordeel over de Egyptische sculpturen in vergelij¬ 
king met den Kleobis. Zie ook Byvancks oordeel 
over de Etruskische kunst (459). 


13 ) vi, 1894, 18. 

14 ) In deel 1 (p. 6) stelt ook Byvanck de Egyp¬ 
tische kunst op één lijn met de Grieksche. 

15 ) Dit beteekent uiteraard niet, dat de Egypti¬ 
sche kunst uit hetzelfde verlangen is voortgekomen. 
Er is geen sprake van een geestelijke verwantschap. 
Slechts in de kunstvormen ligt een verbindende 
schakel. Wellicht wordt de grootheid der Egypti¬ 
sche kunst juist hierdoor geopenbaard, dat zij uit¬ 
drukking zijn kan van zeer uiteenloopende wereld¬ 
beschouwingen. 











40 


HELLAS EN DE AZIATISCH-EGYPTISCHE KUNST 


onwaarschijnlijk worden genoemd. Hiertegen spreekt immers ook, dat het Europeesche element 
in de Mykeensche kunst door den Kretenzischen invloed geheel wordt verdrongen 16 ). 

Door de vondsten van Troje i is het thans duidelijk geworden, aldus Byvanck, dat het 
megaron geenszins, zooals men vroeger dacht, uit midden Europa stamt (45). Blijkbaar is 
het in de cultuur van de landen aan de Aegeïsche zee van oudsher inheemsch geweest ( ibid .). 
Daar de cultuur van Troje 11 door de Bandceramische cultuur-provincie werd beïnvloed en 
Troje 11, zooals Byvanck ook zelf aangeeft (46) zonder onderbreking bij Troje 1 aansluit, 
wordt de oude opvatting door het in Troje 1 aan het licht gekomen megaron geenszins 
onhoudbaar. Van meer beteekenis is echter (waarop de auteur had mogen wijzen), dat in 
Jericho een megaron uit de Neolithische periode aan het licht is gekomen 17 ). Het vertoont 
groote overeenkomst met de megara uit Thessalië. In welk cultuurgebied de open voorhal 
(het kenmerk van het megaron ) is ontstaan, kan nog niet worden vastgesteld. 

Opvallend is Byvancks oordeel over de polychromie van den Griekschen tempel. Hij 
meent, dat het ons waarschijnlijk moeite zou hebben gekost er bewondering voor te hebben 
(308). Perrot heeft er echter reeds op gewezen, dat in Griekenland door het rijke zonlicht 
de slagschaduwen onvoldoende zijn om de detail vormen der gebouwen duidelijk af te tee- 
kenen. Door de polychromie, die bovendien de ware dimensies van het gebouw beter doet 
uitkomen, wordt dit bezwaar opgeheven 18 ). Dat de Grieken bij de toepassing der polychro¬ 
mie hun artistiek gevoel niet hebben verloochend blijkt uit de beroemde Korai in het museum 
op de Acropolis 19 ). 

Met het schrijven van De Kunst der Oudheid heeft Byvanck het Nederlandsche publiek 
zeer aan zich verplicht. Daar het werk in den oorlog werd aangevangen wordt men herinnerd 
aan de uitspraak van Herakleitos: de oorlog is de Vader van alle dingen 20 ). Volgens Gom- 
perz is de zin hiervan o.m. deze, dat door den oorlog de bekwamen en onbekwamen worden 
gescheiden 21 ). De Kunst der Oudheid draagt inderdaad het signatuur van een bekwaam 
archeoloog en kunsthistoricus die de begaafdheid bezit ons in het bijzonder de schoonheid 
der Grieksche kunst te doen doorleven. 

Den Haag, October 1949 Th. A. Busink 


16 ) Vgl. Rodenwaldt, Archdol. Anz. 1920, 15. 

17 ) Garstang, The story oj Jericho, 1948, 59 v. 
en Fig. 5, p. 59. 

1S ) Histoire de Vort dans l’antiquitê vi, 1894, 46- 
47. Zie ook dezelfde vin, 1903, 229 vv. 


19 ) Fraaie afbeelding bij Perrot-Chipiez viii, 
1903, PI. IV, t.o.p. 218. 

20 ) 7tóXs[jloi; 7TavTtov [jtiv 7rar/)p ècm, 7ravrcov 
paaiXeuq, Aristoteles, Ethic. Nic. ix, 9. 

21 ) Griechische Denker 1, 1922, 60. 


PALESTIJNSE PHÏLOLOGIE 


DE IN 1947 IN DE WOESTIJN VAN JUDA GEVONDEN OUDE 
HANDSCHRIFTEN IN HET KADER VAN GELIJKTIJDIGE 
SCHRIFTELIJKE DOCUMENTEN 


PLATEN VII-XVIII (afb. I-29) 


I — De geschiedenis van de ontdekking, en de 
materiële gegevens 

II — De paleographische gegevens en ouderdom 

III — Orthographie, morphologie en ouderdom 

IV — De afzonderlijke rollen 
A — Isaias-rol 

B — Habakkuk en Commentaar 


C — Het c Sectarisch Geschrift 0 
D — De strijd van de c Zonen des lichts 0 tegen 
de c Zonen der duisternis 0 
E — Hymnen 

F — Verdere rollen en fragmenten 
V — Verhouding tot het Damascus-fragment 
VI — Bibliographie 


I — DE GESCHIEDENIS VAN DE ONTDEKKING EN DE MATERIELE GEGEVENS 


De opzienbarende vondst van handschriften in de woestijn van Juda ligt al drie jaar achter 
ons en van de meeste originele stukken zijn nog slechts fragmenten gepubliceerd. Gezien de 
aard en de bijzondere omstandigheden der vondst kan men hiervan aan hen op wie de taak 
der uitgave rust geen verwijten maken, maar wel maakt dit feit het aan de schrijver van 
een artikel als dit vrijwel onmogelijk aan de lezer een oorspronkelijke studie aan te bieden. 
Alles wat tot dusver van verschillende zijden over de tekst der rollen is gepubliceerd moet als 
provisorisch of minstens als fragmentarisch worden beschouwd, zolang de oorspronkelijke 
teksten niet in hun geheel, en liefst in facsimile, zijn gepubliceerd. Dit artikel bedoelt een 
overzicht te geven van wat tot dusver bekend is. [Zie aanvullende noot op p. 67]. 

De geschiedenis van de ontdekking is het uitvoerigst beschreven door Mar Athanasios 
Y. Samuel, Syrisch-Orthodox (= Jacobietisch) bisschop te Jerusalem, in een artikel The 
Purchase of the Jerusalem Scrolls in The Biblical Archaeologist van Mei 1949. Bedoeïnen 
van de Ta c amireh-stam hebben in het voorjaar van 1947 de rollen ontdekt in een grot 12 km 
ten Zuiden van Jericho, ten NW van de Dode Zee (plaat vii, Afb. 1 en 2). De grot ligt 
bij een plaats Ain Fasha genaamd, op twee km afstand van de oever der Dode Zee en minder 
dan een km ten Noorden van Chirbet Qumran. Zij is niets anders dan een natuurlijke uit¬ 
holling in de rots, 8 m lang en nergens meer dan 2 m breed, waar men oorspronkelijk slechts 
door een nauwe opening kon binnenkomen; een tweede (onderste) opening is de laatste 
tijd door clandestiene onderzoekers verbreed 1 ). 

In de grot vonden de Bedoeïnen een aantal potten waarin handschriften waren opge¬ 
borgen (plaat viii, Afb- 3 en 4). Verschillende dezer potten moeten nog heel zijn geweest, 
de meeste andere waren echter in duizend scherven gebroken; de inhoud, bestaande uit oude 
handschriften, was er in veel gevallen al niet beter aan toe. Naar uit latere onderzoekingen 
is gebleken, moeten er oorspronkelijk minstens 51 potten met inhoud hebben gestaan 2 ); 
zij zijn alle afkomstig uit het Hellenistisch tijdvak en behoren volgens p. R. de Vaux zonder 
enige twijfel tot de tweede eeuw v. Chr., of hoogstens tot het begin van de eerste, zijn echter 
volgens hem in géén geval jonger 3 ). 

De gevonden resten hebben aangetoond dat het aardewerk tot twee typen heeft behoord: 
kruiken, =i= 60 cm lang en =h 25 a 28 cm breed, met platte bodem en een soort lage kommen, 


2 ) Cf. R. de Vaux, O.P. in Revue Biblique lvi, 
1949, p. 234 en 586. 

2 ) Oorspronkelijk kon men slechts de aanwezigheid 
van meer dan 30 potten vaststellen (de Vaux in 
Revue Biblique LVI, 1949, p. 236), later van ± 40 
(de Vaux in Vie Intellectuelle 1949, p. 586) en ten 

Jaarbericht No. 11 


slotte van minstens 49 deksels (de Vaux in Revue 
Biblique 1949, p. 591) ; daar Prof. Sukenik ook twee 
potten + deksels in zijn bezit heeft (zie foto Volks¬ 
krant 4.2.1950) en elke pot zijn deksel had, komt men 
tot (een minimum van) 51 potten. 

3 ) RB 1949, p. 234 en 587. 


4 









42 


PALESTIJNSE PHILOLOGIE ! DE ROLLEN 


of deksels in de vorm van kommen, die op de hals der kruiken pasten en ze afsloten 4 ). De 
kruiken hebben gediend tot bergplaats der handschriften en indien deze alle de vorm en 
gemiddelde omvang hebben gehad van de rollen die gevonden zijn, kunnen er in elke kruik 
drie a vijf zijn geweest. 

Het gebruik handschriften op deze wijze in kruiken te bewaren is bekend, al waren er in 
Palestina nog geen voorbeelden van gevonden. De in Egypte, 50 km Noordelijk van Loeksor 
pas ontdekte Koptische gnostieke codices uit de vierde eeuw schijnen alle uit een grote aarden 
pot te zijn gekomen 5 ). Volgens een straks te vermelden mededeling van Origenes zijn in 
217 a.d. handschriften in potten gevonden in de omgeving van Jericho. 

Het materiaal waaruit de handschriften zijn vervaardigd, is leer dat soms veel weg heeft 
van perkament; ook zijn stukjes papyrus gevonden 6 ). Volgens Trever zijn de straks te 
bespreken Isaiasrol en het C sectarische 3 8 document van een soort perkament, de Habakkukrol 
echter van c diep goudbruin leer 3 7 ). De Vaux spreekt ten opzichte van de fragmenten die hij 
in de grot van Ain Fasha heeft gevonden slechts van leer en papyrus, terwijl ook Sukenik 
uitdrukkelijk spreekt van c leer 3 8 ). Het schrijven van litteraire teksten op speciaal daarvoor 
geprepareerde dierenhuiden was al bekend aan Herodotus (Hist. v: 58) ; het perkament is 
alleen maar een speciale, zeer fijne en dunne soort dierenhuid en zou in het begin van de 
tweede eeuw v. Chr. het eerst zijn vervaardigd te Pergamon. Men heeft echter te Dura 
Europos teksten op perkament gevonden die uit het allereerste begin der tweede eeuw v. Chr. 
afkomstig zijn, zodat het voor de hand ligt dat dit reeds in de derde eeuw, of nog vroeger, be¬ 
kend was. Door de huiden aan elkaar te naaien, ontstonden dan de rollen (plaat ix, Afb. 6). 

De taal der tot dusver gepubliceerde fragmenten is het Hebreeuws, terwijl ook Aramese 
en zelfs Griekse stukjes zijn gevonden. Men heeft zich ook af gevraagd met welke bedoeling 
al deze documenten indertijd in de grot bij Ain Fasha zijn opgeborgen. Sukenik heeft ge¬ 
dacht dat de grot een soort genizdh is geweest, d.w.z. een bergplaats voor vergane en ook voor 
ketterse handschriften, die men aan het gebruik had onttrokken, maar niet wilde vernietigen, 
omdat zij de naam van God bevatten. De meest vermaarde genizdh is die van Fustat bij Cairo, 
waaruit o.a. grote stukken van de Hebreeuwse tekst van het boek Ecclesiasticus en een groot 
aantal andere Hebreeuwse en Aramese tekstfragmenten te voorschijn zijn gekomen, bestu¬ 
deerd o.a. door P. Kahle. Daar men in de grot bij Ain Fasha echter complete en zeer gave 
handschriften heeft gevonden die blijkbaar met zorg waren opgeborgen, ligt het niet voor de 
hand dat zij als genizdh heeft gediend. Eerder is zij bedoeld geweest als een soort geheime 
bergplaats, waar men een bibliotheek heeft opgeborgen die men niet in handen van onbe¬ 
voegden wilde laten vallen. Gezien de inhoud van sommige rollen heeft de verzameling ver¬ 
moedelijk toebehoord aan leden van een of andere broederschap of secte, niet aan gewone 
belijders van de orthodoxe godsdienst; daarom zou men kunnen veronderstellen dat de be¬ 
zitters hun boeken in tijd van vervolging of oorlog naar Ain Fasha hebben gebracht om ze 
daar voorlopig in veiligheid te stellen, en dat zij door het verloop der omstandigheden niet 
meer in staat zijn geweest deze weer weg te halen. 

De tot dusver gevonden volledige rollen waren alle in linnen doeken gewikkeld (plaat 
viii, Afb. 5), waarvan men oorspronkelijk heeft gedacht dat zij gedrenkt waren in pek of 


4 ) RB 1949, p. 589 en Harding in Palestine Post ; 
afbeeldingen in lllustrated London News van 1 Oct. 
1949, p. 495; RB 1949, pl. XIV en XV. In de Volks¬ 
krant van 4.2.1950 komt een foto voor van de twee 
potten + deksels in het bezit van Prof. Sukenik; 
een der twee potten is meer dan een vierde lager 
dan de andere en heeft kleine oren; op het deksel 
ervan is géén handvat te zien. Alle potten waren dus 
niet even groot; de Vaux had de aanwezigheid van 
4 kleine oortjes aan twee potten vastgesteld (RB 
1949, p. 589). 

5 ) Cf. Vigiliae Christianae III, 1940, p. 150; voor 
andere voorbeelden zie RB 1949, P- 591-592. 


6 ) RB 1949. p. 235; zie vooral p. 597. 

7 ) Cf. Trever, BASOR iii, Oct. 1948, p. 4, 9, 13. 
Trever zegt in een noot op blz. 4 dat het moeilijk is 
de leersoorten waarop de teksten zijn geschreven te 
classificeren; de Isaiasrol is van het fijnste materiaal 
vervaardigd, van ietwat ruw perkament, of geprepa¬ 
reerde huid „approaching the refinement of parch- 
ment” (tekst, p. 4). 

8 ) Vgl. zijn Megillót Genüzöt, Jerusalem 1948, 

p. 11. Voor leer, resp. perkament als schrijfmateriaal 

bij de Joden cf. S. Krauss, Talmudische Archaolo- 

gie II, p. 263. Perkament schijnt gesplitst leer te zijn 

geweest van zeer fijne soort. 


I — DE GESCHIEDENIS VAN DE ONTDEKKING 


43 


asfalt. Later is dit weer in twijfel getrokken, daar de zwarte substantie die de rollen bedekt 
heeft en de buitenste windingen aan elkaar heeft doen kleven, volgens de Britse Dr H. J. 
Plenderleith niets anders is dan vergaan leder (mededeling van W. F. Albright in 
BASOR 115 [Oct. 1949], p. 14). Sommige rollen heeft men maanden, zelfs jaren na de 
ontdekking nog niet (geheel) kunnen of durven openen, daar de buitenste windingen geheel 
aan elkaar kleefden; ook zijn in de grot zelf fragmenten gevonden, nog geheel met zwarte 
substantie bedekt. Bovendien hebben, naar Trever's opvatting, wormen hun werk gedaan en 
van sommige documenten, o.a. van het C sectarische°, stukken weggevreten 9 ). 

De onderzoekingen van p. de Vaux in het voorjaar van 1949 hebben aangetoond dat aan 
de bergplaats bij Ain Fasha al rond het jaar 200 a.d. een bezoek is gebracht door lieden die 
waarschijnlijk een deel van de inhoud hebben meegenomen, dat is dus rond 17,5 eeuw vóór 
de Ta c amireh Bedoeïnen het restant hebben weggehaald. Aangezien het tot dusver bekend 
geworden aantal rollen en fragmenten slechts een geringe fractie is van de ± 200 die er 
vroeger kunnen geweest zijn, heeft men natuurlijk verondersteld dat de vroegere bezoekers 
het grootste deel van de inhoud der grot voor hun rekening hebben genomen. Zij hebben dan 
om een of andere onverklaarbare reden een rest, waaronder zulke prachtige handschriften 
als sommige der pas ontdekte, laten staan. Epiphanius van Salamis nu deelt in zijn werk 
De Ponderibus et Mensuris mede, dat in het laatste jaar van keizer Caracalla (217 a.d.) te 
Jericho de z.g. Quinta Editio van het Griekse Oude Testament (zo genoemd door Origenes 
en bekend uit zijn Hexapla , resp. Octapla) in een vat is gevonden, samen met andere 
Hebreeuwse en Griekse boeken 10 ) ; de z.g. Sexta Editio werd volgens hem op soortgelijke 
wijze gevonden te Nicopolis bij Actium. Volgens Eusebius en een tekst van Origenes 
zelf is echter de Sexta uit Jericho, de Quinta uit Nicopolis afkomstig 11 ) ; hierbij sluiten zich 
de moderne auteurs aan 12 ). De kwestie is van belang daar wordt beweerd dat de Sexta 
Christelijke inslag had, hetgeen reden zou zijn om er aan te twijfelen dat zij uit de grot bij Ain 
Fasha -te voorschijn is gekomen. Hiëronymus haalt er uit een tekst aan die evident Christelijk 
karakter draagt 13 ). De grot bij Ain Fasha heeft echter — alles wijst daar op — als depót 
gediend voor een zuiver Joodse secte. Het zou dus de moeite waard zijn wanneer de problemen 
die met vindplaats en inhoud der Quinta en Sexta samenhangen, tot klaarheid konden worden 
gebracht. Zou het blijken, dat de teksten van Origenes niet uit de grot bij Ain Fasha af¬ 
komstig kunnen zijn, dan zou het bewijs zijn geleverd dat deze laatste niet de enige berg¬ 
plaats van oude boekrollen is geweest, en dat er dus nog andere zouden kunnen worden ontdekt. 

In de Theologische Literaturzeitung van Juli 1949 maakt O. Eissfeldt er opmerkzaam 
op dat de nestoriaanse Catholicos van Seleucië Timotheos I (gewijd 780, f 823) in een brief 
aan Sergios, metropoliet van Elam, verhaalt dat c tien jaar geleden 3 (de brief is niet gedateerd) 
Joden in de nabijheid van Jericho Hebreeuwse boeken hadden gevonden in een c rotshuis 3 , 
waarin een hond toevallig verdwaald was. Er waren boeken van het O.T. bij en andere, o.a. 
meer dan 200 c Psalmen van David 3 . Voor de tekst van de brief zie Oriens Christianus I, 1901, 
p. 300-313. Wij citeren in vertaling het voornaamste deel ervan. 

[Or. Chr. I, p. 304] ... Wij hebben vernomen van geloofwaardige Joden die onlangs in de Christelijke 
leer zijn onderricht, dat tien jaar geleden in de nabijheid van Jericho boeken zijn gevonden in een huis in 
de rots. Zij zeggen dat de hond van een Arabier die op jacht was, achter een dier aan een grot in ging 
en er niet meer uit kwam. Zijn heer ging hem achterna en vond in de rots een huisje met vele boeken. De 
jager ging nu naar Jerusalem en vertelde het aan de Joden. Velen trokken er toen op uit en vonden boeken 


9 ) BASOR in, Oct. 1948, p. 11. 

10 ) Migne, P. Gr. xLin, col. 268; 377. 

1:L ) Hist. Eccl. vi, 26; Migne, P. Gr. xx, col. 556. 

12 ) Cf. o.a. J. Goettsberger, Einleitung in das 
Alte Testament , Freiburg i. B., 1928, p. 436; Höpfl- 
Gut, Introductio Gener. in S. Script ., Romae 1940, 
p. 296. Vergelijk ook E. Nestle, Zu dem Bericht des 
Origenes über seine 5. und 6. Bibelübersetzung, 
ZAW xxvi, 1906, p. 168; E. Schwartz, Zur Ge - 
schicht e der Hexapla, Nachrichten von der kÖnig- 


lichen Gesellschaft der Wissenschaften zu Göttingen, 
phil.-hist. KI., 1903, p. 693-700. De tekst van Origenes 
is te vinden bij G. Mercati, D’alcuni frammenti 
esaplari sulla Va e Vla edizione greca della Bibbia, 
in Studi e Testi V, Roma, 1901, p. 28-46; men ver¬ 
gelijke ook P. Kahle, The Cairo Genizah (= The 
Schweich Lectures of the British Academy 1941), 
London, 1947, p. 160-162. 

13 ) Comment. in Habacuc, Lib. II cap 3, Migne P. 
Lat. xxv, col. 1326. 





44 


PALESTIJNSE RHILOLÖGlE: DE ROLLEN 


van het Oude Testament en andere in Hebreeuws schrift. En omdat hij die het me vertelde het schrift 
kende en zelf een schriftgeleerde was, ondervroeg ik hem over sommige teksten die in ons Nieuwe Testament 
als uit het Oude worden aangehaald, maar die in dat Oude Testament nergens voorkomen, noch bij ons 
Christenen, noch bij de Joden. Hij zeide mij : [p. 306] Zij zijn te vinden in de boeken die daar zijn gevonden. 
En toen ik dit had gehoord van die katechumeen en toen ik ook nog anderen had ondervraagd en telkens 
zonder onderscheid hetzelfde had bevonden, schreef ik daarover aan de edele Gabriël alsmede aan Sjoevcha- 
lemaran metropoliet van Damascus, dat zij naar deze boeken onderzoek zouden doen om na te gaan of 
er ergens bij de profeten deze tekst staat: Hij zal iN'azareeër worden genoemd (Mt. 2, 23). 

De catholicos vermeldt dan nog andere teksten waarnaar hij had gevraagd en deelt mede 
dat de Hebreeër hem had gezegd dat men in de boeken meer dan 200 Psalmen van David 
had gevonden! Van Gabriël en Sjoevchalemaran had hij geen antwoord ontvangen, hetgeen 
hem zeer verdroot. — Blijkbaar hadden de Joodse katechumenen op echt oriëntaalse manier aan 
de patriarch die antwoorden gegeven die zij wisten dat hij gaarne had, maar die Gabriël en de 
bisschop van Damascus onmogelijk waar konden maken gezien het specifiek christelijk karakter 
van zijn Oudtestamentische 0 citaten. Aldus verklaard is er in deze hele geschiedenis niets dat 
a priori onwaarschijnlijk hoeft te lijken. Het voorval heeft vermoedelijk niet lang vóór 800 
plaats gehad. 

Van verschillende zijden zijn over de geschiedenis der jongste vondst mededelingen 
gedaan. In zijn te Jerusalem nog in 1948 verschenen Hebreeuwse werk Megillöt Genüzöt, een 
boek dat niet alleen en misschien zelfs niet op de eerste plaats voor de beoefenaars der weten¬ 
schap is geschreven, deelt prof. E. Sukenik mede, dat hij voor het eerst van de ontdekking 
heeft gehoord tegen het einde van de maand November 1947 14 ). Het staat vast dat de in 
het klooster van Mar Markos te Jerusalem residerende Syrische bisschop A. Y. Samuel er 
reeds veel eerder bericht van had gekregen, en wel, volgens zijn eigen mededeling, in de Goede 
Week van hetzelfde jaar (voor de Syriërs 5-12 April 1947) 15 ). De Bedoeïnen van de Ta c amireh- 
stam waren namelijk met hun vondst naar Bethlehem gegaan, waar zij in contact waren ge¬ 
komen met een sjech der Mohammedaanse moskee en een handelaar in antiquiteiten. Deze 
laatste man was een Syriër van de Jacobietische gemeente en via of hem of door hem werd 
de bisschop dier gemeente te Jerusalem gewaarschuwd. 

Het kloostertje van Mar Markos (= de evangelist Marcus) in het oude gedeelte van 
Jerusalem, waar de bisschop resideert, is van zeer oude datum en heeft een aardig kerkje 
waarvan de Syriërs beweren dat het op de plaats staat waar eens het huis is geweest van 
de evangelist en waarin ook het Laatste Avondmaal zou zijn gehouden. Een niet lang geleden 
in het kerkje ontdekte Syrische inscriptie bevestigt deze vermoedelijk geheel apocriefe over¬ 
levering 16 ). Het is bekend om zijn handschriften, vooral Syrische, waarvan door A. Baumstark 
een cataloog is gepubliceerd. De belangstelling van de bisschop voor oude boekrollen is alleen al 
om deze reden begrijpelijk. Hij liet de drie Bedoeïnen die de vondst in de woestijn hadden ge¬ 
daan bij zich komen, maar vanwege hun woest en onbeschaafd uiterlijk en omdat zij geen 
Syrische handschriften te koop aanboden, werden zij door de secretaris van de bisschop (die 
blijkbaar niet op de hoogte was gebracht) afgewezen. Zij gingen heen en ontmoetten niet 
ver af op het plein bij de Jaffapoort een Joodse handelaar, die hun wel veel geld aanbood 
maar tegen wie zij door een Syrisch antiquiteitenhandelaar werden gewaarschuwd. Volgens de 
bestaande Palestijnse wetgeving was het immers ongeoorloofd zich een antiquiteitenvondst 
zonder meer toe te eigenen, te verkopen, het land uit te voeren, enz. ; in zulke zaken moest 
eerst de overheid worden gekend die gewoonlijk het beste deel voor zich nam. De Syriër 
suggereerde nu de Bedoeïnen dat de Joodse handelaar, op wiens bureau zij het hun beloofde 
geld moesten afhalen, wel eens de autoriteiten zou kunnen waarschuwen, zodat dan én geld 
én rollen voor hen verloren zou gaan, als nog geen ergere dingen gebeurden. Van het drie¬ 
tal lieten er zich twee intimideren, een derde niet. Men verdeelde toen de buit; de twee mannen 


14 ) Megillöt Genüzöt, p. 10. 

15 ) The Bibl. Archaeol., 1949, p. 26. 

16 ) De tekst luidt, in vertaling: „Dit is het huis 
van Maria, de moeder van Johannes die Marcus 
wordt genoemd. Het werd door de apostelen tot kerk 


geproclameerd ten name van de moeder Gods Maria 
nadat onze Heer Jesus Christus ten hemel was op¬ 
geklommen. En het werd opnieuw gebouwd na de 
verwoesting van Jerusalem door keizer Titus, in het 
jaar onzes Heren 73”. 







I - DE GESCHIEDENIS VAN DE ONTDEKKING 


45 


gaven hun aandeel in bewaring aan de Syriër, de derde ging er mee heen en heeft het later 
verkocht, zodat het in het bezit is gekomen van het museum der Hebreeuwse universiteit te 
Jerusalem. De Syrische bisschop slaagde er twee weken later in al het overige aan te kopen. 

Daar men aan de bisschop had verteld waar de schat vandaan kwam, was hij er, naar 
hij zegt, van overtuigd dat de handschriften ongeveer 2000 jaar oud moesten zijn; sinds het 
begin der Christelijke jaartelling, zo redeneerde hij, hadden er immers geen mensen gewoond 
in de streek van Ain Fasha, aan de oever van de Dode Zee! 17 ). Het argument was niet erg 
deugdelijk, maar in ieder geval trachtte Mar A. Y. Samuel mensen te vinden die zijn opvatting 
deelden en die de belangrijkheid der vondst aan het licht zouden kunnen brengen. Zijn be¬ 
moeiingen in deze richting bleven echter lange tijd vruchteloos, o.a. doordat hij te geheimzinnig 
te werk ging, oorspronkelijk niet wilde vertellen waar de rollen vandaan kwamen en jegens 
Europese geleerden die belang stellen in handschriften het — niet geheel onbegrijpelijke — 
wantrouwen aan de dag legde dat veel Oosterlingen met hem delen. Maar al te vaak hebben 
Westerlingen zich in het verleden op minder fraaie wijze, of tegen veel te geringe prijzen, 
meester gemaakt van kostbare oude handschriften; dit heeft tot gevolg dat veel half-intellec- 
tuele Oosterlingen nu in elk oud handschrift dat zij bezitten een grote schat zien die zij 
zorgvuldig bewaken en beschermen. Mar Samuel ontbood en ontving bij zich o.a. de schrijver 
van dit artikel 18 ), een Syrisch beambte van het Rockefeller museum en bibliotheek en twee 
experts van de bibliotheek der Hebreeuwse universiteit, naar hem toe gezonden door be¬ 
middeling van Dr Magnes, de toenmalige president der universiteit. Niemand wilde geloven 
dat de handschriften zo oud waren als de bisschop zei. Van 5-26 September bezocht Mar 
Samuel zijn patriarch te Homs (het oude Emesa) in Syrië. Deze man, een intellectueel en 
goed kenner van het Arabisch en het Syrisch maar niet van het Hebreeuws, kon evenmin over¬ 
tuigd raken van de hoge ouderdom der rollen, maar hij ried zijn onderdaan aan zich in 
verbinding stellen met een hoogleraar aan de Amerikaanse (Methodistische) universiteit te 
Beyrouth. Deze laatste was echter met vacantie. 

Ondertussen zocht de Syrische antiquiteitenhandelaar Kiraz contact met Prof. Sukenik 
en wist de bisschop te bewegen hem de grootste rol, die later is gebleken die van Isaïas te zijn, 
voor een dag af te staan om haar aan Prof. Sukenik te tonen* Kiraz hield zich echter niet 
aan zijn gegeven woord en stond de rol voor twee dagen af aan Sukenik, die van de gelegen¬ 
heid gebruik heeft gemaakt een aantal hoofdstukken te copiëren en later uit te geven in zijn 
Megillöt Genüzöt, verschenen in November 1948. De toestanden die toen reeds in Jeru¬ 
salem heersten maakten het contact tussen de beide bevolkingsgroepen der stad, de Joden 
en de Arabieren, zeer moeilijk, zodat er geen verder contact is geweest tussen Sukenik en de 
Syriërs van Mar Markos. 

Op 18 April 1948 wendden deze laatsten zich tot d z American School of Oriental Research 


17 ) Bibl. Arch. xii (1949), p. 26. 

18 ) Daar mijn naam in Amerikaanse publicaties 
herhaalde malen is genoemd in verband met de vondst 
der rollen en Mar Samuel in Bibl. Arch. xii (1949), 
p. 28 mijn bezoek aan hem beschrijft bij welke ge¬ 
legenheid mij de rollen zijn getoond, wil ik hierover 
een enkel woord vermelden. Ik kende de bisschop 
van Markos van vroegere bezoeken; daarom liet hij 
mij eind Juli 1947 (en niet in Augustus, zoals hij zelf 
schrijft) roepen om mijn oordeel te vernemen. Ik heb 
de rollen toen gezien en al heel spoedig de grootste 
geïdentificeerd als een Isaïas-synagogerol, terwijl ik 
in een andere teksten uit een der kleine profeten her¬ 
kende. Ik heb de rollen hoogstens enkele minuten 
bekeken, hetgeen iets anders is dan het „carefully 
examined” waar de bisschop van spreekt. Deze ver¬ 
telde mij bij die gelegenheid slechts, dat de rollen 
in potten waren gevonden, niet echter waar en onder 
welke omstandigheden. Hij wilde ze mij niet mee¬ 


geven naar de Ecole Biblique, noch zich op mijn voor¬ 
stel in verbinding stellen met de Hebr. Universiteit 
of de Schocken bibliotheek. Ook wilde hij niet ver¬ 
klaren hoe hij wist dat ze 2000 jaar oud waren. 
Slechts beloofde hij een of meer exemplaren der 
potten (die niet in zijn bezit waren) naar de Ecole 
te sturen. Deze zijn echter nooit gekomen, daar zij, 
zoals later is gebleken, door Sukenik zijn aange¬ 
kocht. Omdat ik in de enkele ogenblikken dat ik de 
teksten heb gezien deze niet aanstonds paleografisch 
kon classificeren kwam de hele geschiedenis mij bij¬ 
zonder verdacht voor en dacht ik met middeleeuwse 
teksten te doen te hebben. Op de Ecole werd ik in 
mijn twijfel versterkt, en ik besloot de zaak te laten 
rusten tot wij de ouderdom van het aardewerk had¬ 
den kunnen vaststellen. Dit kwam echter nimmer en 
zo heb ik, helaas ten onrechte, gemeend aan de zaak 
verder geen aandacht te moeten schenken. 






46 


PALESTIJNSE PHILOLOGIE ! DE ROLLEN 


te Jerusalem, waar de jeugdige Dr J. C. Trever op dat moment plaatsvervangend directeur 
was. Deze ontving de secretaris van de bisschop, aboena Sowmy en vroeg hem de volgende 
dag met de rollen terug te komen. Dit geschiedde, Dr Trever pakte de zaak aanstonds met 
enthousiasme aan en het gevolg was dat men al heel spoedig meende de bisschop gelijk te 
kunnen geven wat zijn datering betrof. Advies werd gevraagd aan Prof. W. F. Albright 
in de U.S.A., die in een enthousiaste brief Dr Trever en de zijnen gelukwenste met wat hij 
noemde „the greatest manuscript discovery of modern times!” 19 ). De eerste uitvoerige mede¬ 
delingen verschenen in het September-nummer van het Amerikaanse tijdschrift The Biblical 
Archaeologist, van de hand van J. C. Trever en van die van Millar Burrows 20 ). 

Ondertussen had ook Prof. Sukenik niet stil gezeten. In een luxueuse uitgave gaf hij 
in het Hebreeuws een soort preliminair rapport uit over de vondst, waarin een groot aantal 
prachtige fotografieën is opgenomen en ook enkele brokstukken tekst wereldkundig zijn 
gemaakt. Hieronder bevinden zich voornamelijk stukken der teksten die hij in eigen bezit 
of beheer had, maar ook Isaïas 42 en 43 volgens de tekst der rol die in het bezit was van de 
Syriërs. De tekst, of een deel daarvan, van Is. 40 werd in prachtdruk aangeboden aan de 
leden van het Joodse parlement, bij de opening daarvan te Jerusalem. Het waren de eerste 
langere tekstfragmenten die de geleerde wereld hebben bereikt. 

Om tot volledige zekerheid te geraken omtrent de juistheid van het verhaal der Bedoeïnen 
betreffende de vindplaats der rollen, was het nodig deze te onderzoeken. Dit is, vermoedelijk 
op instigatie der Syriërs of met hun medeweten, gebeurd door enkele clandestiene onder¬ 
zoekers, wier namen bekend zijn, maar (nog) niet gepubliceerd. Zij hebben de grot op zeer 
ondeskundige wijze ondersteboven gehaald, zelfs de grond omgewoeld om er iets te vinden, 
en niets achter gelaten dan een groot aantal kleine snippers leer of papyrus van de vele rollen 
die hier eens bewaard zijn geweest, stukken doek waarin de rollen waren gewikkeld geweest 
met zwarte substantie doortrokken, en een groot aantal scherven afkomstig van de potten 
waarin de rollen door hun oorspronkelijke bezitters waren opgeborgen. Ook lieten zij stukken 
krant en andere dingen achter, waardoor men hun identiteit heeft kunnen vaststellen. 

Later interesseerde zich een Belgische waarnemer der U.N.O., zekere luitenant Philippe 
Lippens voor de vondst en hij rustte niet alvorens hij de grot had gevonden. Bedoeïnen der 
Ta c amireh die in het Jordaanse legioen dienst hadden genomen gaven inlichtingen en zo werd, 
na ijverig speuren, de plaats ontdekt. Er werd een militaire wacht voor geplaatst en verlof, 
resp. opdracht om de grot te onderzoeken werd gegeven aan L. Harding, van het Department 
of Antiquities te Amman, en aan p. R. de Vaux, directeur der Êcole Biblique et Archéolo- 
gique Frangaise te Jerusalem. In Februari/Maart 1949 hebben beiden drie weken lang in 
de grot gewerkt. Deze en de onmiddellijke omgeving daarvan werden onderzocht „jusqu’au 
sol vierge” 21 ) en alle snippers, fragmenten en scherven (meer was er niet te vinden) die 
maar iets te maken konden hebben met de boekrollen of de potten waarin zij waren opge¬ 
borgen geweest, werden met de grootste zorg verzameld en meegenomen. Volgens recente 
persberichten is een deel der vondst naar Londen gegaan en wordt daar bestudeerd 22 ), terwijl 
een ander deel naar Jerusalem is overgebracht. Omtrent de resultaten is door p. de Vaux 
een memorandum opgesteld, dat Prof. G. Ryckmans van Leuven op 8 April 1949 heeft voor¬ 
gelezen voor de Académie des InscriptionS et Belles Lettres te Parijs en waarover pers¬ 
berichten zijn verschenen. In het Franse tijdschrift La Vie Intellectuelle publiceerde hij over 
zijn onderzoekingen een algemeen oriënterend artikel 23 ), terwijl in de Revue Biblique van 
April 1949 van zijn hand een post-scriptum op een artikel van R. Tournay O.P. verscheen, 
waarin hij enkele korte mededelingen deed 24 ) ; een uitvoerig verslag verscheen in het nummer 
van October 24a ). 


19 ) The Bibl. Arch. xi, 1948 (Sept.), p. 55. 

20 ) Bibl. Arch. xi, 1948, J. C. Trever, The Dis¬ 
covery of the Scrolls, p. 46-56; M. Burrows, The 
Contents and Significance of the Manuscripts, p. 
57 - 6 i. 

21 ) Rev. Bibl. 1949, p. 234. 

22 ) Cf. ILN i Oct. 1949, 490-491. 


23 ) La Vie Intellectuelle (verschijnt bij de Editions 
du Cerf, Paris), Les manuscrits hêbreux du désert 
de Juda, pp. 583 - 595 - 

24 ) Post-Scriptum: La cachette des manuscrits hê¬ 
breux, Rev. Bibl. 1949, p. 234-237. 

24 a ) R. de Vaux, La grotte des manuscrits hê¬ 
breux, RB 1949, p. 586-609 (met afbeeldingen o.a, 



_ 


I - DE GESCHIEDENIS VAN DE ONTDEKKING 


47 


Hoewel de resultaten der onderzoekingen van Harding en de Vaux dus niet van even 
spectaculair karakter zijn geweest als de vondsten die voorafgegaan waren, zijn zij toch 
onder meer dan één opzicht uiterst belangrijk. Op de eerste plaats heeft men kunnen vast¬ 
stellen dat het verhaal van de vondst, zoals het door de Bedoeïnen is gedaan, geen fabel is 
geweest, zoals sommigen hebben verondersteld of gesuggereerd 25 ). Alles wijst er op dat 
de grot bij Ain Fasha een authentieke bergplaats is geweest van boekrollen die daar vele 
eeuwen lang zijn geweest 26 ). 

Op de tweede plaats heeft men in de grot fragmenten gevonden die deel hebben uitge¬ 
maakt van sommige der reeds bekende rollen. Dit is niet alleen het meest doorslaande bewijs 
dat de grot dezelfde is als die door de Ta c amireh Bedoeïnen is ontdekt, maar vult ook enkele 
lacunen in de reeds bekende teksten aan. 

Op de derde plaats heeft men, en dit is in zekere zin sensationeel te noemen, tekstfrag¬ 
menten in archaïsch ( c oud-phoenicisch 3 ) schrift gevonden waarvan de vorm veel gelijkenis 
vertoont met die der ostraca van Lakis! De tekst maakt deel uit van Lev. 19-22, hoofdstukken 
die behoren tot wat men de Veiligheidswet 3 heeft genoemd (Lev. 17-26). De ostraca van 
Lakis zijn uit de laatste jaren van het koninkrijk Juda (589/8) en de overeenkomst van het 
schrift der fragmenten van Lev. met dat der ostraca maakt het mogelijk dat deze fragmenten 
eeuwen ouder zijn dan de rest der gevonden handschriften. Van meer dan een mogelijkheid 
kan men echter niet spreken. Het z.g. Phoenicische schrift (dat der ostraca van Lakis, het 
kanaal van Siloë, enz.) is immers nog lange tijd na de ballingschap in gebruik geweest voor 
sacrale doeleinden. Het schrift der Samaritanen stamt er in rechte lijn van af, zodat het 
zeker is dat het voor het schrijven van gewijde teksten nog in zwang was op het ogenblik dat 
de Samaritanen zich van de Joden definitief afscheidden en hun eigen weg gingen (rond 
400?) 27 ). Zelfs bij de opstand van Bar Kochba (132-135) heeft men munten geslagen met 
opschriften in het oude schrift. Waar het al zeer moeilijk is de grote meerderheid der ge¬ 
vonden rollen en fragmenten op zuiver paleographische gronden te dateren, gezien het schaarse 
materiaal dat ter vergelijking aanwezig is, is het nog moeilijker de tijd van ontstaan der 
archaïsche teksten aan te geven, waarvoor nog veel minder vergelijkingsmateriaal ter beschik¬ 
king is. Het is interessant dat de gevonden teksten in het oude schrift juist uit de Heiligheids- 
wet stammen; volgens de critici der school van Wellhausen en vele anderen maakt deze 
deel uit van de Priestercodex en is daarvan een der oudste stukken, omtrent de datering 
waarvan wordt getwist. Eissfeldt voelt er veel voor dat zij in het midden der zesde eeuw 
zou ontstaan zijn 28 ); een later tijdstip is in elk geval erg onwaarschijnlijk. Nu ziet het er 
niet naar uit dat men zal kunnen aantonen dat de fragmenten met het oude schrift ouder 
zijn dan de Lakis teksten en daarom zal de nieuwe vondst vermoedelijk van weinig of geen 
invloed blijken te zijn op de (bezonnen) exegese 29 ). 

Op de vierde plaats zijn onder de fragmenten in de grot bij Ain Fasha nog allerlei 
stukken terug gevonden van bijbelse (Genesis, Rechteren, Deuteronomium) (plaat xii, 
Afb. 11) en niet-bijbelse documenten; de fragmenten van de laatste vormden de meerder- 


van grot, ceramiek, vier Leviticus-fragmenten, be¬ 
horend tot Lev. 19, 31-34; 20, 20-23; 21, 24-22, 3; 
22, 4-5). 

25 ) Prof. S. Zeitlin heeft in drie artikelen in de 
JQR (A Commentary on the Book of Habakkuk, 
Important Discovery or Hoax? — Scholarship and 
the Hoax of the Recent Discoveries, xxxix, 1948/49, 
PP- 235-247; 337-363 en The alleged Antiquity of 
the Scrolls xl, 1949/50, p. 57-78) de hoge ouderdom 
en/of echtheid der rollen in twijfel getrokken en de 
mogelijkheid van een mystificatie geopperd. In JQR 
xl, 1949/50, p. 127-134, uit G. R. Driver soortge¬ 
lijke twijfels in een artikel The Hebrew Manuscripts. 
Zijn conclusie luidt: „I see nothing that compels a 
date B.CE. but a number of points that appear to 


indicate a date C.E.; but to doubt a pre-Christian 
is not ipso facto to postulate a medieval date” 
(P- I 33 )- Deze conclusie lijkt mij niet erg overtuigend. 

26 ) Zonder voldoende reden wordt hieraan nog ge- 
twijfeld door E. R. Lacheman, in zijn artikel A Mat¬ 
ter of Method in Hebrew Paleography, in JQR xl 
(1949/50), p. 15-36. Hij suggereert dat de Bedouïnen 
alles in de grot hebben gebracht. 

27 ) Vgl. Schürer, Geschichte... 4 , Leipzig, 1907, II, 
p. 21. 

28 ) Einleitung in das Alte Testament, Tübingen 
1934 , P- 276. 

29 ) In RB 1949, p. 597-602 bespreekt de Vaux de 
stukken (zie noot 24*) en stelt de 4de eeuw v. Chr. 
als datum voor (p. 602). 












4 8 


PALESTIJNSE PHILOLOGIE : DE ROLLEN 


heid. Er was o.a. een stuk bij van de tot dusver onbekende Hebreeuwse tekst van het boek der 
Jubileeën 30 ) ; men heeft echter geen zekere sporen ontdekt van Aramese teksten 31 ). Naast 
fragmenten van rollen van leer of perkament zijn ook nog stukjes papyrus voor de dag ge¬ 
komen, die meestal met kwadraatschrift, maar soms ook met Grieks letterschrift waren be¬ 
schreven 32 ). 

An het slot van zijn post-scriptum constateert de Vaux dat slechts een deel van de 
oorspronkelijke inhoud der bergplaats aan het licht is gekomen en hij vraagt zich af of 
de mogelijkheid bestaat dat de rest nog door de Bedoeïnen of door handelaars wordt achter- 
gehouden, zodat er kans is dat er binnen niet al te lange tijd nog andere documenten voor 
de dag komen. Zijn antwoord is negatief, daar hij tekenen meent te hebben gevonden die 
er op wijzen dat men reeds rond 200 a.d. in de grot is doorgedrongen en een deel van de 
inhoud heeft meegenomen. De gevonden scherven vertonen immers breukvlakken die lang 
geleden zijn ontstaan, fragmenten van verschillende rollen kleefden vast aaneen als gevolg van 
een zeer lang contact, stukken doek vond men tussen de uitwerpselen van wilde dieren die 
in de grot vertoefd hebben 33 ). Daarom is de Vaux van mening dat de bezoeker uit de 
tweede of derde eeuw onzer jaartelling, van wiens aanwezigheid enkele scherven van ceramiek 
(van een kookpot en twee lampjes) uit die tijd getuigen, het grootste deel van de inhoud der 
grot heeft weggehaald. 


II — PALEOGRAPHISCHE GEGEVENS EN OUDERDOM 

Na de bovenstaande korte schets van de geschiedenis der vondst is de beurt aan een 
samenvattende beschouwing omtrent echtheid, paleographie, orthographie, morphologie, ouder¬ 
dom en inhoud der rollen. 

De echtheid is in het algemeen weinig aangevochten. Alles wijst er op dat men moeilijk 
met een vervalsing te doen kan hebben. Een falsaris zou niet de merkwaardige Hebreeuwse 
spelling hebben gebruikt die in de rollen voor de dag is gekomen, hij zou geen schrift 
hebben geproduceerd waarvan de vormen slechts aan enkele specialisten bekend waren, enz. 
En het is vermoedelijk niet te veel gezegd dat men slechts de rollen in handen gehad behoeft 
te hebben om er van overtuigd te zijn dat een vervalsing eenvoudig is uitgesloten. Dit kan 
worden gezegd zonder de geschiedenis der beroemd-beruchte vervalsingen op handschriften- 
gebied uit het oog te verliezen. Daarom mist de veronderstelling van S. Zeitlin, die de 
vondst „possibly a hoax” heeft genoemd, alle grond 34 ). 

Een andere kwestie, een die in deze zaak van doorslaand belang is, is die der oudheid 
van de handschriften. Zijn ze voor-christelijk of minstens ontstaan rond het begin onzer 
jaartelling, ofwel zijn ze middeleeuws? De laatste veronderstelling is slechts door weinigen 
geuit, voornamelijk door S. Zeitlin in de drie genoemde artikels, door E. R. Lacheman 
(A Matter of Method in Hebrew Paleography, JQR XL, 1949/50, p. 15-39) en door enkele 
anderen (cf. Biblica 30, 1949, p. 474-475). G. R. Driver (zie noot 25), voelt wel wat voor 
een middeleeuwse datum, maar drukt zich voorzichtig uit. 

Dat de handschriften werkelijk uit vóórchristelijke tijd of uit het allereerste begin onzer 
jaartelling stammen, is op bijna brilliante wijze bevestigd door de onderzoekingen van 
Harding en de Vaux in de grot bij Ain Fasha. Een der belangrijke ontdekkingen die men 
daar heeft gedaan betreft immers de resten van het aardewerk waarin de rollen zijn opge¬ 
borgen geweest en dat, volgens het oordeel van een deskundige als de Vaux, uit niet later 
tijd kan zijn dan de tweede, of het begin der eerste eeuw vóór onze jaartelling. Nu is het 


30 ) Besproken in RB 1949, p. 602-605. 

. 31 ) Rev. Bibl. 1949, p. 235. 

32 ) De Vaux in La Vie Intellectuelle, a.c., p. 588. 
L. Harding in The Illustrated London News van 
ii Oct. 1949, p. 493» schrijft: „it is possible, though 
by no means certain, that the writing on some of 
these may be Gr eek’\ 


s®) La Vie Intellectuelle 1949, p. 586. 

34 ) S. Zeitlin, A Conimentary on the Book of 
Habakkuk. Important Discovery or Hoax? JQR, n.s. 
xxxix 1948/9, p. 235-247. Scholarship and the Hoax 
of Recent Discovery, o.c., p. 337-363, The Alleged 
Antiquity of the Scrolls f xl, 1949/50, p. 57-78, 


II - PALAEOGRAPHISCHE GEGEVENS EN OUDERDOM 


49 


natuurlijk niet onmogelijk dat men, zoals Zeitlin en Lacheman suggereren, jonge hand¬ 
schriften heeft opgeborgen in oud aardewerk, maar men bedenke dat het uiterst onwaarschijn¬ 
lijk is dat middeleeuwse schrijvers, of althans schrijvers die eeuwen na 100 v. Chr. hebben ge¬ 
leefd, een verzameling van een goede vijftig oude hellenistische potten van ongeveer dezelfde 
vorm en grootte bij de hand hebben gehad om er hun boeken in op te bergen! 33 ). Het ligt 
voor de hand, dat de ceramiek uit dezelfde, of minstens uit ongeveer dezelfde tijd is als die 
waarin de bergplaats is ingericht. Dat de Bedoeïnen de potten zouden hebben gevonden, 
daarin de handschriften gedaan, dan een groot gedeelte hebben vernietigd, enz. zal wel 
niemand willen geloven die ooit met deze mensen heeft omgegaan. 

Sommige in de grot bij Ain Fasha gevonden teksten bleken over verschillende rollen ver¬ 
deeld te zijn. Dit laatste kan twee redenen hebben: ofwel men heeft reeds oudtijds twee of 
meer rollen nodig gehad om één tekst op te schrijven, ofwel wat oorspronkelijk één rol was 
is in vroeger of later tijd (bij de vondst?) in stukken verdeeld. De grotere teksten die het 
eerst bekend zijn geworden zijn het boek Isaïas (plaat ix, Afb. 6), het boek Habakkuk 
met commentaar (Afb. 7), het ^ectarische 3 boek (plaat x, Afb. 8) ; een verzameling tot 
dusver onbekende hymnen of psalmen (plaat xi, Afb. 10) ; het boek van de oorlog der 
Kinderen van het licht met de Kinderen der duisternis (plaat xi, Afb. 9). 

Daarnaast zijn nog andere rollen gevonden waarvan de inhoud oorspronkelijk niet bekend 
kon worden gemaakt; één daarvan bleek later een deel van Isaïas (±11 hoofdstukken, te be¬ 
ginnen bij Is. 48) te bevatten en is in het bezit van E. Sukenik, resp. van het museum der 
Hebr. Universiteit te Jerusalem. Een andere rol, in het bezit der Syriërs, bevat vermoedelijk een 
tot dusver onbekende Aramese tekst van een apocrief Lamechboek. Men heeft deze laatste 
een poos lang voor een tekst van Henoch gehouden; het is mogelijk dat de schrijver 
van Henoch hfdst. 106-108 er gebruik van heeft gemaakt 35a ). Sukenik geeft in zijn boek 
twee afbeeldingen van nog niet losgewikkelde rollen 36 ). De buitenste windingen dezer hand¬ 
schriften kleefden zo aan elkaar, dat het aanvankelijk niet mogelijk was ze los te wikkelen 
zonder de tekst zwaar te beschadigen. Daarom liet men de handschriften voorlopig in dezelfde 
toestand als waarin men ze had aangetroffen, in de hoop dat een methode zou worden ge¬ 
vonden die het mogelijk zou maken ze los te wikkelen zonder de tekst van het buitenste deel 
ervan verloren te laten gaan. 

Wat de gevonden snippers en fragmenten betreft: voordat Harding en de Vaux hun 
onderzoekingen deden bij Ain Fasha was reeds een bundeltje fragmenten in handen gekomen 
van Sukenik, en een ander in die van de Syriërs. Onder de laatste zijn drie Daniëlfragmenten 
van bijzonder belang: Dan. 1, 10-16; 2, 2-6; 3, 23-30. Het derde dezer fragmenten is in 
het Aramees, in het tweede vinden wij in v. 4 de bekende overgang van het Hebreeuws naar 
het Aramees. Paleographisch moet de tekst dezer fragmenten het meeste weg hebben van de 
Isaïasrol, hetgeen ons gemakkelijk in de tweede eeuw v. Chr. kan brengen! De tekst stemt 
substantieel overeen met die der Masoreten 37 ). 

Over de paleographie der rollen is tot dusver het uitvoerigst geschreven door J. C. 
Trever 38 ) en S. A. Birnbaum 39 ). Van de hand van Sukenik en van Albright, misschien 
wel de meest gequalificeerde paleographen, hebben wij nog niet veel. Van belang zijn ook 
de artikelen van S. Zeitlin en R. Lacheman in de JQR XXXIX en XL 40 ). Bekend is dat 


35 ) Dit is ook het oordeel van de Vaux in Rev. 
Bibl. 1949, p. 236. 

35a ) Zie J. C. Trever, Identification of the Ara- 
maic Fourth Scroll from c Ain Feshka, BASOR 115 
(Oct 1949), p. 8-10. Voor het Lamechboek, vgl. 
E. Schürer, Geschichte des jüd. Volkes ... III 4 , 
p. 358 vv. 4 

36 ) Meg. Gen . p. 11 en pl. 2. 

37 ) Bibl. Arch. xii, 1949, p. 33. 

3S )A Paleographic Study of the Jerusalem Scrolls, 
BASOR 113, 1949 (Febr.), p. 6-23 (met een uitvoe¬ 
rige vergelijkende lijst en facsimile’s). 


39 ) BASOR 113, 1949 (Febr.), p. 33-35, The Date 
of the Isaiah Scroll ; JBL lxviii, 1949, p. 161-168, 
The Date of the Habakkuk Scroll; The Date of the 
Cave Scrolls, BASOR 115, p. 20-22. 

40 ) JQR xxxix (1948/49), p. 235-247; 337-363; 
xl (1949/50), p. 15-39; 57-58. Tegen deze beiden 
heeft W. F. Albright geschreven in de JQR xl 
(1949/50), p. 41-49: Are the c Ain Feshka Scrolls a 
Hoax?, waarin hij o.a. mededeelt dat J. A. Birn¬ 
baum, die hij dé autoriteit noemt op het gebied der 
middeleeuwse Hebreeuwse paleographie, de Isaïasrol 
in de eerste helft van de tweede eeuw v. Chr. da- 







50 


PALESTIJNSE PHILOLOGIE: DE ROLLEN 


Albright en Sukenik zich op paleographische gronden onvoorwaardelijk voor een hoge, 
liefst vóórchristelijke ouderdom der handschriften hebben uitgesproken. Met betrekking tot 
de paleographie van het Hebreeuwse kwadraatschrift en de onmiddellijke voorlopers daarvan 
staat maar weinig materiaal ter beschikking en het is haast nergens systematisch geordend. 
Belangrijk is een artikel van W. F. Albright over de datering van de papyrus Nash (plaat 
xv, Afb. 17) : A Biblical Fragment from the Maccabaean Age: The Nash Papyrus 41 ). De 
Nash papyrus, zo genoemd naar de eigenaar W. L. Nash, is een klein fragmentje papyrus 
en enkele bijbehorende snippers, die samen een deel van de tekst van de tien geboden en 
het begin van het sema c gebed bevatten. Vóór de vondst in de grot bij Ain Fasha was hij de 
oudste bekende Hebreeuwse Bijbeltekst; omtrent de juiste datering daarvan is men het echter 
niet eens, want terwijl de meesten het er voor schijnen te houden dat de papyrus uit het 
eind van de eerste eeuw na Chr. is, pleiten anderen voor een vroegere datum, Albright 
(T 937 ) zelfs voor de Makkabeeëntijd (tweede helft tweede eeuw v. Chr.); later heeft 
Albright als c safest date 3 ± 50 v. Chr. genoemd 42 ). 

In het boven genoemde artikel tracht Albright het tot dusver gevonden paleographische 
materiaal, dat tot datering van de papyrus Nash kan dienen, te classificeren. Aangezien de 
papyrus met kwadraatschrift is beschreven, komt dit alleen aan de orde. En aangezien dit 
laatste een vorm van ontwikkeling van het oude Aramese schrift is, begint Albright in zijn 
classificatie met de oudste bekende vormen daarvan. Hij onderscheidt: — I. schrift van een 
Aramees ostracon uit Assur (uit ± 660 v. Chr.), en van aantekeningen met inkt aangebracht 
op Assyrische contracten (zevende eeuw); — II. de standaardcursive van het Perzische rijk, 
zoals b.v. gebruikt in de papyri van Elephantine (Afb. 12) ; — III. schrift van enkele papyri 
en kortere teksten gepubliceerd door N. Aimé-Giron 43 ) (vierde eeuw) (plaat xiv, Afb. 
15); — IV. schrift van papyri van Edfu (plaat xiv, Afb. 16) e.a. (derde eeuw), waarmee 
verwant zijn de Tobia-inscriptie van c Araq el Emir (plaat xv, Afb. 18) (tweede eeuw v. 
Chr.?) 44 ) en een depinto van Alexandrië, gepubliceerd door Clermont Ganneau 45 ) (plaat 
xix, Afb. 19). Uit later tijd (niet door Albright op dezelfde wijze geclassificeerd) zijn wat 
hij noemt de Herodiaanse inscripties (37 v. Chr.-70 a.d.), waartoe hij rekent de inscriptie 
der Bene Hëzir (plaat xvii, Afb. 27) in het z.g. Jacobusgraf in het Cedrondal bij Jerusa- 
lem 46 ), de z.g. Ozias-( c Uzziah-)plaquette (plaat xviii, Afb. 29) 47 ), de inscriptie (twee 
woorden) op de sarcophaag van de Syrisch-Joodse koningin Helena van Adiabene (±50-60 
a.d.) (plaat vii, Afb. 24) 48 ), de uit twee woorden bestaande grens-inscriptie(s) van Gezer 
(vlgs Albright tussen 100 en 63 v. Chr.) (plaat xviii, Afb. 28) 49 ), en een aantal in¬ 
scripties en graffiti op Joodse ossuaria (plaat xvii, Afb. 21-23, 25, 26) 50 ). Als vergelijkings- 


teert, terwijl P. Kahle hem in een correspondentie 
heeft medegedeeld dat het in geen enkel opzicht mo¬ 
gelijk is dat de rollen jonger zouden zijn dan de 
tweede eeuw a.d. (p. 44). In hetzelfde nummer der 
JQR, p. 58, citeert Zeitlin echter H. Torczyner, 
die verklaard heeft dat naar zijn mening de Isaïasrol 
uit de derde eeuw a.d. is; de andere rollen zijn alle 
jonger dan die van Isaïas. 

41 ) In JBL lvi, 1937, p. 145-176; het artikel be¬ 
vat geen photografische afbeeldingen, twee kleine en 
zeer onvolledige overzichten van de ontwikkelings- 
vormen van enkele letters, en een uitvoerige biblio¬ 
grafie. 

42 ) BASOR 113, p. 23, noot 65a. In een later 
artikel On the Date of the Scrolls from c Ain Feshka 
and the Nash Papyrus, BASOR 115, p. 10-19 pole¬ 
miseert Albright tegen S. Zeitlin en E. Lacheman. 
Hij geeft hierin slechts toe vroeger enkele kleine 
fouten te hebben gemaakt op grond van het feit dat 
hij toen nog geen infra-rode photo van de Papyrus 
Nash ter beschikking had (p. 14). (Voor de repro¬ 
ductie in dit Jaarbericht, plaat xv, is het helaas niet 


mogelijk geweest een dergelijke photo te verkrijgen.) 
Op p. 19, noot 10, deelt A. ten slotte mede van 
E. Sukenik te hebben vernomen dat deze is terug¬ 
gekeerd tot de oudere (A.’s) datering van de Papyrus 
Nash. 

43 ) In zijn Textes Araméens d’Egypte, Le Caire, 
1931 . 

44 ) Facsimile o.a. in M. Lidzbarsky, Handbuch 
sur nordsemitischen Epigraphik, Weimar, 1898, II, 
PI. xLiii, i; vlgs Albright is de inscriptie uit de 
derde eeuw. 

45 ) In zijn Recueil d' Archéologie Oriëntale VIII, 
1915 » P- 61. 

46 ) Facsimile in Lidzbarsky, o.c., pl. XLIII, 2. 

47 ) Facsimile o.a. bij Sukenik, Megillót Genüsöt, 
pl. 4 (tegenover p. 15). 

48 ) Facsimile bij M. Lidzbarsky, II, pl. xmi, 7. 

49 ) Facsimile bij M. Lidzbarsky, o.c., II, pl. 
xliii, 2. 

ö0 ) Grotendeels verspreid gepubliceerd, voorname¬ 
lijk door RB en Sukenik; enkele honderden zijn 
tot dusver bekend. 


II - PALAEOGRAPHISCHE GEGEVENS EN OUDERDOM 


Si 


materiaal gebruikt hij verder nog de oudste Nabatese en Palmyreense inscripties, welke niet 
ouder zijn dan de tweede eeuw v. Chr. 51 ). Hiermee is wel al het beschikbare vergelijkings¬ 
materiaal opgesomd; ook S. A. Birnbaum noemt in zijn twee artikelen in BASOR 1949 en 
JBL 1949 52 ) geen ander. Daar dit alles in verspreide publicaties te vinden is en nergens, in 
goede facsimile's, ordelijk is bijeengezet, is het begrijpelijk dat het onmogelijk was de hand¬ 
schriften uit de grot bij Ain Fasha op het eerste gezicht te dateren; slechts aan de enkelen 
die zich reeds in deze zeer speciale materie hadden ingewerkt was het gegeven hierover een 
oordeel te vellen. 

Enkele paleographische opmerkingen over de handschriften zelf mogen hier volgen. Op¬ 
merkelijk is bij alle handschriften het goede, soms zelfs prachtige schrift. Terwijl de papyrus 
Nash de indruk wekt het werk te zijn van een man voor wie het schrijven, in elk geval het 
schoonschrijven, geen dagelijkse bezigheid was, zijn de teksten der rollen van Ain Fasha 
zonder twijfel door geoefende schrijvers gecopieerd. Vóór zij hun werk begonnen hebben zij 
op het leer horizontale lijnen getrokken waartegen of waaronder (niet waarop) zij hun letters 
schreven. Verticale lijnen dienden soms om de kolommen te markeren. De lijnen werden ge¬ 
trokken met een scherp instrument, mogelijk een soort wieltje met scherpe kant, dat met 
een asje aan het einde van houten stift was aangebracht; als gevolg van dit procédé zijn veel 
lijnen c doorgedrukt 3 aan de niet beschreven binnenkant van het leer. De gewoonte om op 
dergelijke wijze perkamenten handschriften te c liniëren 3 heeft lange tijd bestaan en was o.a. 
in het middeleeuwse Europa vrij algemeen in zwang. Op een door de Vaux in RB 1949, 
pl. xvii gepubliceerde en p. 605-609 besproken tekst van een onbekend werk zijn horizontale 
en verticale lijnen in het rood aangegeven. De copist schreef parallel met de horizontale, niet 
er onder of er op. De letters der hss. zijn geschreven met inkt, met behulp van een soort pen. 
De inkt is door Dr H. J. Plenderleith onderzocht en bleek als zwartingsmiddel koolstof, 
géén ijzer te bevatten; om deze reden meent hij dat hij uit de Hellenistische of uit de Romeinse 
tijd afkomstig is, hetgeen weer van belang kan zijn voor de datering 523 ). 

De woorden zijn alle van elkaar gescheiden door een tussenruimte, terwijl grotere tussen¬ 
ruimten, of zelfs aan het eind opengelaten regels op een indeling in pericopen wijzen. Dan 
heeft men nog een aantal merkwaardige tekens gevonden, in sommige teksten verspreid, 
waarvan de betekenis nog niet duidelijk is 53 ). Men vindt er een onder kol. 32 van de Isaïas¬ 
rol, rechts onderaan 54 ). De letters zelf zijn onder en niet op de lijnen geschreven, een ver¬ 
schijnsel dat samenhangt met het feit dat zij, met uitzondering van de lamed, van boven overal 
even lang zijn, maar niet van onderen. Hetzelfde verschijnsel heeft men opgemerkt bij de 
papyri van Elephantine (waar lijnen vanzelfsprekend ontbreken) en bij de papyrus Nash, 
waarop evenmin lijnen voorkomen (de papyrusvezel gaf voldoende de schrijf richting aan). 
In het latere kwadraatschrift zijn de letters onderaan even lang als boven, met uitzondering 
van die letters die onder of boven een lange streep of haal hebben, zoals de lamed, de qoph, 
enz. In de Leviticusteksten in „archaïsch” schrift zijn de woorden door punten gescheiden, 
pericopen door open spaties. 

Gelijk bekend, zijn er in het kwadraatschrift twee vormen van de letters k, m, n, p, s, 
een korte aan het begin of in het midden van een woord, een lange aan het einde daarvan. Dit 
verschijnsel vindt men reeds terug in onze rollen, maar daar wordt het nog niet systematisch 
en uniform bij alle zes letters aangetroffen; ook is er verschil tussen de handschriften onder¬ 
ling. Karakteristiek is ook het veelvuldig gebruik van ligaturen, hetgeen vaak wijzigingen 
in de vorm der letters met zich meebracht; soms zijn twee letters aan elkaar geschreven, 
soms meer. Men vindt dit verschijnsel al terug in de Elephantine-papyri, in latere Aramese 


51 ) Veel materiaal is te vinden bij Lidzbarsky, 
o.c. Men zie ook J. Cantineau, Le Nabat een, I-II, 
Paris, 1932; J. B. Chabot, Choix dTnscriptions de 
Palmyre, Paris, 1922; enz. 

52 ) Zie boven, p. 9. 

52a ) Cf. Albright in BASOR 115, p. 14. Vlg. 
.S. Krauss, Talm. Archaologie III (19T2), p. 148 vv. 


kende de Misna nog geen galappelinkt, wèl de beide 
Gemara’s. Men dient m.i. niet te veel waarde te 
hechten aan de gebruikte inktsoort t.o.v. de datering. 

53 ) Zie BASOR in, p. 9. 

54 ) Zie plaat ix van dit Jaarbericht; kolom 32 
staat rechts op de afbeelding. 
















52 


PALESTIJNSE PHILOLOGIE! DE ROLLEN 


teksten, in zeer sterke mate in het Nabatees, in het Palmyreens, en natuurlijk in het latere 
Syrisch en Arabisch. In het latere kwadraatschrift verdwijnt het geleidelijk, wordt echter nog 
zeer laat gevonden 55 ). Ligaturen werden niet alleen gebruikt wanneer men snel schreef op 
papyrus of perkament, maar ook in lapidaire teksten, en zelfs in teksten in mozaïek 56 ). Wel 
een bewijs dat zij als een wezenlijk deel van het schrift werden beschouwd. 

Wat de afzonderlijke letters betreft is Trever, in zijn uitvoerig artikel over de paleo- 
graphie der rollen 57 ), tot de conclusie gekomen dat men eerst en vooral onderscheid moet 
maken tussen twee schrifttypen die in de rollen voorkomen; n.1. tussen het schrift van de 
Isaïasrol en het sectarische document enerzijds, en de commentaar op Habakkuk, de Aramese 
rol, latere toevoegingen in col. 28, 32, 33 van de Isaïas rol, en de twee rollen der Hebreeuwse 
Universiteit te Jerusalem, waarvan Sukenik facsimile's heeft gepubliceerd in zijn Megilldt 
Genüzöt anderzijds. Deze conclusie steunt vooral op het verschil in vorm dat volgens Trever 
bestaat tussen de letters z, g, h, w, f, k (mdiaal en finaal), m (mediaal), n (finaal), samek, 
p (finaal), s (mediaal en finaal), sin , in de Isaïasrol en het sectarische document (waarin deze 
letters dezelfde of sterk overeenkomende vormen hebben) enerzijds en de andere documenten 
anderzijds. In deze stelling ligt, wat haar algemeenheid betreft, zeker waarheid, ofschoon de 
wijze waarop Trever ze tracht te staven minstens in onderdelen voor discussie vatbaar is 58 ). 
Het is niet gemakkelijk over deze zaak een oordeel uit te spreken zolang nog niet alle docu¬ 
menten gepubliceerd zijn. Toch kan wellicht het volgende worden gezegd. 

Men dient allereerst te bedenken, dat het schrift der documenten geen cursieve of 
c lopende hand 0 is, maar z.g. tekenschrift. Alle, of de meeste letters zijn stuk voor stuk 
en afzonderlijk getekend of geschreven, in veel gevallen zelfs daar waar zij aan elkaar zijn 
geschreven en het cursieve karakter slechts schijn is. Bij zulk een tekenschrift tracht de 
schrijver zich doorgaans veel nauwkeuriger aan zijn (ideaal) voorbeeld te houden dan bij 
zuiver cursief schrift. Afwijkingen, al zijn het kleine, in schrifttype of in de vorm der af¬ 
zonderlijke letters, zijn dus van meer betekenis dan bij cursief schrift en kunnen minder 
spoedig aan het individuele, persoonlijke karakter worden toegeschreven dat elk schrift nu 
eenmaal noodzakelijk heeft. Zuiver technisch gesproken lijkt het schrift van de rol van de 
c Strijd° enz. het meest volmaakt, dat der hymnen komt op de tweede plaats of is hieraan gelijk. 
Onmiddellijk volgt hierop de Habakkukrol, dan die van Isaïas en ten slotte het sectarische 
document. Men zou over de rangorde van 1-4 kunnen twisten, moeilijker echter over die van 
de laatstgenoemde rol. Bij nader toezien blijkt het schrift hiervan geschreven te zijn met 
een minder vaste hand dan b.v. het prachtige schrift van de rol van de c Strijd°. De copist 
(of auteur?) heeft duidelijk de neiging gehad de afzonderlijke letters vlug en gemakkelijk te 
schrijven; de gepubliceerde zwart-wit facsimile's stellen echter niet in staat in elk geval 
met zekerheid de vorm der oorspronkelijke letters te onderscheiden, daar een aantal plaatsen, 
vooral van de eerste kolom (waarvan juist het beste facsimile is gepubliceerd) en de laatste, 
door een latere hand zijn bijgewerkt, door middel van c re-inking° zoals Trever het noemt 59 ). 
Dit laatste maakt het moeilijk het handschrift of de facsimile's, in detail te bestuderen, neemt 
echter niet weg dat men kan zeggen dat de ietwat eenvoudiger en c handiger° vorm van sommige 
letters in het Sectarische document te wijten kan zijn, niet aan het ideale voorbeeld dat de 
copist wenste na te tekenen, maar aan het individuele karakter van zijn hand (men lette b.v. 
op de vorm van de sin). Zo kunnen bepaalde overeenkomsten tussen de Isaïasrol en Sect. 
document slechts toevallig zijn en niet wijzen op een bepaald algemeen schrifttype waarbij de 
copist van het Sect. document zich zou hebben aangesloten. Men krijgt sterk de indruk 
dat dit hier en daar inderdaad het geval is, ondanks het voorbehoud dat men moet maken van¬ 
wege de c re-inking° procedure, die tevens de reden is dat hier geen details kunnen worden 


55 ) In zijn M asore ten des We stens I (Stuttgart, 
1927) publiceert P. Kahle o.a. een photografische 
reproductie van Dan. 10,15-11,2 uit a.d. 1130, waarop 
fraaie voorbeelden van ligaturen te zien zijn; soms 
zijn drie letters aan elkaar geschreven en een vierde 
er tegen aan. 


B6 ) Men zie b.v. het mozaïek van Ain Dük (eerste 
eeuw a.d.) in RB 1919, p. 538. 

57 ) BASOR 113, 1949, p. 6-23. 

I58 ) Men zie ook de kritiek van Lacheman in JQR 
XL, 1949/50, p. 15 vv. 

59 )Zie Basor iii, 1948, p. 12, 


II — PALAEOGRAPHISCHE GEGEVENS EN OUDERDOM 


53 


genoemd. Ondanks deze reserve is het in elk geval duidelijk dat in Is. en Sect. de vormen 
van de g, z, k (mediaal en finaal), 1, s (finaal, ontbreekt in Is. en Sect.) zich onderscheiden 
van die in de andere teksten. Voor het overige laten de gepubliceerde facsimile’s niet vol¬ 
doende controle toe. Er zijn gevallen, b.v. dat der alef, waarin Sect. en Hab. s&mengaan, 
tégen de rest. 

Hoe het ook zij, er zijn verschillen die moeilijk aan het zeer individuele karakter dat aan 
elk schrift noodzakelijk eigen is kunnen worden toegeschreven. De verschillen zijn echter zeer 
gering, zoals men zien kan op de uitgebreide lijst die Trever heeft gegeven 60 ). Het is 
duidelijk dat de verschillende handschriften niet uit ver uiteenliggende perioden kunnen zijn, 
zij vertonen alle grosso modo hetzelfde schrifttype. De variaties schijnen te wijzen op een 
zekere ontwikkeling, en wijzen er op dat de Isaïasrol de oudste moet zijn. Allerlei lettertypen 
die daarin voorkomen komen overeen met het schrift der papyri van Edfu uit de derde 
eeuw v. Chr. (plaat xiv, Afb. 16), terwijl anderzijds lettertypen uit Habakkuk, enz. overeen¬ 
komst vertonen met documenten of inscripties uit de Herodiaanse tijd. Zo komt het dat 
Trever en anderen van mening zijn dat de handschriften uit de Herodiaanse tijd of zelfs 
ouder zijn. Het is hier niet de plaats om Trever's paleographische argumentatie in bijzonder¬ 
heden kritisch na te gaan; met het voorbehoud dat boven is gemaakt maakt zij echter geen 
slechte indruk, en komt grosso modo tot dezelfde resultaten als waartoe ook Albright 61 ) 
en Sukenik 62 ) zijn gekomen. Dat deze resultaten zijn bevestigd door het ceramisch onder¬ 
zoek mag als bewijs voor de juistheid er van gelden. 

Sukenik merkt nog op 63 ) dat het veelvuldig voorkomen van allerlei soort ligaturen tussen 
de verschillende letters van belang kan zijn voor de tekstkritiek van het Oude Testament, 
omdat zij bij copisten aanleiding konden geven tot zeer bepaalde fouten, die bij afwezigheid 
der ligaturen niet mogelijk of waarschijnlijk zouden zijn geweest. In het boek van de c Strijd° 
heeft hij meer dan 100 verschillende ligaturen ontdekt, soms van vier letters tegelijk 64 ). In 
het algemeen gesproken zal men ook voor het verklaren van andere tekstfouten rekening 
moeten houden met het schrifttype der rollen. Daar wij echter met een voorloper van het 
Tegenwoordige 0 kwadraatschrift te doen hebben, verschilt de mogelijkheid van vergissingen 
niet sterk van die bij het laatste. Bijzondere vermelding verdient het nog, dat waw en jod 
in de meeste handschriften niet van vorm verschillen; slechts in het Isaïashandschrift is de 
jod in zeer veel gevallen duidelijk van de waw onderscheiden. In de regel wordt de waw 
gevormd door een verticale streep van ongeveer gelijke lengte als de andere letters, met een 
klein haakje bovenaan links; de jod is op veel plaatsen even lang en heeft dezelfde vorm. 
Dit is zeer merkwaardig, want in het latere kwadraatschrift en ook al in de tijd van Mt. 5, 18 
is de jod de kleinste letter van het alfabet. Hoe de moeilijkheid moet worden opgelost is nog 
niet duidelijk; peremptorisch is zij in elk geval niet, want in de door Sukenik ontdekte 
c depinto° (geschilderd opschrift) boven een loculus in een Joods graf in de Cedronvallei, 
oostelijk van de Jobsput, uit de eerste eeuw a.d., heeft de jod dezelfde (lange) vorm als de 
waw 65 ). Hetzelfde is het geval in de inscriptie der synagoge van Kafr Bir'im (3de eeuw a.d.). 

Enkele andere paleographische bijzonderheden worden nog door Trever vermeld en met 
facsimile's geïllustreerd 66 ). In kolom 45 van de Isaïasrol is bij de overgang van Is. 54, 10 
naar 54, 11 waar te nemen dat de copist een ander schrijfinstrument heeft gebruikt; Trever 
denkt een nieuwe, scherpe pen 67 ). In kolom 28 van hetzelfde document heeft de oorspronke¬ 
lijke copist Is. 35, 1-2 en de vijf laatste woorden van het voorafgaande hoofdstuk niet opge¬ 
nomen, maar een regel open gelaten. Een latere copist heeft de ontbrekende woorden in kleine 
letters (anders zou er geen plaats geweest zijn) aangevuld. Hij heeft achter het laatste woord 


60 ) Zie BASOR 113, 1949, p. 20-21. 

61 ) Cf. zijn The Archaeology of Palestine, 1949, 
p. 222-223. 

62 ) Cf. zijn Megilldt Genuzdt , p. 13-16. 

63 ) Cf. o.c. } p. 15. 

64 ) l.c .; dat het belang dezer ligaturen, die ook in 
veel later tijd voorkomen, niet mag worden over¬ 


schat, is reeds gezegd. 

65 ) Zie het artikel van Sukenik, Ma c arat qehdrim 
jehüdit benahal qidrón (= Joodse grafspelonk in het 
Cedrondal), in het Hebreeuwse tijdschrift Tarbiz, vi, 
1934, P- 190-196, en de bij gevoegde afbeeldingen. 

66 ) Cf. BASOR 113, 1949, p. 8-9, 15, enz. 

67 ) Cf. BASOR iii, 1948, p. 8. 













54 


PALESTIJNSE PHILOLOGIE: DE ROLLEN 


van 34, 17c ( c öldm ) een klein cirkeltje geplaatst, heeft daarboven, in de margo, het eerste 
ontbrekende woord toegevoegd en heeft vervolgens de opengelaten regel gebruikt om in kleine 
letters (anderhalve regel lang) de rest aan te vullen. Volgens Trever vindt men eveneens in 
kol. 32 en 33 (en elders!) van Isaïas inlassingen van een andere (en latere) hand, terwijl 
in kol. 30 de oorspronkelijke copist Is. 37, 6-7 heeft ingelast in een opzettelijk open gelaten 
te kleine ruimte, die hem noodzaakte de tweede regel van de inlassing tussen twee normale 
regels te schrijven, en het eind er van (twee en een half woord) in de margo van boven naar 
beneden. Nog op andere plaatsen vindt men soortgelijke toevoegingen van weggelaten teksten; 
de belangrijkste der tot dusver gepubliceerde is te vinden bij Is. 40, 7-8 (kol. 33), een plaats 
die later in dit artikel nog zal worden besproken 68 ). Merkwaardig is vooral dat in de toe¬ 
voeging de naam Jahwe is weergegeven door een horizontaal rijtje van vier punten. Was dit 
een bijzondere manier om het tetragrammaton te schrijven, resp. niet te schrijven en alleen 
maar aan te duiden? Uit de gepubliceerde tekst is dit niet duidelijk, daar in de toevoeging 
de vier punten juist boven elóhênü (onze God), dat in de regel daar beneden voorkomt, staan; 
het is mogelijk, dat de latere copist heeft willen vermijden de goddelijke naam daarboven te 
schrijven en zich daarom in dit geval met punten heeft vergenoegd. Dit laatste is natuurlijk 
maar een veronderstelling, die voor elke betere verklaring moet wijken. Op te merken is nog dat 
het woord, dat in de tekst onder het eerste woord van de toevoeging staat, óók van vier 
punten is voorzien, naar het schijnt om aan te duiden dat de toevoeging, die een inlas is 
midden in een regel (en niet tussen twee regels, gelijk de vorige), vóór dit op deze wijze 
gemerkt woord dient te worden aangebracht. 

In de tekst van Habakkuk (niet in de commentaar, waar als godsnaam ël wordt ge¬ 
bruikt) is het tetragrammaton jhwh viermaal geschreven met archaïsche ( c Phoenicische :) ) 
letters 70 ), gelijk ook in teksten van Aquila is gebeurd, naar blijkt uit stukjes palimpsest van 
Koningen en Psalmen, gevonden in de Geriizah van Cairo 71 ). Een normaal voorkomend ver¬ 
schijnsel is natuurlijk het boven de regel toevoegen van woorden of letters die door de copist 
waren vergeten. Voorst zijn niet alle woorden van elkander gescheiden; de copisten waren wel 
eens slordig, vergisten zich, hadden plaatsgebrek en hadden soms de neiging twee woorden 
die nauw samenhoren (b.v. door status constructus) en/of andere die in de tegenwoordige 
masoretische tekst soms door maqqëf verbonden zijn, aaneen te schrijven. In hoever in dit 
laatste van systeem sprake is, kan slechts een bestudering van de volledige teksten leren. 


III — ORTHOGRAPHIE EN MORPHOLOGIE 

Na deze paleographische opmerkingen willen wij er enkele maken over orthographie en 
morphologie der teksten. Deze vertonen immers een merkwaardige, onder enkele opzichten 
zelfs geheel onverwachte orthographie, die in sommige gevallen zelfs een andere uitspraak 
veronderstelt dan de masoretische. Naar aanleiding hiervan heeft I. Engnell van Uppsala 
in een krantenartikel vlot beweerd, dat de conclusies waartoe P. Kahle is gekomen in zijn 
bekende masoretische studies, waarvan een samenvatting is te vinden in zijn laatste werk 
The Cairo Genizah 72 ), niet langer houdbaar zijn in het licht der jongste vondsten bij Ain 
Fasha 73 ). Het valt zeer te betwijfelen of men reeds zo spoedig tot een dergelijke en vooral tot 
zo'n algemene conclusie mag geraken; in elk geval bewijst de uitlating van Engnell wel 
welke belangrijke kwesties er aan de orde zijn gesteld. 


68 ) Zie p. 17-18; zie ook de afbeelding, linkse ko¬ 
lom, plaat ix. 

70 ) Een voorbeeld hiervan is te vinden in het fac¬ 
simile van Hab. 2, 13 enz., in BASOR 113, 1949, 
p. 9; een voorbeeld van de naam °ël in archaïsche 
letters kan men vinden op de afbeelding van een bij 
c Ain Fasha gevonden fragment, in de lil. London 
News 1949, p. 494; zie hierachter pl. xn, afb. 12, 
vierde regel van bovenaf. 


71 ) In een onvolledige noot in BASOR in, 1948, 
p. 14 30 verwijst Trever alleen naar de palimpsest- 
fragmenten van Kon.; men zie echter reeds Swete, 
An Introduction to the Old Testament in Gr eek, 
Cambridge, 1902, p. 34 w. 

72 ) Oxford, 1947. 

73 ) Aangehaald door B. J. Roberts in Expository 
Times, Aug. 1949, p. 306; Roberts is het niet met 
Engnell eens. 




III - ORTHOGRAPHIE EN MORPHOLOGIE 


55 


Een der kenmerken die het eerste opvallen is het veelvuldig gebruik der matres lectionis 
daar waar de tegenwoordige masoretische tekst ze niet heeft, en zelfs daar waar hij korte 
klinkers of hwa heeft. Opvallend is daarbij dat er van eenheid van spelling geen* sprake is. 
Hetzelfde woord kan, volkomen systeemloos, nu eens met, dan weer zonder mater lectionis 
worden geschreven, ofschoon de neiging bestaat de mater lectionis, voornamelijk de waw, daar 
te schrijven waar dit mogelijk is. Voor de copisten bestonden dus onder dit opzicht nog 
geen vaste regels. Het lijkt niet zeker dat de copisten overal waar zij de mater lectionis hebben 
geschreven een lange klinker hebben gehoord, zo b.v. in (= te, alle), dat meestal plene 
wordt geschreven, en in hofal-v ormen als ïNimPi (= iNinn, Is. 42, 22). Enkele andere 
voorbeelden mogen hier volgen, waarbij dan telkens de masoretische schrijfwijze in overeen¬ 
stemming is gebracht met die van Kittel' s Biblia Hebraica 3 : Isaias 38, 12 teïN (tetN); 
42, i moriK nonj*); 42, 6 pdttcni (TK*i); 42, n wtn (twn) ; 42,15 te>(te) ; 43,40*01*6 
(D^DN^)j 43, 16 JTD (PD) ; Is. 5, 3 ( 103 t£f); Hymnen, facsimile SüKENIK 74 ) plaat 12, 

regel 7 ( lahaó); op plaat 13, regel 8 vindt men achter elkaar en te; 

‘Strijd 5 , facsimile SUKENIK o. c. plaat 8, regel 9 ^ D (te); Sectarisch document, kol. 1 
re ge 1 3 75 ) (te), regel 6 Ni!? (N^>), regel 10 JtfHPl (JttTI); speciale belangstelling 

verdient de merkwaardige schrijfwijze DN1D (Massoreten: DN 3 ) Is. 43, 10 enz., die er 
op zou kunnen wijzen dat de massoretische punctuering van dit altijd nog niet geheel 
verklaarde woord niet de oorspronkelijke vocalen weergeeft, waarschijnlijker echter 
een gevolg schijnt te zijn van het feit dat de alef niet werd uitgesproken, zodat de 
plaats der mater lectionis van minder belang was. 

Een jod wordt minder vaak toegevoegd. Als voorbeelden kan men aanhalen 
Is. 42, 6 npwi (prntfl); 42, 9 mwn (i. p. v. nm^n, met weglating van de alef , vgl. 
reeds Job 8, 8); vormen als Is. 43, 14 (DHttO); ‘Strijd 5 , SüKENIK o.c. plaat 9, 

regel 6 (D*U); Is. 40, 2. 9 D^tm (oten*). 

Een aantal malen vindt men een alef , waar deze in de masoretische spelling ontbreekt. 
Zo zijn daar de vaak voorkomende vreemdsoortige vormen NU, N'Ö, NU, N^, in plaats 
van U, *ö, U en 6: maar ook Is. 42, i D*NU (D*U); 42, 5 NPrte (n*te); 42, 25 NUN ( 1 SN); 
Is. s, i NJTPI (= PPP! • schrijffout?); Is. 42, 5 NPlte? (rpte). Ook vormen als “INII? (== T)J?, 
blind), komen voor. Noteer ook Is. 42, 5 PHB (NTD). 

Merkwaardig is ook het veelvuldig toevoegen van een he aan suffixen, werkwoords¬ 
vormen, pronomina. In de eerste persoon enkelv. imperf. komt vaak de uitgang van 
de cohortatief voor, men vergelijke Is. 42, 1 PD 1 DHN (JDHN), 42, 14 HDtPN (DtPN), enz. 
Bij de tweede persoon enkelv. perf. vindt men de uitgang -ah, vgl. Is. 43, 22 PinN“lp 
(nN"lp); Hymnen, SüKENIK o.c,, plaat 12, regel 1 PIHDIP (i. p. v. HDtP), enz. Het suffix 
-ka, zowel nominaal als verbaal, wordt bijna altijd als PO- geschreven, vgl. bv. Is. 43, 1 
PONTO en PD*f 6 N 3 , enz. De suffixen -kern en -hem van het meervoud worden geschreven 
als HM- en PIDPI-, vgl, b.v. Is. 42, 9 PIÖDP 1 N; 42, 16 PIDPIUS^; men vindt vormen als 
Is. 43, 2 rui (*P); 43, 9 HftPQ; zelfs 42, 21 PtPiTïN'H (M: 1 HN*) met vrouw, suffix. De 
pronomina van de derde persoon enkelvoud vindt men soms geschreven als PINIPI 
(Is. 42, 8) en PlN^Pi (‘Strijd 5 SüKENIK o.c., plaat 9 regel 1); 2de persoon meervoud 
piftnN (is. 43, 10). 

Deze afwijkende spelling, die somtijds op een ander klankbeeld wijst dan het masoretische, 
komt overal in de documenten voor, doch het sterkst in de Isaïastekst. Het voorkomen van het 
suffix -kak schijnt de mening van Kahle en anderen te weerspreken, dat -ka (met lange 
eindklinker) door de Masoreten is ingevoerd, in navolging van een bepaalde wijze van uit- 

T5 ) Men zie de afbeelding in dit Jaarbericht, 
plaat x, Afb. 8. 


74 ) In Megillót Genüzöt. 













56 


PALESTIJNSE PHILOLOGIE : DE ROLLEN 




spreken van de tekst van de Koran 76 ). Men dient m.i. echter te bedenken dat, al is het nu 
duidelijk, dat bepaalde uitspraken in het Hebreeuws in zwang zijn geweest vóór de tijd 
der Masoreten, het nog niet evident is dat zij ook oorspronkelijk zijn, en ooit algemeen 
zijn geweest. Bij de suffixen -kern en -hem, en bij het pronomen attem(ma) is de uitgang -a 
zeker oorspronkelijk semietisch en zal dus in een voorstadium van het Hebreeuws wel hebben 
bestaan. Bestond zij echter nog in het klassiek Hebreeuws, zoals b.v. dat der boeken Samuel? 
Of is ze in de spelling (en uitspraak) der copisten van onze rollen onder vreemde invloed 
terecht gekomen ? Ziehier een aantal vragen die op een oplossing wachten. Wat de pronomina 
en suffixen betreft, zij men herinnerd aan die der Samaritanen, die de vormen attémma (ge¬ 
schreven 0 tm ), -kémma (geschr. -km), -emma (geschr. -hm) kennen, terwijl bij het werk¬ 
woord de vormen qatalta (geschr. qtlth) en qataltemma (geschr. qtltm) voorkomen. Het 
Samaritaans is in de vorm waarin het door Petermann in zijn grammatica is beschreven 77 ) 
een mengsel van Hebreeuws en Aramees; het is niet onmogelijk dat de door Petermann ver¬ 
melde uitspraak van suffixen, affirmatieven en pronomina uit een oud, vóórmasoretisch 
stadium der uitspraak van het Hebreeuws stamt, maar is het niet evident dat deze uitspraak 
in het Hebreeuws een algemene is geweest. Er kan immers een fluctuatie hebben bestaan, zowel 
wat tijd als wat plaats betreft. In een artikel Der Paldstinische Handschriftenfund 78 ) geeft 
W. Baumgartner als zijn mening te kennen, dat het gebruik der matres lectionis, het ver¬ 
wisselen van alef en he, de schrijfwijze jrsljm (i.p.v. jrslm) op het eerste gezicht van later tijd 
schijnt te zijn als de masoretische orthographie; de paleographie wijst echter op een vroegere 
periode. Hij laat de vraag naar de ouderdom der handschriften daarom liever open. 

Met het vraagstuk van de betekenis der orthographie der rollen hangt nauw een ander 
samen, dat nog steeds te weinig aandacht heeft gevonden. Het is namelijk een veel verbreide 
opvatting, dat reeds enkele eeuwen vóór het begin onzer jaartelling in Palestina het Hebreeuws 
als gesproken taal door het Aramees is vervangen, zodat het Hebreeuws toen had opgehouden 
een levende taal te zijn. Een taal is als levend te beschouwen zolang een groep mensen in 
staat is daarin op normale, vlotte en ongedwongen wijze alles uit te drukken wat in haar 
leeft, dus haar gedachten, gevoelens, enz. Nu is er veel voor te zeggen dat nog eeuwen na de 
ballingschap veel Joden tweetalig zijn gebleven. Zuivere grenzen zijn niet aan te geven, zoals 
ook het begrip c levende taal 0 niet zuiver te begrenzen is; het is echter duidelijk dat het 
Hebreeuws tot diep in de Middeleeuwen toe, en misschien wel tot op heden, nimmer een c dode° 
taal is geweest in de volle zin van het woord. Men kan er immers een grammaticale en idioma¬ 
tische ontwikkeling in constateren, die niet geheel en zonder meer aan externe invloeden is 
toe te schrijven, doch die minstens gedeeltelijk van binnen uit moet zijn geschied; het 
Hebreeuws der Misna en dat der Middeleeuwen heeft b.v. vele woorden die in geen andere 
Semietische taal voorkomen en toch niet ontleend zijn aan de H. Schrift. Dit alles zijn tekenen 
van leven. Aan dit leven der taal zal ook de uitspraak wel deel hebben gehad en deze is het 
die natuurlijk zeer sterk vreemde invloeden kan hebben ondergaan, terwijl zij ook tijdelijke en 
plaatselijke fluctuaties kan hebben vertoond. Daarom is het zeer moeilijk en lijkt het voorbarig 
nü al een definitief oordeel te vellen over de kwesties van morphologie en orthographie die 
door de vondst der rollen aan de orde zijn gesteld. 


IV — DE AFZONDERLIJKE ROLLEN 


A — Isaïas-rol, plaat ix, Afb. 6 


Na deze algemene beschouwingen een kort woord over de afzonderlijke rollen. Facile 
princeps van de gehele verzameling is ongetwijfeld de Isaïasrol der Syriërs. Volgens de 
opgaven van Trever, waarvan hier en in de volgende bladzijden gebruik is gemaakt 79 ), 


76 ) In zijn The Cairo Geniza, London 1947, p. 95- 
102. 

77 ) J. H. Petermann, Brevis Linguae Samarita- 
nae Grammatica, Litteratura, Chrestomathia (= Por- 
ta Linguarum Orientalium in), Berolini 1873. 


78 ) Theologische Rundschau xvn, 1948/9, p. 329- 
346; zie vooral 343-344. 

79 ) J. C. Trever, Preliminary Observations on 
the Jerusalem Scrolls, in BASOR in, 1948, p. 3-16. 




_ 




IV — DE AFZONDERLIJKE ROLLEN : A — ISAÏAS-ROL 


57 


bestond zij aanvankelijk uit 17 vellen grof perkament of leer, die met een draad op ietwat 
grove en onhandige wijze zijn aaneen genaaid, gelijk men op de afbeelding kan zien 80 ). De 
stukken zijn niet even lang, maar wel alle ongeveer 25 cm breed; de hele rol is ongeveer 7 m 
lang. De tekst is in 54 kolommen geschreven, die niet alle even breed zijn, daar de afzonder¬ 
lijke stukken leer waaruit de rol bestaat in lengte variëren en het niet doenlijk was over de 
naden heen te schrijven. Het aantal regels per kolom is (op de afbeelding) 39. Oorspronkelijk 
was aan de eerste kolom een stuk leer genaaid dat dienen moest als hul of omslag; de sporen 
van het vasthechten zijn nog zichtbaar, het stuk zelf is verdwenen. Aan het laatste vel perka¬ 
ment was een dergelijk stuk leer niet bevestigd, terwijl de toestand waarin dit verkeert er 
volgens Trever op wijst dat er ook nooit een stok of iets dergelijks aan heeft vast¬ 
gezeten om de boekrol er op te rollen of om haar er mee vast te houden. De rol vertoont 
uiterlijk alle tekenen van langdurig gebruik. De donkere kleur die zij over de hele lengte in 
het midden vertoont (men zie de afbeelding) is afkomstig van de vele handen die haar hebben 
vastgehouden. Twee flinke scheuren zijn al oudtijds met veel zorg hersteld; een ervan had 
men genaaid, bij een andere had men aan de achterzijde een stukje leer geplakt. Zes kleinere 
scheurtjes waren met fijne draad gehecht. Al oudtijds bros geworden stukken waren versterkt 
door er aan de achterzijde stukjes leer (van verschillend soort) tegen te plakken. Wij geven 
hier al deze details weer, omdat ze duidelijk bewijzen dat de rol al vrij oud moet zijn geweest 
toen zij rond het jaar 100 v. Chr. in de grot bij Ain Fasha werd opgeborgen. Dit laatste 
wordt nog bevestigd door het feit, dat sommige correcties en/of toevoegingen, die in de tekst 
zijn aangebracht van een andere, naar Trever veronderstelt, latere hand zijn. De Vaux meent 
dat er niets op tegen is aan te nemen dat het handschrift uit de derde eeuw is, d.w.z. voor- 
makkabees 81 ). 

Wat de tekst zelf betreft, moet worden gezegd dat hij weliswaar van groot belang is 
voor de tekstkritiek, maar toch niets sensationeels aan het licht heeft gebracht Een lange reeks 
varianten is gepubliceerd door M. Burrows, in twee artikelen 82 ), waaruit men de indruk 
krijgt dat in het algemeen genomen de Masoretische tekst beter is dan die van de oude rol. 
De vondst bewijst dus met welk een getrouwheid de Masoretische tekst steeds is overge¬ 
leverd. In het handschrift van Ain Fasha vindt men hier en daar kleinere omissies, zo nu en 
dan leest men een ander woord of een andere vorm van een woord, somtijds vindt men ook 
een plus. Voorts komen omstellingen van woorden of woordenreeksen voor en verder 
natuurlijk alle gewone fouten waaraan copisten zich plegen schuldig te maken. Het is duide¬ 
lijk dat de copist niet te werk is gegaan met die nauwkeurigheid die de latere Masoreten aan 
de dag hebben gelegd, doch hiertoe is hij, zonder omvangrijke tekstvergelijkende studies ook 
niet in staat geweest. Dat men waarde hechtte aan een zuivere tekstvorm, ook in details, is 
duidelijk uit de correcties; dat men echter geen zuivere tekstvorm bezat, is ook evident, 
terwijl tevens alles er op wijst dat er in de tijd van de copist nog geen bestond die al zó 
gefixeerd was als die der latere Masoreten. Wij hebben dus te maken met een min of meer 
vulgaire, populaire tekstvorm, die al tamelijk ver gefixeerd was, en waarvan de onjuistheden, 
afwijkingen of aarzelingen geheel of bijna geheel aan de schriftelijke overlevering kunnen 
worden toegeschreven. 

Van de latere toevoegingen zijn er twee zichtbaar op de afbeelding op plaat ix van 
dit Jaarbericht. De eerste betreft Is. 38, 21-22: „En Isaïas sprak: men neme een vijgenkoek 
en bestrijke daarmee de zweer, en hij zal genezen. En Ezechias sprak: wat is het teken dat 
ik zal opgaan naar het huis van Jahwe?” Deze verzen horen zo goed als zeker in de oorspron¬ 
kelijke Isaïas-tekst niet thuis; het zijn latere toevoegingen, geïnspireerd door II Kon. 20, 7-8. 
Dat zij in onze tekst oorspronkelijk niet werden aangetroffen is opvallend. De tweede toe¬ 
voeging betreft Is. 40, 7-8, die in vertaling (Mas.) aldus luiden: 


80 ) Zie dit Jaarbericht, plaat ix, Afb. 6 . 82 ) Variant Readings in the Isaiah Manuscript, 

81 ) Cfr. La Vie Intellectuelle, 1949, p. 589. BASOR in, 1948, p. ‘16-24; 113, 1949, p. 24-32. 


Jaarbericht Jtfo. 11 


5 














5 8 


PALESTIJNSE PHILOLOGIE: DE ROLLEN 


v. 7a Het gras is verdord, de bloem is verwelkt, 

b want de Geest van Jahwe heeft er over geblazen; 
c (ja, het gras is het volk; 

v. 8a Het gras is verdord, de bloem is verwelkt, 

b maar het woord van onze God houdt eeuwig stand. 

In de tekst van de rol heeft de oorspronkelijke copist 7bc + 8a weggelaten, resp. 
niet gelezen (conform de lezing der Septuaginta). Een latere copist heeft tussen de regels 
en in de margo toegevoegd hetgeen er volgens hem ontbrak, waarbij de twee laatste woorden 
eigenlijk te veel zijn: 

wfo* ■nn v'ï bj -pïn ipi’ oyn -vxn px nu ratw_rrn u 

Het is mogelijk, dat de masoretische tekst (7ab + 8ab) de meest oorspronkelijke is, maar 
ook kan het zijn dat deze zijn ontstaan dankt aan het onder elkaar plaatsen van z.g. alterna- 
tieflezingen, d-w.z. varianten van een en dezelfde tekst die een copist beide heeft opgenomen, 
omdat hij geen oordeel kon of wilde vellen over de juistheid van de ene of de andere lezing. 
In de hierboven aangehaalde toevoeging duiden de vier punten het tetragrammaton jhwh aan. 
De (latere) copist schijnt het onnodig te hebben geacht hier de naam van God voluit te 
schrijven; een andere verklaring der vier punten is tenminste vooralsnog niet te geven. 

Zoals boven al is gezegd, heeft de oorspronkelijke copist in sommige gevallen enkele 
verzen niet gecopiëerd, maar daarvoor een regel open gelaten. In 34, 17 had hij na c ad Q öldm 
alles weggelaten t.e.m. 35, 1-2; daar de tekst dezer passage niet bijzonder moeilijk is, ligt het 
vermoeden voor de hand dat de copist hier ter plaatse een onleesbare tekst vóór zich had. 
Het slot van 37, 6, te beginnen met aser sdma c td is weggelaten en daarbij aansluitend het 
hele vers 7; de ontbrekende woorden zijn later tussen de regels toegevoegd, over de naad heen 
en dan van boven naar beneden in de margo van de volgende kolom geschreven. 

Zo nu en dan heeft het handschrift lezingen die overeenkomen met die van oude vertalingen. 
In hfdst. 36-39 gaat het soms samen met de paralleltekst uit II Kon., maar in de meeste 
gevallen gaat deze laatste, waar er varianten zijn, samen met Isaïas tégen het handschrift. 
In 49, 24 leest het hs. ynV i.p.v. pnx, zoals o.a. Kittels BH 3 al had voorgesteld, in overeen¬ 
stemming met de Septuagint. Een belangrijke variant ontmoet men in 53,11; de Mas- T. 
leest hier „na/door de ellende van zijn ziel zal hij zien, zich verzadigen”, maar in overeen¬ 
stemming met de Septuagint leest het handschrift „.... zal hij licht zien” 

Indien deze tekst oorspronkelijk is, kan men er duidelijker dan dit nu het geval is uit lezen 
dat de lijdende Dienaar van Jahwe na zijn dood weer zal leven. Varianten zo belangrijk als 
deze komen echter zelden in het handschrift voor. Een enkele maal is er overeenstemming 
met de Vulgaat, tégen de masoretische tekst; somtijds ook met de Targum. Vele malen is er 
overeenstemming met de masoretische tekst tégen de oude vertaling en vaak ook tégen 
moderne tekstcorrecties, al is dit laatste somtijds ook niet het geval. De hybridische alternatief- 
vorm van 63, 3 komt niet voor, en in plaats daarvan vindt men de normale 

vorm Ttau. Het vermoeden dat men in 54, 13 bönaik moet lezen i, p. v. bdnaik wordt 
gesteund door de lezing WO. In 37, 27c leest het handschrift HDDp DHp rptrjn nUJ Txrï; 
het laatste woord „Uw ópstaan” moet gekoppeld worden aan v. 28 en op deze wijze 
krijgt men evident een betere tekst. In 40, 17 leest het hs. 02*0') i. p, v. D 3 ND. 

Voorts komen er in de tekst fouten voor, die volgens Burrows suggereren dat hij werd 
gecopieerd naar dictaat; de laatste veromders telling is echter, hoewel misschien juist, toch 
onvoldoende gefundeerd, daar men moet bedenken dat de copist zijn tekst vermoedeliik geheel 
of grotendeels van buiten kende en dus niet altijd naar zijn voorbeeld behoefde te zien. 
Somtijds worden in het hs. in plaats van de letters voor de emphatische medeklinkers die 
voor de niet emphatische gebruikt of omgekeerd; c ain wordt weggelaten, vervangen door alef 
of door he of het , enz. Zo leest men in 5, 4 (i.p.v. rwittl, Mas. T. tWï); 5, 5 

nn*o (i. p. v. nnn); in 16, 1 rteD (i. p. v . i^de) ; in 26, 12 wn (i. p. v. nsi^n); in 37, 30 
Ü'VV (i.p.v. DW); in 38, 13 TVW (i.p.v. W); in 42, 2 VVV (i.p.v. plW); in 65, 14 


IV — DE AFZONDERLIJKE ROLLEN: A — ISAlAS-ROL 59 

Ipum (i. p, v. pitten). Burrows noemt verder nog een zestiental wat hij noemt „con- 
jectural restaurations or emendations” op, d. w. z. conjecturen die door de copist 
zelf schijnen te zijn gemaakt. Deze zijn somtijds opzettelijke verbeteringen van on¬ 
bevredigende of onverstaanbare lezingen. Uit het door BURROWS gepubliceerde 
variantenmateriaal zij nog de volgende greep gedaan: 43, 19 mi'rtf (i.p.v. nnn:) ; 
45, 8 msn (i.p.v. mi); 53, 9 ot (i.p.v. fm); 53,10 irMm (i.p.v. ^nn). Uit de 
gewoonte die men blijkbaar had de naam Jahwe niet uit te spreken komt het voort 
dat de Godsnaam op verschillende wijzen wordt weergegeven, en BURROWS noemt 
dit “one of the most striking features of the manuscript” 83 ). In 42,6 wordt de naam 
Jahwe weggelaten en worden vijf punten boven het volgende woord geplaatst. Somtijds 
wordt de stijl gladder of prosaïscher gemaakt, vgl. 48, 17 waar JTD geworden 
is tot m 1 UW JTQ. In zeven gevallen geeft het handschrift ook de lezing van het 
masoretische qerè en niet die van het ketib weer. 

Deze greep uit de reeks varianten moge volstaan om de lezer een beeld te geven van de 
aard van de tekst van het handschrift. 

B —• Habakkuk en commentaar, plaat ix, Afb. 7 

De tweede bijbeltekst die is aangetroffen is die van de kleine profeet Habakkuk, met 
commentaar. De rol waarop deze voorkomt is helaas niet geheel gaaf, al verkeert het schrift 
zelf in uitstekende conditie. Oorspronkelijk moet zij ongeveer 1,60 m lang zijn geweest; aan 
het begin verkeert zij in zeer slechte conditie, en mogelijk ontbreekt de eerste kolom. De 
grootste breedte is heden 14 cm, doch deze is niet de oorspronkelijke, daar een gedeelte van 
de onderkant van het document is weggevreten, terwijl wormen ook nog hier en daar gaten 
in het leer hebben gemaakt. De tekst was geschreven in ten minste 13 kolommen, die elk 
minstens 17, maar waarschijnlijk 19 of 20 regels hebben geteld. De rol zelf bestaat uit aan- 
eengenaaide vellen leer, die op het ogenblik een diep goudbruine kleur tonen. Een afzonder¬ 
lijke hul is misschien niet aanwezig geweest; mogelijk heeft het lange einde van het laatste 
vel daarvoor gediend. Vóór de copist zijn werk begon heeft hij horizontale lijnen aangebracht 
voor de regels, verticale voor de kolommen. De naam jhwh heeft hij in de gewijde tekst met 
archaïsche letters geschreven, maar in zijn commentaar heeft hij de naam êl gebruikt (gewoon 
geschreven; anders plaat xii, Afb. 12). 

Wat nu de tekst zelf betreft is het van belang op te merken dat de copist slechts de twee 
eerste hoofdstukken van Habakkuk heeft gecopieerd en verklaard. Het derde en laatste 
hoofdstuk, een psalm die een theophanie, samengaande met een goddelijk strafgericht, be¬ 
schrijft, wordt door veel uitleggers als niet oorspronkelijk beschouwd. Dit laatste, hoewel 
mogelijk, is onbewezen; het ontbreken van Hab. 3 in onze commentaar zou men echter als 
nieuw argument voor de onechtheid, beter niet-oorspronkelijkheid kunnen beschouwen. Men 
bedenke echter dat dit argument, al is het niet zonder waarde, niet dwingend is, omdat het 
mogelijk is dat de commentator voor zijn doel aan Hab. 1-2 genoeg meende te hebben. 
Trever heeft slechts vijf toevoegingen van woorden tussen de regels van de tekst aan¬ 
getroffen, waarvan er twee van een andere hand schijnen te zijn; enkele malen zijn ook 
ontbrekende letters toegevoegd. In een aantal gevallen heeft de copist een kruisje (X) aan 
het eind van een regel geplaatst die hij niet geheel vol had geschreven; dit is echter niet met 
alle (gedeeltelijk) open regels het geval. 

Van de tekst met commentaar is een vertaling gepubliceerd door W. H. Brownlee 84 ). 
Het is spijtig dat hierbij niet de volledige Hebreeuwse tekst is af gedrukt, daar controle op dc 
vertaling nu niet mogelijk is. Toch ware deze zeer gewenst omdat de vertaling niet gemakke¬ 
lijk is te begrijpen; meer in het bijzonder is het niet voldoende duidelijk of de „leraar der 

S3 ) BASOR 113, 1949, p. 31. 84 ) W. H. Brownlee, The Jerusalem Habakkuk 

Scroll , BASOR 112, 1948, p. 8 J i8. 






6o 


PALESTIJNSE PPIILOLOGIE *. DE ROLLEN 


IV - DE AFZONDERLIJKE ROLLEN : B - HABAKKUK EN COMMENTAAR 


6l 


gerechtigheid” waarvan telkens sprake is een persoon uit het heden of uit de toekomst is. 
Om dit laatste met wat meer zekerheid te kunnen bepalen zou men minstens de vormen der 
Hebreeuwse werkwoorden moeten kennen. Men heeft er verder nog over gestreden of de 
commentaar, die aan de tekst van Habakkuk vers voor vers is toegevoegd, al of niet de 
naam midras verdient. Deze vraag heeft slechts zin wanneer men met midras uitsluitend 
de bekende rabbijnse schriftverklaring van die naam bedoelt; ziet men de zaak zo, dan is het 
inderdaad mogelijk verschillen te constateren, maar de mate waarin men dat doet hangt weer 
af van de betekenis die men aan de Habakkukcommentaar hecht: bedoelt deze namelijk een 
echte commentaar te zijn, d.w.z- een verklaring van de letterlijke zin, of heeft hij eerder een 
haggadisch karakter? Hoe dit echter ook zij, men kan aan de commentaar zeker de naam van 
midras geven als men bedenkt dat dit woord oud is, al in Kronieken voorkomt (II Kron. 13, 
22; in welke zin is niet duidelijk), en zeker van het begin af aan is gebruikt als naam voor 
schriftverklaring. 

In Hab. 1 klaagt de profeet over de slechtheid, het onrecht, de verdrukking, die hij in 
zijn eigen kringen (Juda?) bespeurt: de wet wordt verkracht en de goddeloze houdt de vrome 
gevangen (v. 4). Jahwe roept nu de Chaldeeërs op, die de hele wereld teisteren; de profeet 
klaagt er over en vraagt hoe Jahwe het kan aanzien dat dezen zoveel onheil stichten? In 
Hab. 2 spreekt Jahwe vijf maal zijn c wee° uit over de goddelozen, speciaal over de Chal- 
deërs, die zwaar zullen worden gestraft; slechts de rechtvaardige blijft leven door zijn ge¬ 
trouwheid (v. 4). De gewraakte zonden zijn vooral: hebzucht, uitbuiting, moord, tyrannie, 
afgoderij. 

In de commentaar spelen een grote rol de C slechte priester 0 (ymn JTO) en de Rechtvaar¬ 
dige leraar 0 , c leraar der gerechtigheid 0 (npTsn rVTIft), de laatste al bij de verklaring van Hab. 
1, 4 ( hassaddiq ). Brownlee neemt aan dat in het verloren gegane gedeelte van de commen¬ 
taar op dit vers ook van de C slechte priester 0 sprake moet zijn geweest, een persoonlijkheid die 
verderop herhaaldelijk wordt genoemd. Onder de Chaldeeërs in 1, 6 verstaat de commentator 
de Kitti’im (DWrO ; spelling anders dan in de Mas- T.). Vroegere exegeten (Brownlee 
noemt Duhm en Torrey) hadden voorgesteld om hier hakkittim te lezen i.p.v. hakkasdim , 
terwijl sommigen de tekst nog anders lezen (vgl. Septuagint en Kittel’s LH 3 ), een bewijs 
dat zij in dezelfde richting hebben gedacht als de commentator. Het gei dlicium Kittim 
komt het eerst voor in Gen. 10, 4 waar er een volk mee wordt aangeduid dat tot de groep 
Jdwdn behoort, die zelf weer afstamt van Japhet; in een aantal teksten schijnen de inwoners 
van Cyprus zo te heten. In later tijd schijnt het echter een soort crypto-aanduiding te zijn 
geworden voor anderen, speciaal voor heidense veroveraars 85 ), en zo wordt in de Septuagint- 
tekst van Dan. 11, 30 DTOjD^k vertaald door 'p upoiïoi, terwijl de Vulgaat in Ez. 27, 6 DTO 
vertaalt door Italia. In het boek van de c Strijd van de Kinderen des lichts tegen de Kinderen 
der duisternis 0 is sprake van de ‘WN en de Dnïft *]"D, waarin men met Sukenik waar¬ 
schijnlijk wel de bewoners van de rijken van Seleucieden en Ptolemeeërs mag zien 86 ). In de 
commentaar komen de Kittim met alle volkeren om onheil aan te richten (kol. 3, 6), zij 
nemen steden in (kol. 4, 7). God zal zijn eigen volk niet vernietigen, maar door zijn uitver¬ 
korenen de wereld oordelen en kastijden (kol. 5, 3 vv.). De Kittim leggen zware belastingen 
op en verarmen vele landen, terwijl zijzelf er goed van leven (kol. 6, 6-8). Het is duidelijk 
dat de identificatie dezer Kittim afhangt van de exegese en de tijd van ontstaan van de 
hele tekst. 

In kol- 2, 1-2 spreekt de tekst van de C slechte priester 0 en de c leugenmens° ( 1DH ) 
tegenover de Rechtvaardige leraar 0 . In kol. 7, 1 is sprake van ypr\ , deer Brownlee weer¬ 
gegeven met „the final phase of the end”. De commentaar op Hab. 2, 4b wordt aldus 
vertaald: „lts meaning concerns all the doers of the Law in the house of Judah whom God 
will deliver from the house of judgement for the saké of their labour and their faith in the 

S5 ) Zoals het in later tijd bij de Joden gebruik is 8G ) Megillöt Genüsöt, p. 18. 
geworden het Romeinse rijk, en in de Middeleeuwen 
ook de Katholieke Kerk, aan te duiden met de naam 
van het verfoeide Edom. 


Teacher of Righteousness” 87 ). In kol. 8 gaat het nog over de C slechte priester 0 , bij gelegen¬ 
heid van de commentaar op Hab. 2, 5-6; hij Regeerde 0 in Israël en deed daar veel kwaad, 
ontnam veel Israëlieten hun bezit, maar nam ook dat van veel heidenen; deze man wordt 
gestraft (Hab. 2, 7~8ab). In kol. 9 leest men in de vertaling van Brownlee, dat de laatste 
priesters van Jeruzalem aan de Kittim „the spoil of the peoples” zullen moeten af staan die 
zij hadden verzameld. Hab. 2, 8cd wordt verklaard van de slechte priester die God in de 
handen van zijn vijanden gaf omdat hij had misdaan tegen de rechtvaardige leraar. In kol. 10, 
9 wordt Hab. 2, 12-13 uitgelegd van de nrm rpDD („die een leugenachtig getuigenis aflegt”, 
leugens verkondigt). Bij Hab. 2, 15 merkt de commentaar in Brownlee’s vertaling op: „lts 
meaning concerns the wicked priest who persecuted the Teacher of Righteousness”. 

Men krijgt de indruk, dat in de commentaar op Habakkuk gedoeld wordt op histo¬ 
rische personen en feiten. Welke dat zijn, is niet gemakkelijk te zeggen. Het is waarschijnlijk 
dat de in de grot bij Ain Fasha gevonden litteratuur toebehoord heeft aan leden van een 
Joodse secte, zoals beneden nog zal blijken; daarom heeft men al verondersteld, dat de 
c leraar der gerechtigheid 0 waarvan in de commentaar telkens sprake is, de stichter dezer secte 
is, die dan in conflict is gekomen met de C slechte priester 0 - Men bedenke echter dat de uit¬ 
drukking möreh lisedaqah al in Joël 2, 23 voorkomt en daar in de uitleg van Hiëronymus de 
Messias is, een uitleg die ook die van de Masoreten schijnt te zijn. Nu lijkt möreh hassedeq 
te veel op möreh lisedaqah dan dat men de gedachte van zich kan afzetten dat deze met 
elkaar in verband staan, zodat men dus vooralsnog de mogelijkheid van een messiaanse ver¬ 
klaring schijnt te moeten openlaten. Bovendien zal men bij de verklaring van deze en andere 
termen rekening moeten houden met de gelijkluidende uitdrukkingen in het z.g. Sadoqietische 
of Damascus fragment, waarover verderop in dit artikel. Brownlee heeft in een tweede 
artikel 88 ) een andere vertaling van sommige passage’s voorgesteld dan die welke hij het 
eerst had gegeven; het wachten is op de [inmiddels verschenen] tekstuitgave. 

Naar aanleiding van de Commentaar op Hab. 1, 13 heeft D. N. Freedman nog enkele 
beschouwingen ten beste gegeven. Deze tekst was door Brownlee als volgt vertaald: „Why 
do ye countenance the treacherous and keep silence, while the wicked does swallow one more 
righteous than himself ? lts meaning concerns the house of Absalom and the mention of 
their counsel who were silent at the reproof of the Teacher of Righteousness and did not help 
him against the Man of Lie, who had rejected the Law among all peoples” 89 ). Freedman 
oppert de veronderstelling dat het c huis van Absalom 0 lieden waren, of aanduidde, die zich 
afzijdig hielden bij de strijd van de leraar der gerechtigheid met de slechte priester; c Absalom° 
zou dan identiek kunnen zijn met de gelijknamige persoon die in I Makk. 11, 70; 13, 11 
vermeld wordt als eponymus of vader van Mattitja en Jonathan, Joodse troepenaanvoerders 
uit de tijd van de Makkabeeën. Ook zou men volgens hem kunnen denken aan Absalom, 
zoon van Hyrcanus I, die het hoofd was van een belangrijk huis in de eerste eeuw v. Chr. 
Aangezien echter in de gehele commentaar doorlopend crypto-aanduidingen voorkomen, lijkt 
het toch wel het meest voor de hand liggend, dat ook de uitdrukking c huis van Absalom 0 er 
een is. Ten slotte zij nog opgemerkt dat sommige uitdrukkingen van de commentaar 
(ypn f'nnxn Tnn ) een eschatologische karakter dragen. 

C — Het c Sectarisch° geschrift, plaat x, Afb. 8 

De derde belangrijke rol die in de zomer van 1947 in het bezit is geraakt van de Syrische 
bisschop van Jerusalem heeft van de Amerikanen de lelijke naam c Sectarian Document 0 ge¬ 
kregen. Hij bestaat uit vijf vellen nog al dik leer, is dt 1,86 m lang en 24 cm breed. Aan de 
eerste kolom was vroeger een leren hul bevestigd, juist als bij de Isaïas-rol, die echter niet 
meer aanwezig is. Volgens Trever had de rol ook nog een hul aan het (andere) einde 90 ). 

87 ) BASOR 112, 1948, p. 13. lom” in the Habakkuk Scroll”, in BASOR 114, 1949, 

88 ) Further Light on Habakkuk, BASOR 114, p. 11-12. 

1949, p. 9-10. 90 ) BASOR in, 1949, p- IL 

89 ) Zie Freedman’ s artikel The “House of Absa- 



62 


PALESTIJNSE PHILOLOGIE : DE ROLLEN 


Toen de Amerikanen haar voor het eerst zagen was zij in tweeën gebroken. De conditie waarin 
zij nu nog verkeert wijst er op, dat zij oudtijds bij lange na niet zoveel is gebruikt als die 
van Isaïas; er zijn geen sporen van reparaties of van slijtage; de kleur is geel. De tekst is 
over elf kolommen verdeeld; het aantal regels per kolom varieert, gemiddeld is het 26. Gelet 
op de ouderdom van het handschrift moet men zeggen dat het betrekkelijk weinig heeft 
geleden; de eerste drie kolommen vertonen aan de bovenzijde wormgaten, die in kol. 1 een 
deel van de eerste twee regels van de tekst hebben doen verdwijnen. De onderzijde van de rol 
ziet er minder mooi uit; daar vertonen alle benedenste regels, en soms de twee benedenste 
regels, lacunen die het werk zijn van wormen die zich aan het oude leer hebben vergast (men 
zie de afbeelding van kolom 1 in dit Jaarbericht, waarop tevens rechts de gaten van de draad 
zichtbaar zijn waarmee de hul was vastgehecht). Er zijn maar zwakke sporen overgebleven van 
door de copist getrokken lijnen (op de afbeelding zijn er geen te zien), hetgeen misschien 
verklaart waarom het schrift wat onregelmatiger is dan dat der andere rollen. Het maakt ook 
de indruk van het werk te zijn van een ietwat beverige hand, misschien die van een oud man 
die dan tevens de zwak getrokken lijnen niet overal goed heeft kunnen zien. Daar in later 
tijd het schrift op sommige plaatsen moeilijk leesbaar was doordat de inkt was verbleekt, 
heeft iemand een aantal letters nog eens overgetrokken, vooral in de eerste en de laatste 
kolom. Daar dit op de zwart-wit reproducties niet altijd te zien is, is de paleographische 
waarde van deze laatste slechts betrekkelijk. De oorspronkelijke copist heeft zijn tekst op een 
aantal plaatsen uitgeradeerd, om er andere woorden voor in de plaats te zetten; ook op 
andere wijzen heeft hij verbeteringen en veranderingen aangebracht. De tekst is verdeeld 
in pericopen, die duidelijk zijn aangegeven door het inspringen van de eerste en het gedeeltelijk 
open laten van de laatste regel. De vorm der letters komt sterk overeen met die van de 
Isaïasrol, maar is daar toch in sommige gevallen goed van onderscheiden. 

Van de tekst is tot dusverre helaas slechts een photographische reproductie van de eerste 
kolom gepubliceerd 91 ), benevens de eerste tien regels van kol. 5 92 ). De eerste pericope 
schijnt te handelen over de ceremonie van opneming in de broederschap of secte waar het 
document van uitgaat. Kol. 1, regel 16 vv.: „En allen die komen tot de ordening 93 ) der 
gemeenschap, zullen voor God ( êl ) een verbond sluiten om te handelen in overeenstemming 
met alles wat Hij heeft bevolen en om niet van Hem af te wijken uit enige vrees of schrik 
of verhoor of leven (?) in het rijk van Belial (^irïo). En wanneer zij het verbond sluiten 
moeten de priesters en de Levieten de God des heils zegenen en alle werk zijner waar¬ 
achtigheid (inDN nw). En al degenen die het verbond sluiten moeten daarna zeggen: „Amen, 
amen!” Daarna (tweede pericope) moeten de priesters Gods wonderdaden verhalen en 
spreken van zijn barmhartigheid voor Israël, terwijl de Levieten moeten spreken van 
de zonden waaraan Israël zich heeft schuldig gemaakt c in het rijk van BeliaP; daarna 
moeten zij, die het verbond sluiten een algemene schuldbelijdenis opzeggen. Men moet 
bij dit alles onwillekeurig denken aan de c verbondszonen° die in de oude Syrische 
kerk bestonden, en waaronder men degenen verstond die zich publiek hadden verplicht tot een 
veel strengere levenswijs dan die der overige Christenen. Met c verbond° wordt bedoeld wat wij 
nu een c belofte° zouden noemen; uit alles blijkt dat degenen waar het in het C sectarisch° 
document over gaat Joden waren die zich publiek tot een bijzonder ijverig naleven van de 
wet hadden verplicht. 

In het eerste deel van kolom 1 worden enkele algemeenheden gezegd omtrent het naleven 
van de wet en het mijden van het kwaad en de bozen, hetgeen met zich meebrengt „te be¬ 
minnen alle zonen des lichts, ieder in zijn erfdeel volgens Gods raadsbesluit, en te haten alle 
zonen der duisternis, ieder in zijn schuld naar Gods wraakgericht”. In de in BASOR 113, 
p. 9 gereproduceerde passage van kolom 5 worden tweemaal „de priesters, zonen van Sadoq” 

91 ) Zie de vertaling hiervan door J.-M. P. Bau- in dit jaarbericht; voor de vijfde BASOR 113, 1949, 

chet, O.C.D. en E. F. Sutcliffe, S.J., in Scripture p. 9. 

iv, 1949, p. 76 - 79 - 93 ) De tekst heeft hier bsrk. 

92 ) Voor de eerste kolom zie men de afbeelding 


IV — DE AFZONDERLIJKE ROLLEN! C — HET c SECTARISCH° GESCHRIFT 63 

genoemd; zij heten beide keren „de zonen van Sadoq, priesters die het verbond onder¬ 
houden”. De hele passage volge hier in (voorlopige) vertaling 93 *): 

Dit moeten in acht nemen de leden der gemeente, die zich vrijwillig afwenden van alle kwaad om 
zich aan te sluiten bij ieder die zich heeft willen afscheiden van de groep (2) der bozen, om tot de 
gemeente te behoren met betrekking tot wet en bezit; zij die zich bekeren op het woord der zonen 
van Sadoq, de priesters, die het verbond onderhouden, en op het woord van de vergadering der 
leden (3) van de gemeente die het verbond nakomen; volgens hun woord wordt alles bepaald met 
betrekking tot wet, bezit, oordeel. Zij moeten trouw T beoefenen jegens de gemeente, onderworpen¬ 
heid, (4) rechtvaardigheid en recht en het minnen van liefdevolle goedheid. Zij moeten zich nederig 
gedragen op al hun wegen, op welke de mens niet mag wandelen in verkeerdheid van hart, terwijl 
hij zijn hart en ogen achterna gaat (5), en vreest in de gemeente de voorhuid van zijn slechte gedachten 
te besnijden en (zijn) harde nek, en (slechts)' een maat van trouw vaststelt jegens Israël en de 
gemeente van het (6) eeuwig verbond, en allen verloochent die zich vrijwillig hebben aangeboden aan 
het heilige in Aaron en het getrouwe huis in Israël, en allen die zich bij hen hebben aan¬ 
gesloten, en de gemeente en de vergadering en het oordeel (7) waarbij men alle overtreders der wet 
veroordeelt. En zij regelen hun gedrag naar al deze wetten als zij in de gemeente worden opgenomen. 
Ieder die komt tot de verzameling der gemeente (8) zal een verbond met God aangaan ten aanschouwe 
van alle vrij willigen, en hij zal een eed afleggen waarin hij belooft terug te keren tot de wet van 
Mozes, in al wat deze heeft bevolen, van ganser (9) hart en met heel zijn ziel, volgens al wat daarvan 
is geopenbaard aan de zonen van Sadoq, de priesters, die het verbond onderhouden en naar zijn wil 
vorsen. En de vergadering der leden van het verbond (10), de vrijwilligers, bemint hij naar zijn trouw 
om te wandelen vojgens zijn welbehagen. En wie bij verbond op zich heeft genomen zich af te scheiden 
van alle bozen die wandelen .... 

Het is duidelijk dat deze hele passus in zijn terminologie sterk herinnert aan de door 
Schechter in de genizdh van Cairo gevonden en door hem onder de titel van Fragments 
of a Zadokite Work in 1910 gepubliceerde documenten, waarvan nog sprake zal zijn. Het 
kan moeilijk worden betwijfeld dat met de C secte° of broederschap waartoe de pas gevonden 
documenten behoren ten nauwste samenhangt de secte waarvan het z.g. Sadokietische werk 
afkomstig is. Uit de tot dusver gepubliceerde stukken hebben sommigen al geconcludeerd dat 
de broederschap een voorstadium is geweest van de later naar Damascus uitgeweken secte 94 ). 


D — De strijd van de Zonen des lichts tegen de Zonen der duisternis, plaat xi, Afb. 10 

Over de rol van de c Strijd van de Zonen des lichts tegen de Zonen der duisternis 0 
heeft Sukenik in zijn meermalen genoemde werk Megillot Genüzot een aantal inlichtingen 
gegeven, verlucht met enkele prachtige afbeeldingen en gevolgd door tekstspecimina 95 ). De 
rol was, in de toestand waarin Sukenik haar kreeg, 2,90 m lang en ongeveer 16 cm breed. 
Aan het begin bevond zich nog de oorspronkelijke leren hul, die veertig cm lang was; de rol 
zelf bestond uit drie vellen en enkele stukjes, en de tekst was in 19 kolommen verdeeld, die 
elk 16-18 regels telden. De bovenste rand van de rol was bijna gaaf, maar de benedenrand 
was vergaan; oo'k zijn stukken uit het midden van enkele kolommen verdwenen als gevolg 
van de inwerking van lucht en vocht op de buitenste windingen. Het schrift is zeer fraai en 
duidelijk, alle letters zijn verschillend van vorm, slechts de waw en de jod zijn vaak niet van 
elkaar te onderscheiden. Enkele vergissingen van de copist daargelaten, worden overal de (korte) 
mediale en de (lange) eindvormen der letters kmnps zorgvuldig van elkander onderscheiden. 
De auteur van het geschrift is onbekend, en ook wordt in het tot dusver gepubliceerde deel van 
de tekst geen titel vermeld. In de eerste regel van de eerste kolom is echter sprake van c zonen 
des lichts 0 en c zonen der duisternis 0 , en daarnaar heeft Sukenik er de naam aan gegeven 
van c Strijd der Zonen des lichts tegen de Zonen der duisternis 0 . 


93a ) De reproductie van de tekst in BASOR 113 
is niet overal goed leesbaar, hetgeen mede een ge¬ 
volg is van het overtrekken Ore-inking 3 ) van som¬ 
mige woorden en letters door een latere copist. Ook 
syntactisch is de tekst erg moeilijk, door het ont¬ 
breken van een duidelijke zinsbouw. Wij hebben hier 
en daar een coupure moeten aanbrengen, waar deze 


in de tekst zelf afwezig is. Slechts de publicatie van 
de hele rol en van andere verwante stukken kan on- 
duideliikheden oplossen, en eventueel tot een ge- 
wiizigde vertaling leiden. 

94 ) Vgl. I. L. Seeligmann in BiOr vi, 1949, p. 4, 
waar hij H. L. Ginsberg citeert. 

95 ) O.c., p. 18-26. 











64 


PALESTIJNSE PHILOLOGIE : DE ROLLEN 


Het geschrift geeft geen expliciete aanwijzingen over zijn tijd van ontstaan; op grond 
van bepaalde niet nader aangeduide gegevens neemt Sukenik aan, dat het vóór de tijd der 
Hasmoneeërs moet zijn geschreven. Dit laatste heeft natuurlijk betrekking op de ontstaanstijd 
van het boek, niet van de copie ervan, die van jongere datum kan zijn. De c Zonen des lichts 3 
zijn volgens de tekst de c zonen van Levi, van Juda en van Benjamin 3 , die uit „de woestenij 
der volken” zijn teruggekeerd „om zich te legeren in de woestenij van Jerusalem”. Zij voeren 
strijd tegen de c Zonen der duisternis 3 , onder welke men moet verstaan de ^benden van Edom, 
Moab, de Ammonieten ... de Filistijnen en de benden der Kittieten van Assur”. In de strijd 
brengen de c Zonen des lichts 3 eerst een nederlaag toe aan de c Zonen der duisternis 3 ; daarna 
behaalt c de strijdmacht van Belial 3 successen, terwijl de oorlog zich uitbreidt tot alle volkeren. 
Op bijzondere wijze worden de verschillende gelederen of afdelingen van het leger beschreven 
met hun banieren, bazuinen, wapenrusting. Het leger bestaat uit wat wij zouden noemen 
frontsoldaten, etappendienst en ruiterij ; daaraan zijn nog C schrijvers 3 toegevoegd, anderen 
die de gesneuvelden van alles moeten ontdoen, en tenslotte afdelingen die de buit moeten 
binnenhalen en die voor de proviand moeten zorgen. De ruiters moeten 30-45 jaar oud zijn, 
de schrijvers 40-50, de bevelhebbers 50-60 jaar, de overigen 25-30! De soldaten of krijgs¬ 
lieden worden aangewezen door de rnyn HDN W, d.w.z. de oudsten van het volk. De 
krijgsmacht bestaat uit afdelingen van 1000, 100, 50 en 10, die elk hun commandant hebben. 
De banieren dragen allerlei opschriften; op de c grote 3 die voor heel het volk moet worden 
uitgedragen staat: c Volk Gods 3 (j>N Dy), benevens de namen van Israël, Aaron en van de 
twaalf stammen. Op die der afdeling van 1000: c De toorn Gods zij overvloedig jegens Belial 
en al zijn partijgenoten, zonder rest 3 ; op die der afdelingen van 100: c Van Godswege druk¬ 
ke de oorlog op alle boze lieden 3 ; op die der secties van vijftig: Q Door de kracht Gods komt 
aan de phalanx der bozen een eind 3 ; op die der tien: c De roep Gods klinkt op de tiensnarige 
lier 3 . Speciale opschriften moeten worden aangebracht op de banieren, wanneer men ten 
strijde trekt: c Trouw Gods, gerechtigheid Gods, heerlijkheid Gods, oordeel Gods 3 ; als de 
strijd losbrandde moest men op de banieren lezen: c Rechterhand Gods, signaal (Pljnft) Gods, 
strijdrumoer Gods, gevallenen Gods 3 ; als men terugkeert moet op de banieren staan: Ver¬ 
hevenheid Gods, grootheid Gods, lof Gods, eer Gods 3 . De krijgsverrichtingen moeten vergezeld 
gaan van het schallen van bazuinen door priesters en levieten. Voor elke krijgsverrichting 
zijn er speciale trompetten: c de trompetten van het oproepen 3 , c de trompetten van de hinder¬ 
laag 3 , c de trompetten van de achtervolging 3 , c de trompetten van het verzamelen 3 , e.d.m. Ook 
de trompetten dragen verschillende opschriften; op die c van de achtervolging 3 staat bv.: c God 
heeft alle Zonen der duisternis verslagen; voor Hij hen heeft vernietigd is zijn toom niet 
bedaard 3 . De wapens die men draagt, zijn lansen, speren, spiesen (drie verschillende termen: 
non, px JVD), schilden. Vóór de strijd een aanvang neemt moet de hogepriester (tfWin pïD) 
een toespraak houden, staande te midden van de priesters, levieten en commandanten, om 
de strijders moed in te spreken, hen verachting voor de vijanden in te boezemen, en tot God 
te bidden voor de overwinning. Na de overwinning moet het volk een dankpsalm uitspreken. 

Bovenstaande is ontleend aan wat Sukenik in zijn boek heeft medegedeeld; de tekst- 
specimina die hij heeft gepubliceerd leren nog meer détails van de oorlogvoering van de 
c Zonen des lichts 3 kennen. Bij wijze van voorbeeld volge hier een (voorlopige) vertaling van 
een deel van kolom 7, die door Sukenik in facsimile en in transcriptie is gepubliceerd 96 ) : 

De bazuinen moeten schallen voor de slingeraars, totdat zij klaar zijn met zeven maal te werpen; 
daarna moeten de priesters voor hen de c bazuinen van het terugtrekken 3 doen schallen; zij moeten dan 
om de voorste linie heengaan om op hun plaats te gaan staan. Daarna moeten de priesters de c bazuinen 
van het verzamelen 3 doen schallen, waarop drie banier (dragers) 97 ) de poorten moeten verlaten om 
zich op te stellen tussen de slagorden, terwijl het wagenvolk zich links en rechts van hen moet opstellen. 
Daarna moeten de priesters een langgerekt(P) geschal op de bazuin doen horen opdat men zich in 

96 ) Zie Sukenik, o.c., plaat VIII en p. 25; cf. ook 97 ) Letterlijk: de c tussenbanieren 3 , die tussen dc 
R. Tournay, Les anciens manuscrits hébreux ré- slagordes worden opgesteld. 
cemment dé couverts, in RB LVI, 1949, p. 214-215, 
waar men een vertaling van dezelfde passage kan 
vinden. 


IV - DE AFZONDERLIJKE ROLLEN: D - DE STRIJD, ENZ. 


65 


slagorde opstelle. De commandanten moeten zich naar hun groepen begeven, ieder naar zijn afdeling. 
En als zij in drie groepen zijn opgesteld moeten de priesters hen voor de tweede maal krijgsgeschal 
( terü c ah ) doen horen, met kalm en gerekt(?) geluid om te laten opmarcheren totdat men dicht bij 
de linie van de vijand is gekomen; dan moet men naar de wapens grijpen, terwijl de priesters op zes 
c bazuinen der gevallenen 3 blazen met schril en doordringend geluid, opdat men de strijd aanbinde. En 
de levieten en allen die op trompetten blazen moeten één luid krij gsgeschal doen horen om het hart van 
de vijand te doen smelten. Bij het krij gsgeschal moeten de spiesen worden geworpen om (de vijanden) 
te doen sneuvelen. Het trompetgeschal moet heviger worden en de priesters moeten de bazuinen schril 
en doordringend doen schallen vanwege de strijd, totdat men zevenmaal heeft geworpen naar de linie 
van de vijand. Daarna zullen de priesters de. c bazuinen van het terugtrekken 3 voor hen doen schallen .... 

Uit deze tekst blijkt dat de priesters een belangrijke rol spelen in de strijd, geheel over¬ 
eenkomstig de opvatting der oude volken. Zij leiden het eigenlijke gevecht niet, maar geven 
wel aanwijzingen wanneer het kan beginnen, verlenen hulp door hun heilig bazuingeschal en 
inspireren de strijders door hun gewijde aanwezigheid. In de tekst wordt onderscheid ge¬ 
maakt tussen c bazuinen 3 ( hasoserot ) en trompetten 3 söfarot; de eersten worden geblazen 
door de priesters, de laatste door levieten en anderen. Het lijkt verder wel of het vechten 
geheel kan geschieden volgens een vastgesteld ritueel, hetgeen een reden is om zich af te 
vragen of de auteur van het document een handleiding of zakboekje voor gevechtshandelin¬ 
gen heeft willen schrijven, of dat hij andere bedoelingen had. Dit laatste wordt aangenomen 
door I. L. Seeligmann, die photo’s heeft gezien, hem door Sukenik getoond 98 ) van het 
eerste deel van de tekst; hij zegt dat moeilijk kan worden getwijfeld aan de eschatologische 
betekenis van het geschrift. Het bevat dan aanwijzingen (die te gelijkertijd voorspellingen 
zijn) omtrent de toekomstige eschatologische strijd tussen de c Zonen van het licht 3 en de 
c Zonen der duisternis 3 . De samenhang van het document met het Sadokietische fragment is 
onmiskenbaar, men zie het slot van dit artikel. 

E — Hymnen 

Het laatste hier te bespreken document is dat der hymnen. Door Sukenik is het 
megillat hahodijot genoemd, de c rol der lofliederen 3 ; hij heeft haar in het kort beschreven, 
de beschrijving verlucht met afbeeldingen en haar doen volgen door de transcriptie van 
enkele tekstfragmenten. Van de rol zijn slechts drie losse stukken bekend, die elk vier 
kolommen tekst bevatten; deze stukken zijn veel slechter bewaard gebleven dan de overige 
rollen, en een ervan bevond zich zelfs in danig verfrommelde en gescheurde toestand. Ver¬ 
schillende delen ervan zijn verteerd of bedekt met vergaan leer; de bovenste en onderste 
margines ontbreken zó geheel, dat niet meer is vast te stellen hoeveel regels elke kolom 
oorspronkelijk heeft geteld- Er zijn kolommen waarvan 39 regels bewaard zijn, maar het 
totale aantal is groter geweest- Duidelijk is in elk geval dat de kolommen opvallend lang zijn ; 
de breedte van een der stukken is 32 cm. Het schrift is mooi; op een der drie stukken is de 
helft van de laatste kolom van de hand van een andere, minder geoefende schrijver. De stijl 
der hymnen herinnert sterk aan die der Psalmen uit de H. Schrift, en is hier en daar duister. 
Dit laatste is vooral het geval bij het langste tot dusver gepubliceerde fragment, dat hier in 
(voorlopige!) vertaling volgt 99 ). 

Ik wil U prijzen, Heer, 
want Gij hebt mijn ziel verlost van de groeve, 
en uit Sjeool Abaddoon hebt Gij mij opgevoerd 
naar een eeuwige hoogte, 
en ik wandel in een onafzienbare vlakte a . 

En ik weet dat er hoop is voor hem, die Gij hebt geschapen uit het stof 
voor de eeuwige vergadering. 

En de zondige geest hebt Gij gereinigd van groot kwaad, 
om in de slagorde b te staan bij het heir der heiligen c , 

9S ) Zie BiOr vi, 1949, p. 4. 1949, P- 221-222; J. Schirmann in Semitica 1949, 

99 ) De tekst is volgens Sukenik, o.c., p. 31-33- P- 47 ss.; M. Wallenstein, Hymns front the Judean 
Voor vertalingen zie men o.a. R. Tournai in RB Scrolls, Manchester 1950; enz. 








66 


PALESTIJNSE PHILOLOGIE : DE ROLLEN 


en om zich te voegen bij de gemeente der zonen des hemels. 

Gij laat de mens een eeuwig lot toevallen 
met de geesten der kennis, 

om Uw naam in gemeenschap met hen te loven, 

en Uw wonderdaden te vermelden in het bijzijn van al Uw werken. 

Maar ik, vormsel uit klei, wat ben ik? 
met water gekneed, wat beteken ik, 
en wat heb ik voor kracht? 

Want ik ben geplaatst in het land der misdaad, 
en bij de ellendigen van lot. 

Gij slaat de ziel van de behoeftige met grote verwarring, 

de ellende der verdrukking begeleidt mijn schreden, 

als de strikken van de groeve worden uitgezet, 

alle netten der boosheid worden ges'pannen, 

het fuiknet der ellendigen d boven het watervlak, 

als snorren alle pijlen der groeve zonder weerkeer, 

gemikt worden zonder hoop e , 

als het koord voor het oordeel valt 

en het lot van de toorn over de vertatenen, 

en de toorn wordt uitgestort over de verscholenen 

en het voor elke Belial een tijd van woeden is, 

en de koorden des doods rondom zijn, zonder (kans te) ontsnappen. 

De vloeden van Belial ë zullen (?) stromen door alle waterbeddingen 
als een verterend vuur in al wie er uit putten, 
om alle groene en dorre bomen te vernietigen. 

Hun kanalen zullen fonkelen van vurige vonken, 
totdat niet meer is alwie er van drinkt. 

Door zijn vurige hitte eet (de vlam) 

en op het hele aardoppervlak 

staan de grondvesten der bergen in brand 

en de wortels der rots worden tot stromen pek. 

(De vlam) dringt verslindend door tot de grote Tehoom h 
de stromen van Belial dringen door tot Abaddoon, 
en de duistere ruimten van de Tehoom bruisen 
van het gedruis van de opgestuwde modder, 
en de aarde ... 10 °) 

De auteur van de psalm bedankt God dat Hij hem heeft gered uit grote ellende. Deze 
ellende is die van de tijd waarin hij leeft en die hij blijkbaar ziet in eschatologisch perspectief, 
d.w.z. de ellende van deze tijd gaat voor hem over in die van de laatste tijd, als de boosheid 
haar hoogtepunt heeft bereikt, maar tevens vlak vóór de val staat. De auteur wordt door God 
gevoerd naar een „eeuwige hoogte” en het lijkt voor de hand liggend hierin het hiernamaals te 
zien, zoveel als de hemel, waar hij met de engelen God steeds zal mogen prijzen. G. Lambert 
S.J. ontkent dit echter ten stelligste; volgens hem komt de auteur van de psalm niet uit boven 
de algemene oude heilsverwachting en dankt hij slechts God omdat hij aan een groot gevaar 
is ontkomen. Verder zou hij slechts de hoop uitdrukken nog lang en gelukkig te mogen 
leven 10 ° a ). 

Bij wijze van tweede specimen volge hier nog de vertaling van een andere psalm, door 
Sukenik in zijn geheel gepubliceerd 101 ). 

10 °) a. Onafzienbaar 0 , eig. Onnaspeurlijk 0 “ipn is de vlakte vanwege haar uitgestrektheid, men ziet 
er het einde niet van; b. c slagorde°, aldus vertaald in overeenstemming met een tekst uit „Strijd...”, vgl. 
Sukenik o.c., pl. vin, regel 3; het woord is echter ook technische term voor die afdeling van Israël, 

die in de tempeldienst het hele volk vertegenwoordigde, c. de engelen, d. uit de samenhang blijkt dat de 
OllendigenP ëfig. de iOllendelingen 0 , de bozen zijn. e. zonder hoop te laten voor hen die ze treffen! ƒ. vgl. 
II Kon. 21, 13, waar het koord wordt geworpen ter vernietiging; met Oordeel 0 schijnen hier de 

personen bedoeld te zijn die geoordeeld worden, g. ,c Belial° is de term voor elke boze macht die anderen 
kwaad wil berokkenen; hier gezegd van de vijanden van de Psalmist en van God. h. c Tehoom 0 is de grote 
oceaan van water en modder, waar men meende dat de aarde op dreef of stond. 

100a ) Nouv. Rev. Thêol. 1949, p. 636-637. 101 ) Cf. Megillót Genüzot, p. 31-32 en pl. xin; 

vertaling door Tournay in RB LVI, 1949, p. 220. 


IV - DE AFZONDERLIJKE ROLLEN : E - HYMNEN 67 

Ik wil U prijzen, Heer, 

want Gij hebt mijn ziel geplaatst in de bundel des levens, 
en Gij hebt mij beschermd tegen alle strikken van het graf. 

Snoodaards stonden mij, onder hen die steunen op Uw verbond, naar het leven 
maar zij zijn lieden van niets, een Belialsbende. 

Zij weten niet dat wat ik heb van U komt 

en Gij mijn ziel redt door Uw liefdevolle goedheid, 

want van U zijn mijn schreden. 

Met Uw toestemming vallen zij mij aan, 

opdat Gij wordt verheerlijkt als de bozen worden gevonnist, 

en in mij Uw macht blijkt aan de mensen, 

want door Uw liefdevolle goedheid sta ik. 

Ik zeg: 

Machtigen zijn tegen mij gelegerd, 

zij hebben mij omsingeld met al hun oorlogstuig, 

schieten pijlen af waarvoor geen genezing is; 

de lans schittert als vuur dat bomen vreet, 

en als het gedruis van wateren is het tumult dat zij maken, 

een woedende orkaan om velen te verdelgen. 

Dat in hen, niets niemendal, wonden opensplijten (?) 
als hun golven zich verheffen. 

Wat mij betreft, terwijl mijn hart smolt als water, 
greep mijn ziel Uw verbond. 

Maar zij : de strik die zij mij spanden grijpe hun voet, 
de vallen die zij voor mij hebben gezet, dat zij er in vallen! 

Maar mijn voet staat op een effen vlak. 
in de(?) bijeenkomsten zal ik U prijzen! 

Sukenik heeft in facsimile nog ongeveer 35 regels van een ander deel van de tekst van 
de rol gepubliceerd, welk echter op de afbeelding niet in zijn geheel leesbaar is. Een proeve 
van vertaling hiervan hebben R. Tournay O.P. en de Jerusalemse Carmeliet Père Paul 
(J. M. Bauchet) geleverd 102 ) 

F — Verdere rollen en fragmenten 

In het voorgaande is vermeld, dat zowel de Hebreeuwse universiteit als het klooster der 
Syriërs in het bezit zijn van rollen die men aanvankelijk niet heeft durven openen. Uit een 
mededeling van G. L Harding in de Londense Times en overgenomen in het Jerusalemse 
dagblad Palestine Post blijkt nu dat een dezer rollen, ter publicatie toevertrouwd aan Sukenik, 
ongeveer een derde deel van de tekst van Isaias bevat. 

Op grond van een ander persbericht deelt O. Eissfeldt mee, dat de te Jerusalem los¬ 
gewikkelde rol Is. 48 vv. bevat (ongeveer elf hfdst. in totaal). De tekst schijnt de normale 
masoretische spelling te volgen, niet die van de Isaïasrol der Syriërs 103 ). 

Over de in Amerika geïdentificeerde Lamechrol heeft J. C. Trever geschreven in 
BASOR 115; vgl. noot 35a van dit artikel. Toen Trever’s verslag werd gepubliceerd was 
slechts een fragment van de rol losgemaakt. Zij bleek (ter plaatse) 37 regels per kolom te 
bevatten, samen 34^4 cm hoog. 

Onder de fragmenten in het bezit van de Syrische bisschop bevinden zich o.a. stukjes van 
Dan. 1, 10-16; 2, 2-6; 3, 23-30 en van drie andere niet-bijbelse geschriften. L. Harding en 
R. de Vaux hebben in de grot nog ongeveer 600 fragmenten en snippers verzameld. De 
belangrijkste daarvan zijn de in z.g. oudphoenicisch schrift gestelde stukjes van Lev. 19, 31-34; 
20, 20-23; 21, 24-22, 3; 22, 4-5, als datum waarvan de Vaux de 4de eeuw v. Chr. heeft voor¬ 
gesteld; de tekst is gelijk aan die der Masoreten, met slechts twee spellingvarianten. Verder 
zijn er nog stukjes gevonden uit Genesis, Leviticus, Deuteronomium, Rechters, een fragment 


102 ) Resp. in RB, a.c ., p. 223-224, en in The Catho- 
lic Biblical Quarterly xi, 1949, P- 309-315. 

103 ) TLZ 1949, p. 596; men zie ook G. E. Wright 
in BiArch. 1949, p. 65, waar een gedeeltelijke be¬ 


vestiging van dit bericht is te vinden. Het karakter 
van de (bewaarde) tekst schijnt fragmentarisch te 
zijn. 














68 


PALESTIJNSE PHILOLOGIE : DE ROLLEN 


met gedeelten van vijf regels van een Hebreeuwse tekst van Jubileeën, en een groter fragment 
(iets meer dan 9 regels) van een tot dusver onbekend werk van apocalyptische aard, verwant 
met Jubileeën, Henoch, Testamenten der XII Patriarchen. De fragmenten van Lev., Jub. en 
het onbekende werk zijn alle door de Vaux in facsimile, transcriptie en vertaling gepubli¬ 
ceerd 104 ). 

V - VERHOUDING TOT DAMASCUS-FRAGMENT 

Tot besluit nog een korte beschouwing over wat nu reeds kan worden gezegd van de ver¬ 
houding van de tekst van verschillende der rollen tot die van het z.g. Damascus-fragment. 
Dit laatste is door M. Schechter in de genizah van Cairo gevonden en door hem in 1910 
gepubliceerd onder de titel van Fragments of a Zadokite Work ( = Documents of Jewish 
Sectaries, vol. I, Cambridge 1910). Over de tijd van ontstaan van het werk, waarvan twee 
verschillende recensies bewaard zijn gebleven, bestaat onder de deskundigen nog geen een¬ 
stemmige opvatting; de schattingen variëren tussen de tweede eeuw v. Chr. en de elfde (sic) 
na Chr. waarbij men echter bedenke dat de laatste datum slechts door een enkeling is voor¬ 
gesteld, en volgens Lagrange de meeste auteurs het geschrift in de Makkabeeërstijd plaat¬ 
sen 105 ) (wat hij zelf echter niet doet). De editio princeps van de tekst is van Schechter, 
o.c. ; voor een handige (en betere) uitgave zij men verwezen naar L. Rost; Die Damaskus- 
schrift (in Kleine Texte usw. van H. Lietzmann, n° 167, Berlin, 1933) ; voor vertalingen zie 
men o.a. Lagrange in de RB 1912, en Charles in zijn grote werk The Apocrypha and 
Pseudoepigrapha of the Old Testament, Vol. II (Oxford, 1913), p- 785-834 (met inleiding 
en commentaar). 

Het Sadoqietisch fragment of Damascusgeschrift is het werk van een lid van een Joodse 
secte of partij, die naar Damascus is of was uitgeweken. Onder leiding van een c inspector° 
(mebaqqër) legden de leden zich toe op het zo strict mogelijk naleven van de wet van Mozes, 
waarbij men echter in verschillende kwesties opvattingen huldigde die afwijken van die der 
Tannaïeten. De C secte° had een eigen organisatie en verwachtte de komst van de Messias. Zij 
was blijkbaar in conflict gekomen met de Joden in Palestina; over de stichter wordt niets 
gezegd, maar velen vermoeden dat het de c leraar der gerechtigheid 0 ( moreh hassedeq) is die 
in het geschrift herhaalde malen wordt genoemd en die een voorloper schijnt te zijn van de 
Messias, wiens komst, naar het schijnt, niet lang meer zou uitblijven. Deze Messias zou zijn 
„uit Aaron en Israël” en derhalve niet stammen uit het geslacht van David, waarvoor de 
schrijver weinig eerbied toont; immers: „David las niet in het Boek der Wet, het verzegelde, 
dat in de ark lag, want het is in Israël niet geopend vanaf de dood van EPazar en Jehösü c a 
(en Josü c a) en de oudsten, die Astarte hebben gediend; het bleef verborgen ... totdat Sadoq 
opstond” (Dam.-Fragm., ed. L. Rost, p. 5, regel 2-5). Reeds eerder waren in het geschrift 
vermeld de „zonen van Sadoq, dat zijn de uitverkorenen van Israël, mnNn DHÖJJn DOT wnp 
DW' (omwille van de onzekerheid der vertaling zijn deze laatste woorden in het Hebreeuws 
toegevoegd; lett.: „de uitverkorenen van naam, die staan op het einde der dagen”), en dit 
ter verklaring van Ez. 14, 15, waar de priesters uit het geslacht van Sadoq worden ge¬ 
noemd. De c leraar der gerechtigheid 0 schijnt een belangrijke tegenstander te hebben gehad, 
die c man van spot 0 c man der leugen 0 heet. 

Het is zonder meer evident, dat van de pas gevonden teksten er verschillende een grote 
verwantschap vertonen met het Damascus-fragment. Op de eerste plaats is dit het geval met 
het z.g. Sectarische document, dan met de Habakkukmidras, en verder ook met de beide 
teksten waarmee Sukenik zich vooral heeft bezig gehouden. De overeenkomst beperkt zich 
niet slechts tot ideeën, maar strekt zich zelfs uit tot de phraseologie. We noemen het volgende. 

104 ) RB 1949, p. 597 vv. p. 11-13. Men leze ook het uitvoerige artikel van 

105 ) Cf. M. J. Lagrange, Le Judaïsme, Paris, B. Reicke, Die Ta c dmire-Schriften und die Damas- 

1931, P- 33 1 ; men zie verder nog H.H. Rowley, The kusfragmente, in Studia Theologica II, 1948, p. 45- 
Relevance of Apocalyptic, London, 1944, p. 71-74, 70 (Lund 1949). 

en P. Kahle, The Cairo Geniza, London, 1947, 


V — verhouding tot damascus-fragment 


69 


God wordt steeds El genoemd, zoals in Sect, Hab., Strijdrol; er wordt gesproken over een 
c leraar der gerechtigheid 0 , en een c man der leugen 0 zoals in Hab.; Israël, Aaron en de zonen 
van Sadoq worden in nauw verband met elkaar gebracht (vgl. Dam. 1, 7; 3, 21.22; 12, 24.25) 
zoals ook in Sect. In dit laatste document zijn de zonen van Sadoq priesters, reden om hen 
daarvoor ook in Dam. te houden. De leden der Damascus-secte hebben publiek met God een 
verbond aangegaan; dit verbond heet in Dam. een c nieuw verbond 0 , maar deze term komt in 
de tot dusver uit de recente vondsten gepubliceerde stukken niet voor. Wel vinden we in 
Dam. èn in Sect. de uitdrukkingen c verbond Gods 0 (Dam. 3, 11 en Sect. 5, 8), c eeuwig 
verbond 0 (Dam. 3, 13 en Sect. 5, 5/6) ; in het algemeen komt het woord bent (verbond) 
opvallend veel voor in de documenten. Voor het c onderhouden° van dit verbond wordt voort¬ 
durend de term hazaq (eig- c grijpen°) gebruikt. De Rabbijnse uitdrukking serek, equivalent 
van het Griekse r#£/$, orde, ordening, enz., is zeer karakteristiek voor Dam. en Sect.; als 
tegenstander wordt genoemd Belial, een term die in alle documenten herhaaldelijk voor¬ 
komt als naam voor dè tegenstander. Men vergelijke verder nog veel voorkomende uitdruk¬ 
kingen als serirüt lëb. (Verdorvenheid van hart 0 ), mahsebet jëser (zoveel als C slechte ge¬ 
dachten 0 cf. Dam. 2, 16 en Sect. 5, 5), het veel gebruikte qës (eig. c einde°, maar in Dam. 
schijnbaar zoveel als Tijdsperiode 0 ). In Dam. 4, 2 wordt de uitdrukking nilwim (Volge¬ 
lingen 0 c gezellen°) gebruikt met een vermoedelijke zinspeling op de levieten, die aangeduid 
schijnen te worden; in Sect. 5, 6 schijnt het woord op soortgelijke wijze gebruikt te zijn. 
In Dam. 4, 14 wordt de uitleg van een bijbeltekst ingeleid door pisrö ( c dat wil zeggen 0 , lett. 
c de verklaring ervan 0 ), juist zoals in Hab.! In Dam. 8, 7 en elders wordt met afkeuring ge¬ 
sproken van de hon ( c bezit°, c kapitaal°) wanneer deze onrechtvaardig is verkregen zoals 
dikwijls het geval is; In Sect. komt het woord op dezelfde wijze voor (men wordt lid der 
secte met betrekking tot wet en c bezit°, Sect. 5, 2, d.w-z. men is verplicht de wet integraal te 
onderhouden en zich aan de regelen en voorschriften te houden wat betreft zijn bezit) en 
zou daar zelfs moeilijk zijn te begrijpen zonder de parallelle passages van Dam. Een passage 
uit het laatste werk (Dam. 2, 14-18) bevat haast niets dan uitdrukkingen die men in de 
bekend gemaakte stukken van Sect. vindt, deels in dezelfde combinatie. Dam. 3, 20 spreekt 
van een c eeuwig leven 0 dat voor de mens is weggelegd, zoals ook in de eerste der in het voor¬ 
afgaande vertaalde hymnen. Het eschatologisch karakter van Sect. komt overeen met de 
eschatologische verwachtingen van Dam.; opvallende overeenstemming is er ook tussen het 
telkens herhaalde voorschrift zich af te zonderen van het boze en de bozen, en zich aan te 
sluiten bij de gemeenschap der goeden (d.w.z. de broederschap of secte). De Damascus- 
gemeente is verdeeld in groepen van 1000, 100, 50, 10 (een oude indeling in Israël), zoals 
het leger in het document van de Strijd. De leeftijden der rechters moeten volgens Dam. 
10, 6-8 van 25-60 jaar zijn, daar men boven de 60 begint af te takelen(!) ; de Strijdrol noemt 
voor allerlei functies leeftijdsgrenzen van en tussen 25-60 jaar. 

Sommige dezer parallellen kunnen toevallig zijn, alle saamgenomen bewijzen zij dat er 
nauwe verwantschap bestaat tussen Sect., Hab., Hymnen, Strijd enerzijds en het Damascus- 
fragment anderzijds. De C secte van het nieuw verbond 0 is óf identiek met de broederschap of 
secte waarvan de rollen uit de grot bij Ain Fasha het bestaan hebben aangetoond, ofwel zij 
is daaruit op een of andere wijze voortgekomen, indien de verhouding tenminste niet om¬ 
gekeerd is. Dit is ook de conclusie waartoe Reicke komt in zijn boven aangehaald artikel. 

N ij m e g e n, 18 October 1949, 18 Februari 1950. J. van der Ploeg O.P. 

litteratuur over de „rollen” 

Albright, W. R, in BASOR 110 (April 1948), p. - , Are the Ain Feshka Scrolls a Hoax? JQR XL, 

2-3 (kort bericht over de gedane vondst). 1949/50, p. 41-49. 

-, Editorial Note on the Jerusalem Scrolls. -■, The Archaeology of Palestine, Harmonds- 

BASOR in, 1948 (Oct), p. 2-3. worth, 1949. 

-, On the Date of the Scrolls front c Ain Feshka -, Comments on Dr. Lacheman’s Reply and the 

and the Nash Papyrus. BASOR 115, 1949, p. Scrolls. BASOR 116, 1949, p. 17-18. 

10-19. 





PALESTIJNSE PHILOLOGIE! DE ROLLEN 


7 o 

Alfrink, B., De oude rollen uit de zvoestijn van 
Juda. Studia Catholica 1949, p. 44-48. 
Bauchet, J. M. P., A Nezvly Discovered Hebrew 
Manuscript. Scripture, 1949, p. 2*1-22. 

-, The Newly discovered Scrolls of the Judean 

Desert. Cath. Bibl. Quarterly 1949, p. 308-315. 

-, Notes sur les variant es de sens d’Isaie 42 et 

43 dans les manuscrits du désert de Juda. Nouv. 
Rev. Théol. 1949, p. 305-306. 

-, Une page d J un des manuscrits du désert de 

Judée, RB 1949, p. 583-585. 

-, Notes on the Newly Discovered Hebrezv Ma- 

nuscripts. Scripture IV, 1949, p. 115-119. 

-, En torno a los manuscritos descuriertos en el 

Mar Muerto. Se farad IX, 1949, p. *152-164. 

-, A Note on the Orthography of the Dead Sea 

MSS. Cath. Bibl. Quaterly 1950, p. 68. 
Bauchet, J. M. P. and E. F. Sutclïffe, The 
Sectarian Document ... Scripture, 1949, p. 76-79. 
Baumgartner, W. Der Paldstinische Handschriften- 
fund. Theol. Rundschau XVII, 19481/49, p. 329- 
346 . 

Bea, A., Nova manuscripta hebraica. Biblica xxix, 

1948, p. 446 - 448 . 

Birnbaum, S. A., The Date of the Isaiah Scroll. 

BASOR 113, '1949* p. 33 - 35 - 
-, The Date of the Cave Scrolls. BASOR 115, 

1949, p. 20-22. 

-, The Date of the Habakkuk Scroll. JBL 1949, 

p. 161-168. 

Black, M., The Daling of the New Hebrew Scrolls 
on Internal Evidence. Journ. of Jew. Studies, I, 
1949, p. 199. 

Boer, P. A. H. de, Over de onlangs gevonden He¬ 
breeuwse handschriften. Ned. Theol. Tijdschrift 
1949, p. 202-204. 

Brownlee, W. H., The Jerusalem Habakkuk Scroll. 
BASOR i*i2, 1948 (Dec.), p. 8-18. 

-, Further Light on Habakkuk. BASOR 114, 

1949 , P- 9-IO. 

-, Further Correction to the Translation of the 

Habakkuk Scroll. BASOR 116, 1949, P- 14-16. 
Burrows, M., The Content and Significance of the 
Manuscripts. BiArch. 1948, (Sept), p. 57-61. 

-, Variant Readings in the Isaiah Manuscript. 

BASOR in, 1948 (Oct.), p. *16-24; 113, 1949, 
p. 24-32. 

-, Orthography, Morphology and Syntax of the 

St. Mark’s Isaiah Manuscript. JBL 1949, p. 
195-211. 

-> A Note on the Recently Discovered Manu¬ 
scripts.. JQR XL, 1949/50, p. 51-56. 

-■> The Dead Sea Scrolls of St Mark’s Monastery. 

Vol. I. The Isaiah Manuscript and the Habakkuk 
Commentary. 1950. 

O’Callaghan, R. T., The Scrolls Newly Discovered 
in Palestine. Scripture 1949, p. 4(1-46. 

Castro, F. P., Un descubrimiento sensacional. Sefa- 
rad VIII, 1948, p. 472 - 474 . 

Cross, F. M., The Newly Discovered Scrolls in the 
Hebrew University Museum in Jerusalem. Bi¬ 
Arch. 1949, p. 36-46. 

Driver, G. R., The Hebrew manuscripts. JQR XL, 

1949/50, p. 127-134. 


Eissfeldt, O., Der gegenwdrtige Stand der Er- 
forschung der in Paldstina neu gefundenen he- 
brdischen Handschriften. TLZ 1949, p. 95-98. 

-, Varianten der Jesaja-Rolle. TLZ 1949, P- 221- 

226. 

-, Ansetzung der Rollen nach paldographischen 

Kriterien. TLZ 1949, p. 226-228. 

-, Vorldufige Ergebnisse einer im Frühjahr 1949 

vorgenommenen Untersuchung der Fundhöhle. 
TLZ 1949, p. 228. 

-, Neue Nachrichten ... TLZ 1949, p. 595-597. 

-, Der Anlass zur Entdeckung der Höhle und 

ihr dhnlichen Vor gang e aus alter er Zeit. TLZ 
1949 , P- 597-600. 

Engnell, L, The Call of Isaiah. Uppsala Universitets 
Arsskrift, 1949, No. 4, p. 61-64. 

Fraine, J. de, Nieuzve Bijbelse Documenten. Kath. 
Cult. Tijdschr. 1949, p. 768-770. 

Freedman, D. N., The u House of Absalom" in the 
Habakkuk Scroll. BASOR 114, 1949, p. 11-12. 

Ginsberg, H. L., The Hebrew University Scrolls 
from the Sectarian Cache. BASOR 'Ii2, 1948 
(Dec.), p. 19-23. 

Gottstein, M. H., mrüJin m^Jlön ï>p. Sinai, XXV, 

1949, p. 332-337. 

Harding, G. L., The Dead Sea Scrolls. The Illu- 
strated London News, Oct. 1, 1949, p. 493-495. 

-, The Dead Sea Scrolls. P.E.Q. 1949, p. 140-147. 

Hem pel, J., Die erste vorchristliche Jesajahand- 
schrift. Deutsches Pfarrerblatt XLIX, 1949, p. 
128 ff. 

Kahle, P., Der Gegenwdrtige Stand der Erfor- 
schung der in Paldstina neu gefundenen Hand¬ 
schriften. TLZ 1949, p. 91-95 (zie ook onder 
Eissfeldt). 

Kapelrud, A. S., Det nye hdndskriftfunn i Palestine 
og tekstoverleveringen, .Norsk Teologisk Tids- 
skrift, L, .1949, pp. 81-87. 

Lacheman, E. R., A Matter of Method in Hebrew 
Paleography. JQR XL, ' 1949 / 50 , p. I 5 “ 39 - 

-■, Reply to the Editor. BASOR it 6 , 1949, 

p. 16-17. 

Lambert, G., Les manuscrits découverts dans le 
désert de Juda. Nouv. Rev. Théol. 1949, p. 286- 
304; 414-416; 1950, p. 53 - 65 . 

-, Un „Psaumé” dé couvert dans le désert de 

Juda. Nouv. Rev. Théol. 1949, p. 621-637. 

- , La grotte aux manuscrits du désert de Juda. 

Revue Génér. Beige 1950 (janvier), p. 405-424. 

-> Les manuscrits du désert de Juda. Nouv. Revue 

Théol. 1950, p. 199-202. 

Loewe, R., The new Hebrew Manuscripts in 
Perspective. Jewish Monthly III, 1949, p. 352- 
362. 

loewenstamm, s. E.,n'ntys pi? mvo 

Bulletin of the Jewish Palestinian Exploration 
Society, N.S. XV, 1949, p. 40-44. 

Medico, H. E. del, La découverte d’Apocryphes de 
l’A.T . dans le désert de Judée. Recherches de 
Science religieuse , XXXV, 1948, p. 581-592. 

Nagel, G., Une découverte importante en Palestine. 
R.Th.Ph. 1949, p. 95-aoo. 

Neher, A., Découverte récente de manuscrits hé- 


71 


LITTERATUUR OVER DE c ROLLEN° 


brdiques en Palestine. R.H.P.R., XXVIII-XXIX, 
1948-49, p. 241-251. 

Parirot, A., Les manuscrits du désert de Juda, in 
A. Lods, Flistoire de la littérature hébraique et 
juive. 1950, p. 1024-1033. 

Perrot, J. et R. Dussaud, Découvertes récentes en 
Palestine. Syria XXVI, 1949, p. 155-159. 

Reicke, B., Die Ta c dmire-Schriften und die Da- 
maskus-Fragmente. Studia Theologica II, 1948 
verschenen Lund 1949), p. 45-70. 

-, Hebraiska handskrifter frdn Jesu tid funnen 

i Juda öken. Svenska Jerusalems Föreningens, 

XL vin, 1949, p. '14-22. 

Roberts, B. J., Recent Discoveries of Hebrew 
Manuscripts. Expository Times, 1949, p. 305-308. 

Samuel, A. Y., The Purchase of the Jerusalem 
Scrolls. BiArch., 1949, p. 26-31. 

Schirman, J., Les manuscrits hébreux récemment 
découverts dans le désert de Juda. Semitica, 1949, 
p. 41 - 50 . 

Seeligmann, L L., The Epoch-making Discovery of 
Hebrezv Scrolls in the Judean Desert. BiOr 
1949, p. 1-8. 

Sell*ers, O. R., Excavation of the “Manuscript” 
cave at c Ain Fashka. BASOR 114, 1949, p. 5-9. 

-, Study of Finds in the Ain Fashka Cave Bi¬ 
Arch., '1949, p. 54-56. 

Sukenik, E. L., nTOj (Megillót Genüzot). 

Scrolls found hidden in an Ancient Storage 
Place in the Desert of Juda. Jerusalem, 1948. 

-, ' 12 V VDH 3 lDrO (Bialik Foundation, Jerusalem) 

1948. 

Torczyner H., and U. Cassuto, hgr F|Wn trUTI 
mïJT * 0*10 rïfrOJD . Ha-Olam, XXXVI, March 
I 7 th 1949, p. 367 (Palest. periodiek). 

Tournay, R., Les manuscrits hébreux récemment 
découverts. RB 1949, p. 204-233. 

Trever, J. C, The Discovery of the Scrolls. BiArch. 
1948 (Sept), p. 46-57. 


Trever, J. C, Preliminary observations on the Jeru¬ 
salem Scrolls. BASOR 11T, 1948 (Oct.), p. 3-16. 

-, A Paleographic Study of the Jerusalem 

Scrolls. BASOR 113, 1949, p. 6-23. 

-, Identification of the Aramaic Fourth Scroll 

from c Ain Feshka. BASOR 115, 1949, p. 8-10. 
Vajda, G. and A. Dupont-Sommer, Découverte 
d’anciens manuscrits hébreux en Palestine. 
R.H.R. XXXV, 1949, p. 125-128. 

Vaux, R. de, Postscriptum. La cachette des manu¬ 
scrits hébreux. RB 1949, p. 234-237. 

- , La grotte des manuscrits hébreux. RB 1949, 

p. 586-609. 

-, Les manuscrits héébreux du désert de Juda. La 

Vie Intellectuelle 1949, p. 583-595. 

Vischer, W., Les manuscrits découverts en Palestine. 
Etudes Theologiques et Religieuses, XXIV, 1949, 

F 29-35. 

Wallenstein, M., Hyrnns from the Judean Scrolls. 
Manchester 1950. 

wechsler, t. nnun nnum mkn nrvun Ha-oiam 
1.12.1949, p. 156-157. 

Wright, G. E., A Phenomenal Discovery. BiArch. 
T948 (Mei), p. 21-23. 

- , The Cave Excavated .... BiArch. 1949, p. 32-36. 

-, Additional Comments on the Scroll Cave. 

BiArch. 1949, p. 64-65. 

ZeïtLin, S., A Commentary on the Book of Ha¬ 
bakkuk. Important Discovery or A Hoax? JQR 
XXXIX, 1948/49, p. 235-247. 

-, Scholarship and the Hoax of the Recent 

Discoveries. JQR XXXIX 1948 / 49 , P- 337-303- 

-■, The Alleged Antiquity of the Scrolls. JQR 

XL, 1949 / 50 , p. 57 - 78 . 

-, Where is the Scroll of the Haf tarot? JQR XL, 

1949/50, p. 291-296. 

Zulay, M., nwA HP3J) JU, Luah ha-Arets (Tel- 
Aviv) 5710, 1949, pp. 110-126. 


Voor het opstellen van bovenstaande litteratuurlijst ben ik dank verschuldigd aan prof. H. H. Rowley 
te Manchester, die mij gegevens ter beschikking heeft gesteld waarvan ik een dankbaar gebruik heb gemaakt. 

[Noot bij de correctie (revisie). De tekstuitgave van Millar Burrows, lang verwacht, was bij het 
afdrukken van dit artikel nog niet in Nederland aangekomen, zodat er geen gebruik van kon worden gemaakt. 
Prof. Rowley wijst er mij nog op dat het Jerusalemse blad Ha-Olam van 1.12.1949 een stuk heeft gepubli¬ 
ceerd van T. Wechsler, waarin deze verslag doet van een bezoek dat hij met de Syrische beambte H. Stephan 
(zie hiervóór, blz. 45) in de zomer van 1947 aan de Syrische bisschop A. Y. Samuel heeft gebracht in diens 
klooster te Jerusalem. Bij deze gelegenheid zijn hem twee rollen getoond: een daarvan was de intussen 
beroemd geworden Isaïasrol, een andere een z.g. haftarot-rol, d.w.z., een pericopenboek met passages uit 
de profetische geschriften van de Joodse canon die men in de synagoge voorleest na de lezing uit de Wet. 
Wechsler schrijft in zijn artikel dat hij zich goed kan herinneren, dat de afzonderlijke pericopen door 
blanke spaties ter breedte van verschillende regels van elkaar waren gescheiden en dat aan het slot zelfs de 
karakteristieke zegenspreuken niet ontbraken. Hij gaf de bisschop een c koude douche 0 en liet hem weten 
dat dit boek onmogelijk bijzonder oud kon zijn. Later heeft men er niets meer van vernomen. Naar aan¬ 
leiding van het artikel in Ha-Olam heeft S. Zeitlin nog in het Januari-nummer (1950) van de JQR een 
stuk geplaatst waarin hij eist dat de haf tarot -rol voor den dag worde gebracht en in de Library of Congress 
te Washington ten toon worde gesteld in plaats van de Isaïasrol en de andere die men daar nu kan zien! 
T. Wechsler is met zijn opzienbarende mededeling wel wat erg laat gekomen, is echter in zijn beweringen 
zeer positief. Het lijkt niet uitgesloten dat de halftarot -rol (indien het er werkelijk een geweest is en 
Wechsler niet het Sectarische Document daarvoor heeft gehouden, gelijk mij van Amerikaanse zijde is 
gesuggereerd) niet uit dezelfde bron afkomstig is als de overige rollen en daarom mogelijker wijze door 
de bisschop is achtergehouden. In verband hiermede is het uit particuliere bron stammende bericht misschien 
van belang dat, vermoedelijk in ‘1947, in Palestina Grieks-Christelijke teksten (preken) op papyrus zijn 
ontdekt, die moeten dateren uit de 5de eeuw; een daarvan is aan prof. Sukenik ter hand gesteld door de 
vertegenwoordiger van Frankrijk in de staat Israël, M. Neuvilue.] 









PALESTIJNSE ARCHEOLOGIE 

PALESTIJNSE ARCHEOLOGIE NA DE OORLOG 

OVERZICHT VAN DE INHOUD 

A — Publicaties aangaande Lachisj, Samaria, Teil C — Heeft liet Hellenistisch-Romeinse graf bij Tal- 
Beit Mirsim, Jericho, Teil en-Nasbeh, Megiddo piotli een Christelijk karakter? 

B — opgravingen te Teil el Far c ah, Hirbet Kerak, D — Uitzicht in de toekomst 
Teil Jerisje, Sjeik Abreq, Beth Alpha, Na- 
harija, Jerusalem 

Na de eerste wereldoorlog behoefde weinig méér dan een enkel jaar te verstrijken om 
de eerste opgraving in Palestina mogelijk te maken (Askalon, 1921) en binnen vijf of zes 
jaren was een periode van aktiviteit begonnen zoals er tevoren nooit een geweest was. Wie 
gehoopt heeft, dat ook het einde van de tweede wereldoorlog het sein zou worden voor een 
nieuw bloeitijdperk in de Palestijnse archseologie, is wel zeer teleurgesteld geworden. Dat de 
onveilige en onstabiele inwendige toestand van het land hiervan de voornaamste oorzaak is, 
mag als te zeer bekend worden verondersteld om nader betoog te behoeven. Een verslag over 
de vooruitgang en de aanwinsten van de Palestijnse archaeologie gedurende het eerste lustrum 
van de c vrede° is dan ook geen opwekkende taak en vindt eigenlijk zelfs meer zijn rechtvaardi¬ 
ging in het verlangen om toch een acte de présence te stellen dan in de vrees de lezer anders 
te beroven van wat hij zeker diende te vernemen. 

Onmiddellijk moge hieraan toegevoegd worden, dat deze jaren van gedwongen non-akti- 
viteit-te-velde niet noodzakelijk als geheel verloren behoeven te gelden. De Palestijnse archseo¬ 
logie heeft altijd gesukkeld met een groot tekort aan definitieve en volledige rapporten over de 
verschillende opgravingsterreinen, en als deze jammerlijke achterstand in de tegenwoordige 
periode werd ingehaald, zou men zelfs eerder van een gewin mogen spreken. Ook zou er geen 
betere voorbereiding denkbaar zijn op de hervatting van de praktische werkzaamheden die 
toch wel eens zal komen. 

A. — PUBLICATIES 

Althans ten dele hebben de tot kamerarbeid gedwongen archseologen deze unieke kans 
om c bij te komen 0 inderdaad loffelijk benut. Terwijl wij juist vóór de overrompeling van 
Nederland nog in het bezit kwamen van het tweede deel van het Lachisj-rapport, is sinds het 
einde van de oorlog door Miss O. Tufnell en haar medewerkers hard gewerkt aan deel in. 
Aangezien ik reeds in 1947 gedeelten hiervan te Londen gezien heb, kunnen we vertrouwen, 
dat het niet lang meer op zich zal laten wachten. Hetzelfde geldt van het derde deed der 
CROWFOOT-expeditie naar Samaria-Sebaste, waarvan de verschijning reeds lang door het 
Palestine Exploration Fund is aangekondigd en vermoedelijk alleen nog wordt opgehouden 
door de economische omstandigheden van Engeland in het algemeen en van het Palestine 
Exploration Fund in het bijzonder. Deze laatste instelling, die voor de wetenschappelijke 
exploratie van Palestina meer verdiensten heeft dan enig andere ter wereld, leidt helaas een 
kwijnend bestaan en kon zelfs haar tijdschrift, het Palestine-Exploration Quarterly, nog slechts 
in halve omvang herstellen. Midden in de oorlog schonk Albright ons het afsluitende deel van 
zijn Excavation of Teil Beit Mirsim (1943), een werk van zodanige kwaliteit dat zij de be¬ 
tekenis van deze opgraving voor de archseologische wetenschap ver doet uitstijgen boven de 
intrinsieke en relatieve betekenis van de plaats. Helaas moeten we een goed bruikbaar rapport 
over Garstang's jarenlange en in de hele wereld met bijzondere belangstelling gevolgde 
onderzoekingen te Jericho wel af schrijven, aangezien de auteur in de laatste jaren zijn belang¬ 
stelling op terreinen buiten Palestina heeft losgelaten. Over het centrale punt van het dispuut, 
dat door de opeenvolgende Duitse en Engelse opgravingen te Jericho is opgeworpen — de 
einddatum van de dubbel-ommuurde stad —, heeft Garstang in 1941 naar aanleiding van een 
z.i. nieuw gegeven een kort slotwoord gesproken (AJSL 38, 1941, blz. 368-72 en PEQ 73, 
1941, blz. 168-71) en daarmee schijnt het dossier voorlopig afgesloten. Wie naast de vele 
tussentijdse rapporten een ordelijk overzicht van zijn bevindingen wenst, moet zich tevreden 


PALESTIJNSE ARCHEOLOGIE NA DE OORLOC 


73 


stellen met het populaire boekje The Story of Jericho door J. en J. B. E. Garstang, waarvan 
een tweede oplage is verschenen (Londen, 1948). Ook na het einde van de jongste oorlog 
zijn nog enkele lacunes in de archeologische literatuur van Palestina aangevuld, en wel op 
een wijze die het moeilijk maakt de stopzetting van het praktische werk nog hevig te betreuren. 
Ik doel hiermee eerstens op het forse tweedelige rapport van C. C. McCown over Teil en- 
Nasbeh (Berkeley and New Haven, 1947), waarvan men in BiOr. 5 een uitvoerige bespreking 
en waardering vindt, en de toevoeging van twee niet minder monumentale banden aan het 
reeds zeer lijvige Megiddo-rapport van het Orientcd Institute of Chicago (Megiddo II, 
Seasons of 1935-39, Text. Plates. Chicago, 1948; ■= OIP lxii). Wij danken deze pracht- 
delen aan Gordon Loud en bij gelegenheid zou een geheel afzonderlijke bespreking aan hun 
rijke inhoud kunnen worden gewijd. Omdat 1939 het laatste jaar is, waarin de expeditie te 
Megiddo heeft kunnen werken, is het rapport nu geheel c bij°. Het is tevens de grootste publi¬ 
catie die ooit aan een Palestijnse opgraving is gewijd. Ook het langverbeide verslag over de 
korte maar belangrijke Franse opgraving in Et-Tell bij Bethel, waarover ik in een vorig 
jaarbericht reeds eenmaal geschreven heb (Jrb. 10, 1948), is thans verschenen maar eerst dezer 
dagen in Nederland gearriveerd. Als ik goed ben ingelicht, ligt het terrein van deze opgraving 
in het Arabische deel van Palestina, zodat het voor deze Joodse expeditie wel heel moeilijk zal 
zijn haar werkzaamheden te hervatten. Tenslotte zal men het iemand, die al een aantal jaren 
worstelt met de weerbarstige problemen van het oudtestamentische Jerusalem, niet kwalijk 
nemen, indien hij de grootste aanwinst van zijn boekentafel ziet in Raymond Weill's tweede 
deel over de Cité de David . In een recent nummer van BiOr (6, 1949, 18-20) is ook dit werk 
reeds besproken. 

B. — OPGRAVINGEN 

Dat de uitwendige omstandigheden de voortzetting van opgravingswerkzaamheden op 
grote schaal in Palestina tot nu toe onmogelijk hebben gemaakt, betekent gelukkig geen 
volkomen stagnatie. Waar buitenlandse instituten momenteel geen lust hebben of geen 
kans zien om naar hun aangebeten tell’s terug te keren, is het een opportuun idee geweest 
van de in Jerusalem zelf gevestigde Ecole Pratique d’Etudes Bibliques der Franse Domini- 
kanen om in de bres te springen en een eigen opgraving te beginnen. Onder de kundige 
leiding van R. de Vaux o.p. heeft zij reeds twee seizoenen gewerkt in Teil el-Far c ah ten 
Oosten van Nabloes (zie Rev. Bibl 54, 1947, blz. 394-433 en 55, 1948, blz. 544-580) en een 
derde campagne schijnt voor 1950 op het program te staan. Het is nog te vroeg om de be¬ 
tekenis van deze nieuwe archseologische onderneming te schatten, maar alles wettigt de hoop, 
dat Teil el-Far c ah — al zal het misschien niet blijken het oudtestamentische Tirsa te zijn — 
mettertijd onder de belangrijke opgravingsterreinen van Palestina zal kunnen worden ge¬ 
rekend. De ontdekking van een rijk voorziene necropool zal voor de opgravers wel een 
bijzondere bemoediging geweest zijn in hun door de omstandigheden niet bepaald gemakkelijk 
werk. Het is jammer, dat deze expeditie als een der eerste de terugslag ondervindt van de 
radikaal gewijzigde economische omstandigheden in Palestina, waardoor de kosten van de 
arbeidskrachten een veelvoud zijn gaan bedragen van wat zij plachten te zijn. De tijd, dat men 
met tien of zelfs minder piasters per dag een stoere fellah van zonsopgang tot zonsondergang 
aan het werk kon zetten en er nog voor bedankt worden bovendien, is definitief voorbij. Dit is 
nog meer het geval op plaatsen, waar met Joodse, door vakbonden gesteunde krachten moet 
worden gewerkt, gelijk het geval was in de kleine opgravingen van de Jewish Palestine Explo¬ 
ration Society in Hirbet Kerak aan de zuidpunt van het Meer van Tiberias en op Teil Jerisje bij 
Jaffa. Omtrent deze beide ondernemingen ontbreken nog voldoende gedetailleerde gegevens. 
Hirbet Kerak heb ik in de zomer van 1947 bezocht en vastgesteld, dat deze opgraving zich 
tot nu toe beperkt heeft tot twee kleine segmenten. Deze plaats — Beth Jerach van de Tal¬ 
moed — is echter de grootste ruïneheuvel van heel Palestina, zodat men nog nauwelijks van 
een begin van opgraving kan spreken. De eerste resultaten wijzen op het belang van de 
plaats aan de karavaanweg tussen Damascus en Mesopotamië enerzijds en Egypte anderzijds. 
Reeds in het vierde duizendtal v. Chr. bezat zij ook een massieve aarden omwalling. Een 
Jaarbericht No. n 


6 














74 


PALESTIJNSE ARCHEOLOGIE NA DE OORLOG 


bijzonder goed bewaard bouwwerk ongeveer uit het midden van het derde duizendtal zal 
als monument blijven bestaan (zie BJPES n, 1945, blz. 77-84 en 13, 1947, blz. 53-64). Joodse 
geleerden hebben verder nog gewerkt op enkele laat-joodse plaatsen, zoals Sjeik Abreq (Beth 
Sjearim van de Talmoed) en Beth Alpha met zijn bekende synagoge. De bloeiende kolonie 
van Naharijja ten Noorden van Akka heeft onder leiding van zijn enthousiaste burgemeester 
een tempeltje blootgelegd aan het zeestrand, recht tegenover een uit het zeewater opborrelende 
zoetwaterbron. Het tempeltje dateert uit het Midden-Brons-tijdvak maar is slechts een paar 
eeuwen in gebruik geweest. Talrijke ex-voto’s laten weinig twijfel aan het sacrale karakter 
van het bouwwerk, dat wel vaak bezocht zal zijn door de karavanen die zich langs het strand 
voortbewogen in de richting van de Phoenicische steden. Het vermoeden ligt enigszins voor 
de hand, dat de eigenaardige zoetwaterbron aanleiding geweest is tot de stichting van dit 
heiligdom. 

De bouw van militaire inrichtingen over het hele land gedurende de oorlogsjaren heeft 
ook geleid tot een reeks toevallige ontdekkingen. Deze zijn wel veelsoortig maar alleen van 
betrekkelijk belang. C. N. Johns heeft er een kort overzicht van gegeven in het Juli-October- 
nummer van het Palestine Exploration Quarterly (1948 blz. 81-101). Ook in Jerusalem zijn 
enkele gemeentelijke werkzaamheden aanleiding geweest tot detailvondsten, met name van 
overblijfselen van een der twee voornaamste straten in het Romeins-Byzantijnse Jerusalem, 
gelijk wij die kennen uit het mozaïek van Madaba. In aansluiting daarbij heeft Johns ook 
een verklaring voorgesteld van de eigenaardige loop van de bestaande zuidelijke muur van 
Soliman 11. Deze volgt, naar men niet zonder reden aanneemt, het tracé van de muur van 
Aelia Capitolina, maar loopt zeer opvallend niet uit op een der hoeken van het Herodiaanse 
hiëron doch tegen het midden van de zuidelijke omheiningsmuur hiervan, waartegen aan de 
binnenkant eens de Stoa Basilica stond. Johns vermoedt nu, dat de oorzaak van de onver¬ 
wachte wending van de stadsmuur moet gezocht worden in het Romeinse stadium, waarvan 
het Chronicon Paschale melding maakt. De twee benen van de hoek in de stadsmuur zouden 
de zuid- en oostgrens van dit stadium aangeven ( o.c ., blz. 92 vlg.). Een opgraving in het 
braakliggende terrein binnen deze hoek zou ook om andere redenen zeer welkom zijn, maar 
de onmiddellijke nabijheid van het grote moskeeplein en de nog meer onmiddellijke nabijheid 
van de hoogvereerde Aqsa-moskee zal dit wel volslagen onmogelijk maken. In 1947 heeft 
Johns verder nog enige onderzoekingen gedaan naar de oudste bouwresten in het gebied van 
de Citadel, waarover ik in het vorige Jaarbericht al enige mededelingen deed (blz. 473 sqq.). 
De oudtestamentische datum van de eerste stadsomwalling op deze plaats, die men toen vrij 
zeker meende te kunnen aannemen, is er niet waarschijnlijker op geworden (zie PEQ 1948 
blz. 91-92). De enige en trouwens zeer voor de hand liggende manier om eindelijk een defini¬ 
tief antwoord te vinden op de vraag, die de gehele Jerusalem-topographie beheerst, nam. wan¬ 
neer de Zuidwestheuvel door de stad werd geannexeerd 3 , is een opgraving tussen de bestaande 
westelijke stadsmuur en S. James' Street in het Armeense kwartier. De geringe bebouwing 
van een brede strook gronds langs de muur maakt deze opgraving nu nog mogelijk. 

C. — HEEFT HET HELLENISTÏSCH-ROMEINSE GRAF BIJ TALPIOTH EEN 
CHRISTELIJK KARAKTER? 

Onder de vele toevallige vondsten, waartoe bouwwerken en soortgelijke ondernemingen 
in de laatste jaren aanleiding hebben gegeven, verdient bijzonder melding te worden gemaakt 
van een Hellenistisch-Romeins graf aan de weg van Jerusalem naar Bethlehem, tegenover 
de wijk Talpioth (zie Fig. 5). Men zal wellicht herinneren, dat kort na de jongste wereld¬ 
oorlog in de pers een sensationeel bericht de ronde deed omtrent de ontdekking van graf- 
inschriften en voorstellingen die zouden doelen op de kruisdood van Christus. De Amerikaanse 
dagbladen spraken van „wat men houdt voor een ooggetuigeverslag van Christus' dood" en van 
„een hartroerende weeklacht, waarschijnlijk geschreven enkele weken na de kruisiging". De 
meeste tijdschriften op bijbels en archaeologisch terrein hebben destijds ook van deze opzien¬ 
barende ontdekking melding gemaakt, tenminste om mee te delen, dat zij nadere gegevens 


PALESTIJNSE ARCHEOLOGIE NA DE OORLOG 


75 



wilden afwachten alvorens een oordeel uit te spreken. Thans heeft professor E. L. Sukenik 
een rapport over deze ontdekking gepubliceerd, zowel in de American Journal of Archceology 
(51, 1947, blz. 351-365) als in een afzonderlijke brochure (Philadelphia, 1947). Het rapport 
is helder en gedetailleerd, zodat eindelijk alle gegevens ter ieders 
beoordeling beschikbaar zijn. 

Het onderhavige, in de rots uitgehouwen graf van Talpioth, 
wordt behalve door zijn eigenlijke inhoud door een munt van 
Agrippa 11 gedateerd rond het midden van de eerste eeuw na 
Chr. Het heeft geheel de gebruikelijke vorm van de grotere graf¬ 
monumenten uit het Hellenistisch-Romeinse tijdperk: een dromos 
of voorportaal, een ongeveer rechthoekige centrale grafkamer 
met een inzinking in de bodem nabij de toegang, zodat men er 
hier rechtop in kan staan, en rondom de gewone loculi of 
kokhim. Hierin bevonden zich veertien ossuaria of beender- 
kisten, waarvan er echter al drie verwijderd waren, toen Suke¬ 
nik op verzoek van het Departement van Oudheden een onder¬ 
zoek ging instellen. Niemand was voor dit onderzoek beter ge¬ 
kwalificeerd, want professor Sukenik is facile princeps in het 
chapiter van ossuaria en Joodse grafmonumenten. Toch moet 
men zeer ernstig bezwaar maken tegen de titel van zijn brochure, 
waarin enige op de ossuaria aangebrachte namen en gelijkbenige 
kruistekens ( + ) positief worden aangediend als The Earliest 
Records of Christianity . Dit is, op z'n zachtst gezegd, meer on¬ 
waarschijnlijk dan waarschijnlijk en van de sensationele kranten¬ 
berichten blijft bij nuchtere beschouwing zeer weinig over. 

Het is al enigszins boud een Hebreeuws inschrift (Fig. 6), 
dat vermoedelijk (maar niet zeker!) moet gelezen worden als 
„Simeon Barsaba" toe te schrijven aan „een Joodse familie van 
Jerusalem, waarvan enkele leden uit het Nieuwe Testament blij¬ 
ken behoord te hebben tot Jesus' eerste leerlingen". Uit het als 
bewijs daarvoor dienende feit, dat twee verschillende personen 
met de naam Barsab(b)as in de Handelingen der Apostelen (1, 23; 15, 22) voorkomen, zou 
men met enig recht mogen af leiden, dat deze naam vrij veelvuldig onder de Palestijnse Joden 
van die tijd voorkwam. Of de twee aldus genoemde personen uit de Handelingen iets te maken 



Talpioth aan de weg Jerusa¬ 
lem-Bethlehem 
AJA 51, p. 352 



Fig. 6. Facsimile van Hebreeuwse grafinscriptie, vermoedelijk te lezen 
c Simeon Barsaba 3 , AJA 51, p. 357 


hebben met de in Talpioth begraven „Simeon Barsaba", moet nog geheel bewezen worden. 
Sukenik zelf hecht trouwens meer waarde om de titel en de strekking van zijn rapport te 
rechtvaardigen aan twee Griekse inschriften. Op de achterzijde van ossuarium n°. 7 staat met 
houtskool geschreven Tyjctou^ tob, gevolgd door een schuine streep (Fig. 7). Ofschoon de 
naam Ty)aou<; (Joshua c ) natuurlijk in het geheel geen verwondering mag wekken en in de 
Septuagint tob de weergave is van de Hebreeuwse naam Jehu (een der koningen van Israël), 
geeft Sukenik er de voorkeur aan tob, eventueel op enigmatische wijze verdubbeld door de 
schuine streep, op te vatten als de Griekse interjectie tob tob, d.i. c wee, wee 3 ! Om hierin dan 

















PALESTIJNSE ARCHEOLOGIE NA DE OORLOG 


76 


verder een weeklacht te zien over de dood van Jesus (van Nazareth), moet men volledig over 
het hoofd zien, dat de namen op de ossuaria steeds op hun bewoners 0 en niet op een ander 
plegen te doelen, zoals ook in het zo juist vermelde geval van „Simeon Barsaba”. Hetzelfde 
•bezwaar geldt tegen de interpretatie van een op het deksel van ossuarium n°. 8 gegrifte naam. 
’ItjctoO? dXcóQ (Fig. 8). Hiervan is het tweede woord — een Hebreeuwse vorm — van duistere 
betekenis, maar kin in ieder geval op grond van Septuagint (Hgl. 4, 14) en Nieuwe Testa- 





Fig. 7. Opschrift van ossuarium 7 in Griekse karakters 

IHCOYC IOY AJA si, p.338 


ment (Jo. 19, 39) in verband worden gebracht met de aloë-plant, zodat men zou kunnen denken 
aan een bijnaam van deze Omwille van de aldus moeilijk verklaarbare vorm aXco 0 

meent Sukenik gerechtigd te zijn c tentatief 3 te denken aan een afleiding van de Hebreeuws- 

Aramese stam d.i. weeklagen, en zo komt hij tot een betekenis van dit graffito „gelijk¬ 

staand met c Hij werd gekruisigd! 3 ”. 

Natuurlijk is de geleerde onderzoeker tot dergelijke interpretaties, die men bijna roeke¬ 
loos zou noemen en waarop natuurlijk de persberichten steunden, niet in de laatste plaats 
gekomen door de met houtskool op ieder van de vierzijwanden van het ossuarium van ’lvjaou^ 
aXo >0 aangebrachte kruistekens (Fig. 9). Kleiner en in de steen gegrift ziet men ditzelfde teken 
ook op het deksel van ossuarium n°. 10, waar het door Sukenik eenvoudig en zeer terecht 
beschouwd wordt als een „mason’s mark”, m.a.w. een merk- of eigendomteken. Precies het¬ 
zelfde kruisteken komt in deze functie al voor in het salomonische Megiddo en is bovendien 
een letter van het G Phoenicische 3 alfabet ( tau ). Om aan de houtskoolkruisen op n°. 8 de veel 
meer sensationele betekenis te geven van een toespeling („a pictorial expression”) op de recente 
kruisdood van ’Iyjcjou? (van Nazareth!) beroept Sukenik zich op een weinig bekende vondst 
van Clermont-Ganneau, die in een graf op de Olijfberg een ossuarium zag, dat met een 


\h^A\uü(9 

Fig. 8. Inscriptie op deksel van ossuarium 8 in Griekse karakters 

IHCOYC AAÜ0 AJA si. P- 358 

Grieks inschrift en een kruisteken was versierd. Het laatste was in dit geval een crux immissa 
(f). Overeenkomstig de (ook nu nog heersende) opvatting, dat het kruisteken als icono- 
graphisch Christelijk embleem eerst rond de tijd van Konstantijn de Grote in zwang is ge¬ 
komen en nog in de tweede eeuw na Chr. uiterst zeldzaam wordt aangetroffen, gaf Cler¬ 
mont-Ganneau aan het onderhavige ossuarium een zeer late datum. In het licht van de 
nieuwe vondst wil Sukenik zich hiervan losmaken en haalt ten bewijze daarvan ook een kruis 
aan, dat enkele jaren geleden in Herculaneum gevonden werd (AJA 51, Plate lxxxviii) en 
ouder moet zijn dan 79 na Chr. (verwoesting van Herculaneum door de uitbarsting van de 






















73 


PALESTIJNSCHE ARCHEOLOGIE NA DE OORLOG 


Vesuvius). Het is mij niet bekend, of de vondst van Herculaneum algemeen door de Christe¬ 
lijke archaeologen erkend is. Doch zelfs indien dit het geval was, moet men in aanmerking 
nemen, dat we ook hier met een crux immissa te doen hebben en dat het als zodanig een 
unicum voor zijn tijd is. Het gelijkbenige, zogenaamde Griekse kruis is als Christelijk symbool 
geheel onbekend tot een eeuw na het graf van Talpioth. Terwijl men aan de Tvjo-ou^-inschriften 
op de ossuaria gerust iedere bijzondere betekenis mag ontkennen, zal men dus geneigd zijn voor 
de kruistekens op ossuarium n°. 8 een prozaïsche betekenis althans veel waarschijnlijker te 
achten dan die van een Christelijk symbool, het nauwelijks tien jaar na de dood van Christus 
nog verachte kruisteken. Het liefst denkt men ook bij de houtskoolkruisen van dit ossua¬ 
rium aan een eigendomsteken. Minder waarschijnlijk lijkt het mij, dat zij aanduiden dat het 
ossuarium ^bezet 3 was, gelijk iemand heeft gesuggereerd. Het kistje zal immers vanzelf¬ 
sprekend eerst in de loculus geplaatst zijn, nadat een gebeente erin was neergelegd. Alles samen 
zijn wij tenslotte door de Talpiothvondst alleen verrijkt met een veertiental, meestal zeer goed 
maar in klassieke en overbekende stijl gedecoreerde ossuaria en met enkele namen. Hiervan 
was alleen c Jehu° ons voor een zo late periode nog onbekend, ofschoon Sukenik zelf wijst 
op een grafsteen in de Joodse catacombe van Monteverde te Rome, waarop geschreven staat: 
’EvGaSs xziTz Toó. Dit inschrift is misschien niet meer als zó c unfinished 3 te beschouwen als 
tot nu toe gedaan werd. 

D — UITZICHT IN DE TOEKOMST 

Bijna noodzakelijk tracht men na de bovenstaande terugblik op de laatste jaren ook een 
blik te werpen in de toekomst. Als wij voor de gezonde ontwikkeling van de Palestijnse archaeo- 
logie iets moeten wensen, dan is het, dat het nog zo kort functionnerende maar in alle opzichten 
onmisbaar gebleken Department of Antiquities te Jerusalem zijn eigen werkzaamheden en 
zijn supervisie over alle archeologische ondernemingen zal kunnen hervatten, en dan voor 
heel Palestina. Alleen internationalisatie van Jerusalem en een daarbij aansluitende over¬ 
eenkomst tussen Israël en Jordanië zou hiertoe de weg kunnen openen. Waarschijnlijk zou deze 
internationalisatie ook een bijzondere zegen zijn voor de exploratie van het oude Jerusalem, 
dat nu in Arabische handen is. Meermalen heb ik in het verleden ook het vermoeden en de 
hoop uitgesproken, dat na Wereldoorlog II Transjordanië het hoofdterrein zou worden van 
de archeologische werkzaamheid. Rijke mogelijkheden liggen daar bij dozijnen te wachten en 
de uitgebreide exploraties van Nelson Glueck hebben het terrein goed voorbereid. Er is tot nu 
toe helaas geen teken, dat deze hoop zal worden vervuld. Wanneer men hoort, dat een UNO- 
commissie een groot plan heeft opgesteld tot systematisering van het dal van de Jabbok, moet 
men zelfs vrezen, dat de archeologen te laat zullen komen, want juist in dit dal liggen de 
meest aanlokkelijke vindplaatsen. Van de 750.000 Arabische vluchtelingen, voor wie een be¬ 
staansmogelijkheid wordt gezocht, zouden er tenminste enkele honderden op Teil Deir Alla, 
Toeloei ed-Dahab, Teil el Ahsas en andere te werk moeten gesteld, alvorens de bulldozers uit 
Amerika er een kans krijgen. 

Leiden, December 1949 J. Simons 


ENIGE PAS GEVONDEN ZEGELS UIT C AMMAN 

Zie PLAAT XIX 

In de zomer van 1949 zijn bij c Amman, de hoofdstad van Transjordanië (het bijbelse 
Rabbat c Ammön, de hoofdstad van het rijk der c Ammönieten) opnieuw verschillende voor¬ 
werpen uit de zevende eeuw a.C.n. gevonden. Een mededeling hierover verlucht met enkele 
photo’s verscheen in de Illustrated London News ri° 5759 van 3 Sept. 1949 van de hand 
van G. Lankester Harding. 

In verband met bouwwerkzaamheden is er de laatste jaren veel gevonden in verschillende 
gedeelten van Transjordanië. Vermelding verdienen vooral de vele graven die zo aan het 
licht kwamen en die gedateerd kunnen worden van =h 2500 a.C.n. tot de Romeinse tijd. Immers 
in of bij deze graven vond men juist vele belangrijke antieke voorwerpen. Het laatste graf 
dat gevonden werd, leverde de voorwerpen op, waarvan er hier enige zullen worden besproken. 
Het betreft hier een in de zijwand van de citadelheuvel van c Amman uitgehouwen grafkamer, 
die in oude tijden al beroofd en uitgebrand werd en db dertig jaar geleden schoongemaakt 
werd voor nieuw gebruik. In de afgelopen zomer vond een arbeider bij het glad maken van 
de grond voor dit graf drie zegels. Op grond daarvan liet het Departement van Oudheden er 
opgravingen verrichten, waarbij nog meer voorwerpen voor de dag kwamen. Zo leverde deze 
opgraving een ovaal zegel van zwart met wit gestreepte steen, waarin een gevleugelde 
Assyrische godheid en de naam seb- c al ( ILN , p. 351, fig. 4) gegraveerd is, op. Verder een 
bruin stenen zegel met de koninklijke viervleugelige scarabaeus, drie sarcophagen van aarde¬ 
werk, een grote groep van potscherven (voor de datering belangrijk!) en een grote groep 
zilveren en gouden sieraden, waaronder een zeer mooie gouden sierspeld in uitstekende 
conditie bewaard. Tenslotte nog een viertal zegels, waarvan in dit Jaarbericht photo’s opge¬ 
nomen zijn (plaat xix). 

In de eerste plaats een zegel van Assyrisch type, dat onder een zilveren beugelt je hangt. 
Het is aan beide zijden gegraveerd met Assyrische godenfiguren en een hond, terwijl zich 
op de basis ook weer Assyrische godenfiguren bevinden (zie plaat xix, b, c). 

In de tweede plaats een bruin stenen zegel waarop een staande gevleugelde sphinx is 
afgebeeld (zie plaat xix d). 

In de derde plaats een zegel, waarop een priester voorkomt, die voor een altaar staat 
waarop een standaard is aangebracht. Daarboven ziet men een halve maan (plaat xix d). 

Tenslotte is er in de vierde plaats een zegel, dat het meest onze aandacht vraagt, daar 
het een zuiver naam-zegel is. Niet alleen de naam van de eigenaar staat er op, doch ook zijn 
functie bij de koning en diens naam. Alles in het zgn. Oud-Hebreeuwse of Phoenicische 
schrift, op het zegel natuurlijk spiegelschrift (zie plaat xix a en b). 

rha px 1 ? 

In Hebreeuws quadraatschrift getranscribeerd luidt de inscriptie: ■ - 

aiaoy na 

In Latijnse karakters getranscribeerd zal men moeten lezen: l^adöni-nër c gbed c ammi - 
nadab , d.w.z.: [zegel behorende] aan 3 Adöninër, de dienaar (minister of vizier) van 
c Aminadab. 

In en ook wel buiten het eigenlijke Palestina zijn vele van dergelijke zegels gevonden 
in de loop der jaren. Het laatst en het meest volledig zijn deze uitgegeven door D. Diringer, 
Le iscrizioni antico-ebraiche palestinesi, 1934, bldz. 159-261. Vgl. verder ook: G. R. Driver, 
Semitic writing from pictograph to alphabet, 1948, bldz. H2sqq. 

De naam 3 Adöni-nër komt op geen enkel ander zegel voor en ook niet in het O.T. Het 
is een theophore naam, waarin °adön (heer) het theophore element is. Namen met dit theo- 
phore element komen in het O.T. wel voor; men denke slechts aan: °Adöni-bezek (Jdc. 
1: 5 sqq.), °Adöni-sedek (Jos. 10:1 en 3) en: °Adöni-ram (I Kon. 4:6 en 5:14). Verder 
vinden wij bij Diringer, a.w., zegel 98, bldz. 254, nog de naam: ^Adöni-pqlqt Vgl. voor 




8 o 


PALESTIJNSE ARCHEOLOGIE: C AMMAN 


dergelijke met °adön als theophoor element samengestelde eigennamen ook: M. Noth, Die 
israelitischen Personennamen im Rahmen der gemeinsemitischen Namengebung, bldz. ii4sqq. 
Het naamselement nër komt ook voor in het O.T. en ook op de zegels (b.v. Diringer, a.w., 
zegels 19, 50 en 56). In het O.T. zijn namen als: °Ab nër en iVmjah(u) bekend, terwijl Nër 
daar ook zelfstandig als naam voorkomt (b.v. I Sam. 14:50 en 51). Het woord nër moet 
men in dergelijke namen met M. Noth, a.w., bldz. 167, wel als c lamp° opvatten, zodat de 
naam °Adöni-nër betekent: de godheid (als stamheer opgevat) is een lamp (lichtgever). 

De naam c Ammi-nadab komt verschillende malen in het O.T. voor en ook op één zegel 
(Diringer, a.w., zegel 98, bldz. 254). In het O.T. treffen wij in verschillende geslachtslijsten 
deze naam aan als de eigennaam van een Judaeër, die de zoon is van Ram en de vader van 
Nahsön (Num. 1: 7; 2:3; 7: 1, 2 en 10; Ruth 4: 19 en 20 en I Chron. 2: 10). Verder lezen 
wij in Ex. 6: 23 dat deze zelfde c Ammi-nadab ook de schoonvader van 3 Aharön was, terwijl in 
I Chron. 6: 7 nog een andere c Ammi-nadab genoemd wordt, nl. een zoon van Ke hat, die een 
van de drie zonen van Levi was. Het spreekt van zelf dat deze twee bijbelse personen van 
deze naam niet op het pas gevonden zegel bedoeld worden. 

De naam Q Ammi-nadab is ook een theophore naam, waarin c Am(mi) het theophore 
element is. Ook andere namen met dit theophore element komen in het O.T. voor: c Ammi- 
zabad (I Chron. 27: 6), c Ammi hud (b.v. Num. 2: 18), c Ammië 1 (b.v. Num. 13: 12), c ^dmram 
(Ex. 6: 17 en 19) en Amn on (II Sam. 3:2) etc. Voor c am als theophoor naamselement ver¬ 
gelijke men M. Noth, a.w., bldz. 76 sqq. Het naamselement nadab komt ook in verschillende 
andere eigennamen in het O.T. voor, b.v. °Abi -nadab (I Sam. 7: 1), Je(h )önadab (II Sam. 
13:3) e.a. Met M. Noth, a.w., bldz. 193, moet men dit element nadab wel op de vrijgevigheid 
van de godheid laten staan, zodat de naam c Ammi-nadab betekent: de godheid (als stamgod- 
heid opgevat) is vrijgevig (heeft zich vrijgevig getoond). 

Wie is nu de c Ammi-nadab van ons zegel? Met de twee bijbelse personen van deze 
naam kan hij niet vereenzelvigd worden. Wel echter met de c Ammi-nadab van zegel 98 bij 
Diringer. De herkomst van dit zegel is onbekend, men weet alleen, dat het =L zestig jaar 
geleden ergens gevonden is. Wanneer Diringer, aw., bldz. 253, zegt: „con ogni probabilita si 
trattera di una gemma ammonita” dan mag men op grond van dit nieuwe zegel wel zeggen, 
dat die waarschijnlijkheid in een zekerheid is veranderd. Op beide zegels hebben wij dus te 
maken met een c Ammi-nadab, die koning der ' c Ammonieten was. Uit het O.T. kennen wij 
geen c Ammonitische koning van die naam. Wel echter uit de Assyrische litteratuur, waar een 

I Am-mi-na-ad-bi sar matBit-Am-ma-na = c Ammi-nadab de koning van Ammon voorkomt 
(Assurbanipal, Cyl. C. I 34; Streek, II p. 140). Deze vorst was schatplichtig aan Assur onder 
Assurbanipal (668-626) en was dus een tijdgenoot van koning Manasse van Juda (696-642). 

Dit zegel, en dus ook het als n° 98 bij Diringer voorkomende zegel, zijn de enige zegels, 
die zich zo nauwkeurig — in dit geval zb 650 a.C.n. — laten dateren. 

Tot slot zij er op gewezen dat deze vondst ons beeld dat wij van Ammon gevormd 
hadden, weer bevestigt. Een Semietische cultuur met eigen typiek treffen wij aan, die voor 
zijn eigen vormgeving zich aansluit bij de grote culturen van de oudheid. De meeste ont¬ 
leningen zijn afkomstig uit de Assyrische kring, maar in de sphinx mogen wij aan Egyptische 
beïnvloeding denken. 


Groningen, Januari 1950. 


J. H. Hospers 


KLEIN AZIË EN SYRIË 

OÜ EN EST LE DÉCHIFFREMENT DES HIÉROGLYPHES HITTITES? 


Malgré les progrès considérables survenus depuis le temps ou M. Dhorme donnait a 
la revue Syria une mise au point du problème, c’est encore de déchiffrement qu’il s’agit 
aujourd’hui. La lenteur relative des études hiéroglyphiques s’explique par plusieurs raisons; 
la langue et Técriture étaient également inconnues. La parenté indo-européenne qu’on a du 
reconnaitre trés tót ne constitue pas, malgré les apparences, une condition favorable; le type 
d’écriture est assez banal, mais le mécanisme s’en est révélé a 1’usage beaucoup plus compliqué 
qu’on ne le soupgonnait d’abord. Le matériel est infiniment dispersé. Les savants qui se sont 
consacrés au déchiffrement n’étaient pas, sauf HROZNy, hittitologues au sens strict, et 
n’avaient du matériel cunéiforme qu’une connaissanee médiate; ils ont parfois manqué de 
sang-froid scientifique, cherchant dés le début a lire les textes couramment, au lieu de 
s’attacher a établir des certitudes limitées. 

Depuis le Corpus modèle de Gelb, Hittite Hieroglyphic Monuments, 1939, plusieurs 
monuments nouveaux, et importants, sont apparus. Citons par exemple la stéle de Gekke prés 
d’Alep ( Iraq, 1948), intéressante par les nombreux noms propres de lieux et de personnes 
qu’elle contient; la stéle de Karahüyük prés d’Elbistan (publications d’Ankara, 1949), relati- 
vement archaïque; enfin et surtout la bilingue de Karatepe. Du texte hittite (deux duplicats) 
Bossert nous a donné en deux articles de la revue Oriens les 128 premiers mots, corres- 
pondant aux 18 premières lignes du texte phénicien qui en comporte 60. On fera bien d’atten- 
dre la publication intégrale de ce document Capital avant de tirer les conclusions définitives 
que Ton espère. Mais on peut affirmer dés maintenant qu’il marquera une étape décisive, non 
pas tant pour la lecture de Técriture que pour les faits grammaticaux et le lexique. 

Je résumerai la situation générale en opposant les deux états suivants: 

1) en 1939, les hiéroglyphes sont considérés en bloc, sans considération d’époque ni de 
lieu. La seule voie d’accès demeure 1 ’annalistique assyrienne, fournissant des valeurs phoné- 
tiques par les noms propres. 

2) en 1950, la situation est a la fois plus complexe et plus favorable. Les sceaux bilingues 
de Bogazköy (étudiés magistralement par Güterbock) établissent le trait d’union entre le 
hiéroglyphique ancien (2ème millénaire) et la grande source cunéiforme. Mais en face de 
Tuniformité graphique a 1 ’époque impériale, les hiéroglyphes de 1 ’époque néo-hittite (Malatya, 
Kargamis, etc.) présenten! des divergences plus ou moins prof ondes, des variantes locales. 
Le phénicien de Karatepe ouvre la porte sur le groupe homogène de Kargamis, Cekke, Hamath, 
dont on va reprendre systématiquement l’interprétation. En bref, le problème hiéroglyphique 
est cerné. 

L’é c r i t u r e mêle en proportions variables des idéogrammes et des phonogrammes (sylla- 
baire). Les signes sont rarement polyvalents; a Karatepe, le phonogramme employé comme 

idéogramme est affecté du diacritique >< ; ex. ^ Vasseoir 0 , as\ ^ ^ied 3 , 

ta. L’homophonie, que Gelb nie encore résolument en 1942. Hitt. Hier. III, paraït 
certaine. Ex, 
tepe, etc. II 

( n)da dans Karatepe 115 en face de H5 a . Constatation troublante, car on doit alors rechercher 
un principe discriminateur (problème analogue a celui de ri j tal dans les syllabaires cunéi- 
formes). Y a-t-il alphabétisme ? Les opinions sont partagées, Observons au moins que le signe 


et JIJ nu dans 1 ^ même nom Tanuhepa ; variantes des noms propres a Kara- 
semble qu’il faille aussi admettre la polyphonie de quelques signes. L'épine vaut 











82 


KLEIN-AZIË EN SYRIË 


mu dans Mutali est formé de c tête de bceuf 3 u + quatre verticales m(i). La graphie hiéro- 
glyphique du nom qui est mps en phénicien, Muksu en cunéiforme et Mopsos en grec oblige 

a poser pour G? ga ougi(a). Rien ne permet de refuser au hiér. la faculté de transcrire les 

groupes consonantiques intérieurs (comparer le problème des groupes initiaux dans Técriture 
cunéiforme hittite). Les divers syllabaires établis par Gelb, Meriggi, HROZNy et Bossert 
reposent tous sur la confrontation des noms propres attestés par diverses sources. On a souvent 
essayé de déduire les valeurs phonétiques par acrophonie a partir du mot désignant le dessin; 
méthode illusoire en bien des cas, si Ton songe que le c pied° se dit pada et a la valeur ta/da. 
L'interprétation du relatif dépend encore de telles spéculations, et le prétendu caractère satem 
de la langue aussi. 

Nous pouvons juger aujourd’hui par le fait (Karatepe) des traductions suivies données 
par HROZNy et Meriggi. Ces savants ont voulu deviner le sens de 1 ’idéogramme d’après le 
signe; comme les idéogrammes sont trés denses dans la phrase hiéroglyphique, le sens en 
dépend entièrement. Or les quelques 30 idéogrammes traduits par Karatepe phénicien ne 
confirment les hypothèses antérieures que pour une infime proportion (4 ou 5 a peu prés 
corrects). La tache est a reprendre, et cette fois en marquant bien la part immense des incer- 
titudes. 

L’origine de 1 ’écriture hiéroglyphique est inconnue ; elle apparaït vers 1700 en Anatolie. 
Les Hittites Tont probablement inventée eux-mêmes; il existe en effet, a cöté des signes 
graphiques proprement dits, un jeu de signes symboliques ou je verrais volontiers les premiers 
essais d’écriture indigène. Plus tard, après la chute de TEmpire, les hiéroglyphes demeurent 
un signe de ralliement des princes de souche anatolienne, dans un monde sémitisé. 

La langue s’apparente en tous points aux dialectes indo-européens d’Asie Mineure, 
nésite (hittite des modernes), palaite, louvite, lycien. Ses rapports plus étroits avec chacun 
de ceux-ci sont lob jet de discussions ardentes. Bien des malentendus seraient dissipés si 
Ton renongait a confondre les faits de langue, de civilisation, de race, d’ethnique. Prise en 
elle-même, la langue des inscriptions hiéroglyphiques méridionales (Syrië, Cilicie) ressemble 
de manière indiscutable au louvite; cela est surtout vrai du verbe, oü, jusqu’a présent, il y a 
même identité. L’objection porte sur les désinences nominales et sur la relatif. La disparition 
des caractéristiques -inzi, -anza, etc., peut s’expliquer par une évolution historique ou par 
1’hypothèse d’une différenciation dialectale; quant au relatif, c’est commettre un cercle 
vicieux que de poser hiér. kia- (Gelb) ou ya (HROZNy, Meriggi) pour retrouver le relatif 
indien ou établir le caractère satem. Les témoignages de Karatepe orientent plutot vers un 
thème wa- (cf. louvite kwa-). La même critique vaut pour le cas des noms de la c corne°, du 
C chien° et du c chevaP, ou le signe portant le radical demeure indécis. 

Les résultats sont dé ja considérables, puisque certains problèmes généraux sont résolus. 
Inutile donc de se presser, et de tirer plus de renseignements que les données actuelles n’en 
comportent. Les spécialistes du déchiffrement tendent naturellement a en surestimer la portee; 
on y voit la clé de toutes les langues asianiques, et on espère pénétrer par la dans Ténigme 
crétoise. Ces espoirs me paraissent chimériques. Si Ton compare sans prévention les syllabaires 
hiéroglyphique et chypro-minoen, on est obligé de constater la discordance quasi-absolue des 
signes et des valeurs. Et d’ailleurs il n'y a rien la que de naturel. Qu'il y ait eu a une certaine 
époque de la prébistoire communauté de culture, voire de langue entre les mondes anatolien et 
égéen, c’est possible. Mais quand 1 ’écriture hiéroglyphique apparaït sous sa forme la plus 
pictographique en Asie Mineure hittite, il y a entre le Hatti et la Crète un épais mur de bar- 
barie; alors Y Anatolie se tourne vers la Mésopotamie, dont elle acquiert la culture raffinée. 

Le déchiffrement méthodique du hiéroglyphique, devenu possible pour la basse époque 
grace a Karatepe, apportera des lumières désirables sur Thistoire politique du proche-orient 
vers le début du premier millénaire. II semble que, par un curieux paradoxe, le contenu des 
inscriptions dites ^hittites hiéroglyphiques 3 risque d'intéresser, plus encore que le monde 
anatolien, la protohistoire grecque dans sa phase la plus obscure. 

'Strasbourg, Février 1950 


E. Laroche 


ARCHEOLOGIE DER HETHIETISCHE RIJKEN 

platen xx-xxii 

INHOUD: 

karatepe: De ontdekking; Campagnes i-m (1947-1948); Archeologische resultaten; Philologische resul¬ 
taten; Geschiedenis van Karatepe; De sculpturen van Karatepe — kültepe — alaca höyük — kale- 

TEPE — TELL AgANA — TELL ES SHEIKH — TABARA EL AKRAD — SOGUKSU TEPE — GÖZÜUKULE — ARSLAN- 

TEPE — KARAHÖYÜK — SAKgAGÖZÜ — POLATLI 

In het vorige Jaarbericht gaven wij een overzicht over de archaeologische activiteit in 
Turkije gedurende de jaren 1940-1947. Wij wezen er toen reeds op, dat de Turk Tarih 
Kurumu, het Turkse Historische Genootschap, gedurende de oorlogsjaren en de jaren daarna 
zijn onderzoekingen had vöortgezet en daarbij opmerkelijke successen had bereikt. Lang¬ 
zamerhand hervatten ook de buitenlandse missies in Turkije hun archaeologische activiteit. 
Gedurende de jaren 1948 en 1949 zijn door de staven dezer expedities verscheidene min 
of meer uitvoerige rapporten, hetzij voorlopige, hetzij definitieve, gepubliceerd, zodat de 
resultaten langzamerhand toegankelijk worden en in philologisch en historisch opzicht kunnen 
worden verwerkt. 



Fig. 10. Kaart van het Turks-Syrische grensgebied. 
(Oriens I, 147) 


Bijzonder nuttig en overzichtelijk zijn de Archdologische Berichte über Amtolien, die 
Mevrouw H. £ambel, Assistent-professor aan de universiteit te lstanbul, in het tijdschrift 
Orientalia sinds enige jaren heeft gepubliceerd 1 ). Zij begon hiermede in 1946 en sindsdien 
heeft zij regelmatig deze rapporten voortgezet. Uit haar overzichten blijkt, dat de archaeolo¬ 
gische activiteit zich in Turkije heeft uitgestrekt tot zeer uiteenlopende beschavingslagen 
en dat in vele vildyetti (= provincies) der Turkse Republiek de spade in de grond is 
gezet, of wel exploratiereizen zijn ondernomen. Ook in Belleten , het tijdschrift van het Turks 
Historisch Genootschap, verschijnen regelmatig mededelingen over de stand der archaeo- 

A ) H. G AMBEL, Archaologischer Bericht über Ana- 263-270, 413-414; 17^ ,1948, 255-261; 18, 1949, 363- 
tolien, Orientalia NS 15, 1946, 348-357; 16, 1947, 372, 










8 4 


KLEIN-AZIË EN SYRIË 


logische onderzoekingen 2 ), terwijl ditzelfde genootschap in de 5de serie van haar publicaties 
Kazi raporlan (Opgravingsberichten) de wetenschappelijke uitwerking van de resultaten 
van zijn opgravingsexpedities geeft. Deze publicaties zijn goed gedrukt en aan het illustratie¬ 
materiaal, dat overvloedig is toegevoegd, wordt veel zorg besteed. Daardoor bezitten wij 
thans uitvoerige rapporten van de opgravingen te Alacahöyük (1935-1941) 3 ), Etiyokusu 
(1:937) 4 ), Pazarli (1937) 5 ), Karahöyük (1947) 6 ) en Perge (1943 en 1946) 7 ). Het eerste 
grote, samenvattende opgravingsrapport van de expedities te Karatepe is als negende nummer 
in deze serie wel aangekondigd, doch nog niet verschenen. Het in 1947 opgerichte British 
Institute of Archaeology at Ankara is zojuist begonnen met de publicatie van een Annual 
Report . In het eerste nummer daarvan, dat de jaren 1948-1949 omvat, is opgenomen een 
Summary of Recent Archaeological Research in Turkey, 1948-1949, waarin de opgravingen 
in Turkije op een overzichtelijke wijze zijn behandeld en waaruit blijkt, dat ook gedurende 
het jaar 1949 in archaeologisch opzicht veel in Turkije is geschied. 

In dit overzicht zullen wij ons in hoofdzaak beperken tot de opgravingen, die betrekking 
hebben op de archeologie der Hethietische rijken, dus de archeologische lagen van circa 
2000-700 v. Chr. 

a. karatepe. De ontdekking. Vanzelf valt de aandacht het eerst op de werkzaamheden 
van de drie campagnes der Turkse expeditie te Karatepe; de resultaten van de vierde cam¬ 
pagne in 1949 zijn nog niet gepubliceerd. In de zomer van 1945 maalde H. Th. Bossert, 
de directeur van het Instituut voor het oude Nabije Oosten van de Universiteit van Istanbul, 
een reis door de passen van het Taurus-gebergte, waarbij hem voor het eerst mededelingen 
bereikten over het bestaan van een leeuw in reliëf ten O van Kadirli 8 ). In Februari 1946 
reisde hij vergezeld van zijn assistente Mevrouw (Jambel naar Kadirli en onder leiding van 
de onderwijzer van dit dorp werd na een rit te paard door een eenzame streek de rivier de 
Ceyhan (de oude Pyramus) bereikt (zie fig 10). Karatepe ligt 45 km ten NW van SamaT- 
Zincirli en 70 km ten ZW van Mara§. De Karatepe (= zwarte heuvel) is een heuvel 
met een ovale vorm, met steile helling aan de zijde van de Ceyhan, op welks oostelijke oever 
hij ligt, hoogte 400 m en 132 m boven het niveau van de Ceyhan. Op de westelijke oever van 
de rivier ligt de Domuztepe (= varkensheuvel), die echter veel kleiner van oppervlakte 


2 ) T. Özgüq, Untersuchungen über archdologische 
Funde aus Anatolien, Belleten, 10, '1946, 599-624, PI. 
lxxv-lxxxi ; T. Özgüq, Die Ausgrabungen an zwei 
Tumuli auf dem Mausoleumshügel bei Ankara, Bel¬ 
leten, 11, 1947, 57-85, PI. i-xxm; T. Özgüq, Archce- 
ological journeys in the plain of Eïbistan and the 
excavation of Kara-höyük, Belleten, 12, 1948, 232- 
237; U. B. Alkim, Excavations at Karatepe, Belle¬ 
ten, 12, 1948, 249-255; T. Özgüq, Excavations at 
Fraktin near Develi and researches in Antitauros 
region, Belleten, 12, 1948, 266-267; H. Ko§ay en 
M. Akok, Preliminary report on test Excavations at 
Büyük Güllücek, Belleten, 12, 1948, 479-485; U. B. 
Alkim, Die Ausgrabungen von Karatepe, archdolo¬ 
gische Ergebnisse, Belleten, 12, 1948, 547-548, PI. 
cxpi-cxxxiv; H. Qambel, Some Observations on 
the Karatepe sculptures, Belleten 13, 1949, 35-36; 

U. B. Alkim, Third Seasoris work at Karatepe, 
Belleten, 13, 1949, 371-374; A. Inan, Contributions 
to Turkish History through the Research Activities 
of the Archceological Section of the Turkish Histo - 
rical Society, between 1943-1948. Belleten, 13, 1949- 
479-495- 

3 ) R. O. Arik, Les fouilles d’Alaca Höyük entre- 

prises par la Société d’histoire turque. Rapport pré¬ 

liminaire sur les travaux en 1935. Ankara, 1937 (— 

V. seri, n° 1) ; H. Z. Ko§ay, Ausgrabungen von 

Alaca Höyük. Ein Vorbericht über die im Auf trage 


der Türkischen Ge schicht skommission im Sommer 
1936 durchgeführten Forschungen und Entdeckungen. 
Ankara, 1944 (— V. Seri, n°. 2a) ; H. Z. Ko§ay, 
Les fouilles d’Alaca Höyük. Rapport préliminaire 
sur les traveaux en 1937-1939; Rapport préliminaire 
sur les travaux en 1940-1941. Ankara, 1950 (= V. 
Seri, ( 1937 ), n°. 5 en 6). 

4 ) S. A. Kansu, Les fouilles d’ Etiyoku§u, entre- 
prises par la Société d’histoire turque. Ankara 1940 
(= V. Seri, n°. 3). 

5 ) H. Z. Ko§ay, Les Sondages de Pazarli, La 
Turquie Kémaliste, 21/22, December 1937, 25-35; 
H. Z. Ko§ay, Les fouilles de Pazarli, entreprises 
par la Société d’histoire turque. Ankara 1941 (= V. 
Seri, n°. 4). 

6 ) T. en N. Özgüq, Ausgrabungen in Karahöyük, 
Bericht über die im Auf trage der Türkischen Ge- 
schichtskommission im 1947 durchgeführten Ausgra¬ 
bungen. Ankara, 1949 (= V. Seri, n°. 7). 

7 ) A. M. Mansel en A. Akarca, Excavations and 
Researches at Perge = Researches in the Region of 
Antalya, n°. 2. Ankara 1949 (= V. Seri, n°. 8). 

Ta ) First Annual Report 1948-1949 and Summary 
of Recent Archceological Research in Turkey, 1948- 
1949. Londen, '1950. 

8 ) H. Th. Bossert, Meine beiden er sten Reisen 
zum Karatepe, Orientalia 17, '1948, 528-531. 


ARCHEOLOGIE DER HETHIETISCHE RIJKEN 


85 


is. Bossert stelde vast, dat de top van Karatepe bekroond was door een burcht, welks wanden 
dezelfde ovale vorm hebben als de heuvel (zie fig. ii). De onderzoekers vonden het leeuwen¬ 
reliëf bij de top van de heuvel en vlak daarbij een beeld zonder hoofd en armen, doch dat 
bedekt was met een Phoenicische inscriptie in vier kolommen. Er werden echter ook frag¬ 
menten van beelden ontdekt, die inscripties bevatten in oud-Phoenicisch èn in Hethietisch 
hiëroglyphenschrift. Dit was de eerste maal, dat teksten in deze beide talen tezamen werden 
gevonden. Er werden photo’s en schetsen gemaakt en de resultaten van deze onderzoekings¬ 
tocht reeds kort daarop gepubliceerd 9 ). Het gezamenlijk vinden van de twee schriftsystemen 



Fig. 11. Kaart van Karatepe en Domuztepe (Oriens I, 148) 


op één en dezelfde plaats was de reden, dat Bossert reeds het jaar daarop, met financiële 
steun van de Turk Tarih Kurumu, de Literaire Faculteit der Universiteit Istanbul en de 
Directeur-Generaal der Musea en Oudheden, een opgravingsexpeditie uitrustte. In het voor¬ 
jaar van 1947 bracht Bossert nog een kort bezoek aan Karatepe voor het treffen der nood¬ 
zakelijke voorbereidingen, waarbij hij thans vergezeld was van zijn assistent U. B. Alkim. 
Wederom vonden zij een fragment bedekt met Hethietische hiëroglyphen en een aantal 
orthostaten. Voorts werd een onderzoek ingesteld naar de overblijfselen van de muren van 
de burcht. Het resultaat van deze tocht werd korte tijd daarna gepubliceerd 10 ). 

Campagne /-/// (1947-1948). De eerste campagne vond plaats van 11 September tot 
7 December 1947 onder leiding van Bossert zelf, met medewerking van Alkim, Mevrouw 


9 ) H. Th. Bossert en H. Qambel, Karatepe. A 
Preliminary Report on a new Hittite Site. Istanbul, 
1946 (— Publications of the Institute for Research 
in Ancient Oriental Civilizations, n°. 1). 


10 ) H. Th. Bossert en U. B. Alkim, Karatepe. 
Kadirli and its Environments. Istanbul, 1947 (— 
Publications of the Institute for Research in Ancient 
Oriental Civilizations, n°. 3). 






























































86 


KLEIN-AZIË EN SYRIË 


Qambel en de assistenten N. Ongunsu, Fr. Steinherr, Mevrouw Darga-Anstock en de 
architect I. Süzen. De tweede campagne vond plaats tussen 8 Juni en n Juli 1948 onder leiding 
van Mevrouw (Jambel en de derde van 17 September tot 15 November 1948 onder leiding van 
Professor Bossert. De vierde campagne begon op 15 September en werd voortgezet tot in 
de loop van November 1949. Behalve op Karatepe werden onderzoekingen op Domuztepe 
(3de campagne) verricht 11 ). Reeds tijdens de eerste campagne bleek, welk een sensationele 
vondst Karatepe zou opleveren. De opgravingen begonnen op de plaats van de beneden-stads- 
poort in het NO. Reeds terstond na het begin ontdekte men vijf cm onder de oppervlakte de 
bovenzijde van de eerste kolom der Phoenicische inscripties. Na een week was de gehele 
rij Phoenicische inscripties bloot gelegd, met verscheidene sculpturen, en daar tegenover de 
Hethietische hiëroglyphen met sculpturen. Ook de boven-stadspoort in het ZW werd in 
deze campagne geheel ontgraven en ook daar kwamen zeer belangwekkende sculpturen aan 
de dag, alsmede Hethietische hiëroglyphenteksten, welke althans ten dele op één lijn schenen 
te staan met de teksten in de NO stadspoort. 

In de tweede campagne kwam de verbinding tussen de burchtmuur en de beneden-stads¬ 
poort vast te staan, terwijl voorts een serie voorraadkamers ten O van de boven-stadspoort 
werd ontdekt. In de derde campagne werden kleine steekproeven genomen op verschillende 
plaatsen aan de burchtmuur. Daarbij werd de toegangstrap tot de boven-stadspoort blootgelegd, 
die gebouwd bleek te zijn in de vorm van een spiraalsgewijze oplopende trap. Van de stads¬ 
muur werden 28 torens ontgraven, die op een afstand van 18 tot 20 meter van elkaar waren 
geconstrueerd; deze torens staken vier tot vijf m uit de stadsmuur naar voren. De burcht 
heeft een NZ-as van 430 m en een OW-as van 190 m. Op de top van de heuvel werd een paleis 
ontdekt en op de noordelijke helling een ander groot bouwwerk. Bij onderzoekingen op Domuz¬ 
tepe, de heuvel op de westelijke oever van de Ceyhan, werd eveneens een leeuwenpoort en 
verscheidene andere reliëf fragmenten gevonden, die uit dezelfde tijd schijnen te dateren als 
Karatepe, d.w.z., ongeveer tegen het einde van de achtste eeuw v. Chr., dus kort voor de 
ondergang der Syro-Hethietische stadstaatjes in Noord-Syrië in hun strijd tegen de machtige 
Assyrische dynastie der Sargonieden. Inscripties werden op deze heuvel echter niet gevonden. 
Op Domuztepe werd een basaltgroeve ontdekt, zodat de veronderstelling gewettigd is, dat 
daaruit de basaltblokken, bestemd voor de sculpturen en orthostaten op Karatepe, vandaan 
kwamen. De omstandigheid, dat verscheidene voorwerpen uit de Romeinse periode werden 
gevonden, geeft aanleiding tot de conclusie, dat Domuztepe, in tegenstelling tot Karatepe, 
later door de Romeinen als woonplaats gebruikt is. Van de resultaten der vierde campagne 
zijn nog geen nadere bijzonderheden bekend geworden. 

Archeologische resultaten 12 ). Er werden twee laat-Hethietische burchten ontdekt, één op 
Karatepe ten O van de Ceyhan, één op Domuztepe ten W van de rivier. De burcht op 
Karatepe is veel groter en veel beter geconserveerd dan die op Domuztepe, daar deze laatste 
in de Romeinse tijd zeer beschadigd werd. De citadel van Karatepe is omringd door een 
gefortificeerde muur van hoogstens vier en minstens twee meter dikte, geflankeerd door torens, 
op afstanden van 18 tot 20 meter. Deze torens, die vier a vijf meter naar voren springen, 
hebben een lengte van zeven a negen meter. De constructie van de burchtmuur blijkt niet 
met zeer grote zorg te zijn geschied. De stenen, niet overal voorzien van een parement, zijn 
in elkaar gevoegd en bevestigd met behulp van een soort gruis, op dezelfde wijze, zoals dat 
ook aan de stadsmuur te Bogazköy te zien is. Op sommige plaatsen rijzen de muren van 
de rots op, die daartoe een weinig is bij gewerkt, volgens hetzelfde systeem als de muur van 
de Koningsburoht (Büyükkale te Bogazköy. De totale omtrek van de burchtmuur is één km. 

De citadel heeft twee toegangswegen, twee groepen poortgebouwen, één in het ZW, de 
andere in NO. Er schijnt ook nog een tweetal zijpoorten te zijn geweest, maar geheel 

1X ) Een beknopt, doch duidelijk overzicht der op- 12 ) U. B. Alkim, Les résultats archéologiques des 
gravingscampagnes vindt men in: Fr. Steinherr, fouilles de Karatepe. Revue hittite et asianique 9, 
Karatepe. The Key to the Hittite Hieroglyphics, 1948-1949, 1-35, 27 ill. 

Archaeology 2, 1949, 177-180. 






ARCHEOLOGIE DER HETHIETISCHE RIJKEN 


87 


duidelijk is dit nog niet geworden. De constructie der muren en der poortgebouwen herinnert 
zeer sterk aan de fortificaties van Büyükkale, de koningsburcht van Hattusas-Bogazköy, de 
buitenmuur van SamaTZincirli, Sakgagözü en van Arslanta§. De opgravingen te Karatepe 
hebben zeer duidelijk aangetoond, dat de Hethieten zowel gedurende de periode van hun 
Imperium (1400-1200) als gedurende het tijdvak van de Syro-Hethietische stadstaatjes in 
Noord-Syrië en Zuidelijk Klein-Azië (1200-680), hun vestingen volgens bepaalde vesting¬ 
bouwkundige principes hebben gebouwd, waardoor de eenheid van hun beschaving, ondanks 
het federale karakter van hun volkerenconglomeratie en het gebruik van twee schriftsoorten, 
zeer duidelijk naar voren komt 13 ). Het is mijns inziens niet onmogelijk, dat de zij-ingang 
ten ZO van de beneden-stadspoort en die ten ZO van de boven-stadspoort de toegang waren 
tot twee tot nu toe verborgen poternes. In Bogazköy kon men de Sphinxpoort boven de 
poterne van Yerkapi slechts bereiken via twee steile trappen. De poterne in de stadsmuur 
van Alisarhöyük was uitsluitend een uitvalspoort bij belegeringen, terwijl de poterne te 
Karkamis dezelfde functie vervulde naar de zijde van de Euphraat. 

De bouwkundige constructie van de poortgebouwen, die toegang tot de citadel verleenden, 
is vrijwel identiek. De toegang gaat via een oprit met een hoek, dus hetzelfde systeem als. 
bij de Koningspoort te Bogazköy. Deze oprit-corridor wordt geflankeerd door de twee torens 
van het poortgebouw, een zogenaamde Hilani-construetie, zoals we die ook kennen uit Sarnad- 
Zincirli 14 ). De ingang van de beneden-stadspoort wordt geflankeerd door twee leeuwen. 
De gehele corridor is aan beide zijden versierd met van sculpturen en inscripties voorziene 
blokken bazalt, eindigend met twee sphinxen aan de hoofdingang; deze wordt aan iedere zijde 
geflankeerd door zijdelingse nissen, die op dezelfde wijze als de corridor verfraaid zijn met 
platte stenen blokken, voorzien van reliëfs en inscripties. Het poortgebouw in het ZW is 
op dezelfde wijze geconstrueerd. Op de hierbij gevoegde kaart (zie Fig. 11) is de ommuring 
van de stad goed te zien, evenzo de beide trappen, in het Z en in het O, terwijl men ondanks 
de kleine schaal toch een indruk kan krijgen van de wijze, waarop de beide poortgebouwen 
zijn geconstrueerd. Het ' c paleis° op de heuveltop en het andere gebouw op de noordelijke 
helling zijn nog niet in kaart gebracht. 

Philologische resultaten 15 ). De inscripties aan de linkerzijde van beide poortgebouwen 
zijn in het Phoenicisch, terwijl de opschriften aan de rechterzijde in Hethietisch hiëroglyphen¬ 
schrift zijn gesteld. De bestudering van deze beide tekstgroepen heeft aangetoond, dat hun 
inhoud niet verschillend is, doch dat we hier te doen hebben met een bilingue-tekst. Dit was 
een sensationele ontdekking, omdat daardoor Voor het eerst de mogelijkheid werd geboden 
de hardnekkige geheimen van het Hethietisch hiëroglyphenschrift te ontsluieren door middel 
van de leesbare en vertaalbare Phoenicische geschriften aan de linkerzijden. Door de gewel¬ 
dige lengte van de inscripties bleek het zelfs mogelijk binnen te dringen in de grammaticale 
en lexicographische bijzonderheden van deze nieuwe taal, waarvan gebleken is, dat zij 
behoorde tot de groep der Indo-europese talen. 

De ontcijfering van het Hethietische hiëroglyphenschrift is een der moeilijkste problemen 
geweest, waarmede de oriëntalistiek in de 19de en 20ste eeuw te worstelen heeft gehad. Reeds 
in 1812 ontdekte de beroemde reiziger Burckhardt de eerste dergelijke Hethietische in¬ 
scriptie te Hama in Noord-Syrië en al spoedig kwamen meer van dergelijke inschriften 
aan de dag. De Engelse oriëntalist Wright schreef deze inscripties in 1874 toe aan de 
Hethieten, die toen uitsluitend bekend waren uit Bijbelse verhalen en van de reliëfs der 
Egyptische tempels, alsmede uit enkele Assyrische koningsannalen uit de tijd van Sargon II 
en zijn voorgangers (8ste eeuw v. Chr.). Op grond daarvan veronderstelde men, dat de 
Hethieten hun centrum in Noord-Syrië hadden gehad tussen 1800 en 700. Toen echter in 
de jaren 1906-1912 bij het Turkse dorp Bogazköy in het centrum van Klein-Azië, binnen 


13 ) A. A. Kampman, De historische heteekenis der 
Hethietische Vestingbouw kunde. Leiden, '1945, 12-13 
en 22-25. 

14 ) A. A. Kampman, o.c., 65-66. 


13 ) H. Th. Bossert, Found at last: A Bi-lingual 
Key to the Previously Undecipherable Hittite fiiero- 
glyphic Inscriptions, ILN n°. 5743, Vol. 214, 14 Mei 
1949, 664-668. 











88 


KLEIN-AZIË EN SYRIË 


de bocht van de Kizil Irmak, de oude Halys, het rijksarchief van de hoofdstad van het 
Hethietische Imperium Hattusas met circa nooo tabletten door H. Winckler en Th. Maqridy 
ontdekt werd en toen het Hethietische spijkerschrift reeds in 1915 door de genialiteit van 
B. HROZNy niet alleen getranscribeerd, doch ook vertaald kon worden, hoopte men, dat ook 
de sleutel van het Hethietische hiëroglyphenschrift spoedig zou kunnen worden gevonden. 
Het rijksarchief van Hattusas-Bogazköy bevatte geen enkele spijkerschrifttekst, die de 
sleutel tot het hiëroglyphenschrift zou kunnen leveren. Geen enkele bilingue-tekst werd 
gevonden, wel een groot aantal zegelafdrukken op klei met de namen der Hethietische 
koningen in hiëroglyphenschrift en een legenda in spijkerschrift 15 *). Hoewel een ontcijfering 
van het hiëroglyphenschrift op grond daarvan niet mogelijk bleek, kon toch de conclusie 
worden getrokken, dat de beide schriften ongeveer gelijktijdig in gebruik waren. Reeds in 
1945 hebben wij er met nadruk op gewezen, dat het volk of de klasse in de Hethietische 
maatschappij, die zich van het hiëroglyphenschrift bediende, reeds tijdens het Hethietisch 
Imperium (1400-1200), en niet pas na de ondergang daarvan, een belangrijke rol speelde. 
In het bijzonder vestigden wij er toen de aandacht op, dat het niet te onvoorzichtig was te 
veronderstellen, dat reeds de dynastie van Suppiluliumas uit het zuidelijk rijksdeel afkomstig 
was en dat mede daardoor het hiëroglyphenschrift steeds meer ingang vond 16 ). 

Talloze geleerden hebben zich in de loop der jaren met dit brandende probleem bezig 
gehouden, doch pas in de jaren 1929-1947 slaagden Bossert, P. Meriggi, I. Gelb, E. Forrer 
en HROZNy er, door het gebruik van nieuwe methoden, in, althans de betekenis van enkele 
der meestvoorkomende tekens van dit schrift te verklaren, maar van vertalen van teksten 
was toen nog geen sprake. De enige hoop bestond uit het vinden van bilingue-teksten van 
zodanige omvang, dat door middel daarvan de tekens zouden kunnen worden getranscribeerd 
en vertaald en een grammatica zou kunnen worden opgebouwd. Daar de Karatepe-inscripties 
niet alleen vertaalbaar zijn, doch ook een groot aantal mogelijkheden bieden voor het verklaren 
der tekens, staat de c Hiëroglyphenhethietologie° nu op een vaste basis, waardoor het mogelijk 
zal zijn de overige bekende hiëroglyphen-inscripties binnen afzienbare tijd te vertalen. Een 
zeer rijk philologisch materiaal, dat tot op heden nog niet kon worden gebruikt, komt nu 
beschikbaar voor de verdere reconstructie der Hethietische geschiedenis. De betrekkingen 
tussen het Imperium in Klein-Azië en de provincies in Noord-Syrië, wier onderlinge ver¬ 
houding nooit volledig duidelijk was, zullen thans, naar gehoopt wordt, in betrekkelijk korte 
tijd in een duidelijker historisch verband kunnen worden geplaatst. Onze nieuwe kennis van 
het hiëroglyphenschrift zal de mogelijkheid bieden perioden en gebieden te ontsluiten, die 
tot nu toe als een duister tijdvak der oosterse geschiedenis bekend stonden. 


Geschiedenis van Karatepe. Bossert is reeds begonnen met de publicatie van de Karatepe- 
teksten 17 ), terwijl Dupont-Sommer en J. Obermann, M. Dunand, C. H. Gordon, R. T. 
O’callighan en A. M. Honeyman 18 ) zich meer met de Phoenicische versie van de inscrip¬ 
ties bezig houden. In de teksten wordt ons verteld, dat de burcht werd gebouwd door Asita- 


15a ) H. H. Gueterbock, S ie gel aus Bogazköy. 2 
dln. Berlijn, 1940-1942. Over de geschiedenis van de 
ontcij f eringspogingen : J. Friedrich, Entzifferungs- 
geschichte der Hethitischen Hiëroglyphenschrift. 
Stuttgart, 1939. 

16 ) A. A. Kampman, Vestinghouwkunde, 12-13. 

17 ) H. Th. Bossert, Die phönizisch-hethitischen 
Bilinguen vom Karatepe, Oriens, 1, 1948, 163-192; 
2, 1949, 72-120. I. J. Gelb, The Contribution of the 
New Cilician. Bilinguals to the Decipherment of 
Hieroglyphic Hittite. Chicago, 1950. 

1S ) A. Dupont-Sommer, Notes sur les Textes 
phénicien, Oriens, 11948, 193-197; Etude du texte 
phénicien des inscriptions de Karatepe, Oriens 2, 
1949, 121-128; J. Obermann, Discoveries at Kara¬ 
tepe. A Phoenician royal Inscription from Cilicia. 


New Haven, 1948 (— Supplement to the Journal 
of the American Oriental Society, n°. 3) ; J. Ober¬ 
mann, New Discoveries at Karatepe. A complete 
Text of the Phoenician royal Inscription from 
Cilicia. New Haven, 1949; M. Dunand, Les in¬ 
scriptions phéniciennes de Karatepe, Bulletin du 
Musée de Beyrouth 7, 1948, 1-17; ld., Une nouvelle 
version des inscriptions phéniciennes de Karatepe, 
Bulletin du Musée de Beyrouth 8, 1949, 1-20; C. H. 
Gordon, Phoenician Inscriptions from Karatepe, 
JQR 39, 1948, 41-50; ld., Azitawadd’s Phoenician 
Inscription, JNES 8, 1949, 108-115; R. T. O’Calla- 
ghan, The Great Phoenician Portal Inscription from 
Karatepe, Orientalia, 18, 1949, 173-205; A. M. Ho¬ 
neyman, Epigraphic Discoveries at Karatepe, PEQ 
81, 1949, 21-39. 


A&CHvEOLOGIÈ DER HËTHIËTISCHE RÏJKËN 


29 

wandas, vorst van de Danuna en dat hij de burcht naar zich zelf noemde: Asitawanda 19 ). De 
vorst verklaart de representant te zijn van de dynastie van Mupsch-Mopsos en verzekert ons, 
dat hij op voet van gelijkheid met hen verkeert. Het is echter niet duidelijk of hij de titel van 
c koning der Danuna 3 aanneemt, die hij schijnt te reserveren voor zijn weldoener Awarikus, 
waarvan Bossert meent, dat deze zijn vader zou kunnen zijn. Overeenkomstig de Griekse 
legende was Mopsos de stichter van talrijke steden in Cilicië en Pamphilië. Asitawandas 
vertelt ons van zijn bestuur, waarbij de nadruk valt op het vreedzame karakter daarvan. Erf¬ 
genaam van zijn vader, bevestigt hij de vrede met alle koningen, die zijn rechtvaardigheid, 
wijsheid en goedheid des harten respecteren. Hij richt fortificaties op aan alle grenzen, in 
plaatsen die door vijandig gezinde personen bewoond worden, waarvan geen één de dynastie 
van Mopsos had gediend en hij bracht deze tot gehoorzaamheid. In het bijzonder onderwerpt 
hij machtige landen in het Westen, die geen enkele koning vóór hem onderworpen had. 
Azitawandas vertelt, dat hij de citadel gebouwd heeft om een wachter te zijn voor de vlakte 
van Adana en de dynastie van Mopsos. Azitawandas was dus een machtig krijgsoverste, die 
de vlakte van Adana beheerste en het dal van de Ceyhan ten NO van Karatepe. Waarschijn¬ 
lijk is Azitawandas aan de macht gekomen kort vóór 732, daarbij geholpen door Awarikus, 
die wel identiek zal zijn met Uriki uit de Assyrische teksten. Het is niet onmogelijk, dat 
Azitawandas een vazal was van deze Awarikus, die op zijn beurt weer onderworpen werd 
door de Assyriërs. De Assyriërs zullen deze vorstendommen als vazalstaten hebben laten 
bestaan, om hun westelijke grens zoveel mogelijk te beveiligen. Het straffe regime van 
Sargon II in het c westland 3 verzwakte tijdens de regering van Sanherib en zo kreeg Azita¬ 
wandas gelegenheid zich te handhaven. In dit geval zouden de teksten van Karatepe pas na 
Sanherib’s veldtocht van 696, waarvan het prisma in het Brits Museum ons de bijzonderheden 
geeft, kunnen zijn geredigeerd. In het licht van de zwakke Assyrische politiek in de laatste 
jaren van Sanherib en de regering van Assurhaddon zouden de Karatepe-teksten gedateerd 
kunnen worden tussen 696 en 680. In ieder geval is duidelijk geworden, dat Karatepe slechts 
gedurende een bepaalde periode bewoond is geweest, waarschijnlijk van kort vóór tot kort 
na 700. 

De Sculpturen van Karatepe 20 ). De belangrijkste en van uit wetenschappelijk standpunt 
interessantste bouwwerken, die tot op heden te Karatepe werden gevonden, zijn de beide 
poortgebouwen, waarvan, zoals we hierboven reeds hebben gezien, de binnenwanden ver¬ 
sierd waren met de platte stenen blokken, voorzien van sculpturen en inscripties. De sculptuur 
van Karatepe is gebleken van zeer groot belang te zijn, waarop reeds direct door Mevrouw 
Cambel met nadruk is gewezen. Zij geven een goed overzicht van de techniek, de opvatting, 
opstelling en makelei van de scènes die zijn afgebeeld, terwijl zij ons daarnaast uitvoerig in¬ 
lichten over het leven van de vorst, de hofhouding, de godsdienst, de zeevaart en het verkeer 
met vreemde landen, plaat xx geeft een duidelijk beeld van de linkerzijde van de oprit- 
corridor van het Noordelijke poortgebouw. Geheel links de leeuw, die wacht houdt aan de 
ingang, dan een reliëf, vervolgens vier stenen met inscripties in het Phoenicisch, daarna drie 
reliëfs en tenslotte, voordat men de poort bereikt, de sphinx in rond-sculptuur. plaat xxi laat 
ons de rechterzijde zien van de oprit-corridor van hetzelfde poortgebouw. Geheel links het 


19 ) De historische verklaring der teksten loopt nog 
uiteen; wel bestaat thans hoe langer hoe meer de 
neiging de teksten zo laag mogelijk te plaatsen. De 
literatuur over deze kwestie is groeiende: B. Lands¬ 
berger, Sam’al, Studiën zur Entdeckung der Ruinen- 
stdtte Karatepe. Ankara 1948 (= Veröffentlichungen 
der Türkischen Historischen Gesellschaft, VIL Serie, 
n°. 16); A. Alt, Die geschichtliche Bedeutung der 
neuen phoenikischen Inschriften aus Kilikien, FuF, 
24, 1948, T21-124; H. Th. Bossert, Sur Quelques 
problèmes historiques des inscriptions de Karatepe, 
Revue hittite et asianique 9, 1948-1949, fase. 49. 
1-25; I. Levy, Les inscriptions de Karatepe, La 

Jaarbericht No. 11 


Nouvelle Clio, 3, 1950, io5-'i2i ; H. Gregoire, Azi- 
tawadda-Estwed, La Nouvelle Clio, 3, 1950, 122-127; 
over de verhouding van Klein-Azië tot Assyrië: P. 
Naster, L’Asie mineure et VAssyrie aux VlIIe et 
Vlle siècles av. J.-C. d’après les Annales des Rois 
Assyriens. Leuven, 1938. 

20 ) H. Qambel, Karatepe. An Archceological In- 
troduction to a recently discovered Hittite Site in 
Southern Anatolia. Oriens 1, 1948, 147-162, PI. i-xn. 
Het rapport van de opgravingscampagnes is nog niet 
verschenen, doch wel aangekondigd in de vijfde 
serie der publicaties van de Türk Tarih Kurumu. 


7 
















9 o 


KLEIN-AZIË EN SYRIË 


laatste gedeelte van de hiëroglyphen-inscripties, rechts daarvan zes stenen met reliëfs; het 
laatste reliëf geheel rechts is de Egyptische god Bes, de god van de ontspanning, met twee apen 
op zijn schouders (zie ook plaat xxiib). Aan het einde van de corridor ziet men aan de 
buitenzijde de tweede leeuw als poortwachter. Op plaat xxi b is één van de zeeschepen van 
de Danuna afgebeeld, waaruit wellicht mag worden opgemaakt, dat in die tijd handelsbetrek¬ 
kingen met Cyprus en Egypte werden onderhouden. Een scène, die wel van religieuze oor¬ 
sprong zal zijn, zien we op plaat xxi c, waar een hertenjacht wordt afgebeeld, waarbij 
jager en zijn prooi worden weergegeven, staande op een antithetische groep stieren. Van groot 
belang voor het leven aan het hof van Asitawandas is het zogenaamde feestmaal van de vorst 
(plaat xxii a). Dit is één van de zeldzame voorbeelden, waar een scène wordt vervolgd op 
een tweede stenen blok. Boven rechts ziet men de vorst zitten aan een tafel vol voedsel. Op 
het linkerblok boven zijn de dienaren afgebeeld, die wijn en voedsel brengen, waaronder een 
haas en een gebraden kip. Links beneden ziet men muzikanten, die het feestmaal moeten op¬ 
vrolijken, terwijl rechts onder voorbereidselen worden getroffen voor het slachten van een 
rund. Rechts boven ziet men, vóór en achter de koning, twee dienaren, die met een waaier 
de vliegen moeten verdrijven. Een bekende voorstelling uit de Hethietische godsdienst zien 
we op plaat xxii c, waar een god op een stier staat met een valk in zijn linker- en een haas 
in zijn rechterhand. Een kleinere god, misschien wel zijn zoon, staat voor hem. De voorstelling 
herinnert enigszins aan de reliëfs van Yazilikaya, het Hethietische rotsheiligdom ten NO van 
de hoofdstad Hattusas. 

De bestudering van de reliëfs van Karatepe laat ons zien, dat de ruw gehouwen stenen 
platen ter plaatse werden opgesteld en aan elkaar werden verbonden, voordat het beeldhouwen 
begon; uit de onvoltooide stukken, die hier en daar verspreid werden teruggevonden, vallen 
allerlei bijzonderheden op te maken over de techniek en de volgorde van het beeldhouwen ter 
plaatse. De wijze van voorstellen op de platen is niet steeds dezelfde; er zijn reliëfs met één 
figuur, optochten, voorstellingen uit het dagelijks leven en zelfs verscheidene reliëfs met twee 
boven elkaar gelegen beeldvlakken. De voorstellingen zelf variëren ook sterk en er is geen 
samenhang in het onderwerp. Vreemde invloeden zijn overduidelijk: Egyptische, Assyrische 
en zuiver Hethietische naast Noord-Syrische. Dit is niet te verwonderen, aangezien Karatepe 
aan één van de belangrijke karavaanwegen ligt, die van het centrum van Anatolië naar Noord- 
Syrië leidden. Opvallend is het ongelijksoortige karakter van de Karatepe-reliëfs, zodat men 
wel moet aannemen, dat er twee groepen van beeldhouwers aan hebben gewerkt. Mevrouw 
Qambel onderscheidt groep A, de houwers met beweging en goede verhoudingen in de figuren, 
en groep B, de houwers, die zowel technisch als artistiek op een laag niveau staan. Tussen deze 
beide groepen schijnt geen systeem voor de indeling der werkzaamheden te hebben bestaan. 
Waarschijnlijk was de leider van groep A een beeldhouwer, die veel had rondgereisd en die te 
Karatepe in de gelegenheid werd gesteld zijn ervaring en indrukken in de praktijk te brengen. 
— Met spanning wachten we op de archeologische en philologische resultaten der volgende 
campagnes! 

b. kültepe 21 ). In 1948 besloot de Turk Tarih Kurumu de opgravingen in de karum van 
Kanes (= Kültepe) bij Kayseri, bekend door de grote massa zogenaamde Cappadocische tablet¬ 
ten, die daar in de loop der jaren door clandestiene opgravers en tenslotte door de expeditie 
van B. HROZNy in 1925 werd gevonden, te hervatten. De Turkse expeditie stond onder leiding 
van T. en N. Özgüc, assistent-professoren van het Archeologisch Instituut der Universiteit 
van Ankara, en vond plaats van 1 Augustus tot 15 October 1948. In de campagne van 1948 
beperkte men zich tot het terrein, waar ook HROZNy in 1925 had gegraven, zonder de antieke 
woonplaats der inheemse bevolking op de Kültepe zelf, te onderzoeken. Op de Kültepe 
( = asheuvel) ligt de antieke stad Kanes. De karum, d.w.z. handelscentrum of markt van het 


2:1 ) T. en N. ÖzGÜg, A Birthplace of the flittite 
Empire: The karum of Kanes, an Ancient Anatolian 
Trade-Centre, ILN, n°. 5722, Vol. 213, 18 December 
1948, 701-703; T. Özgüq, Where the Assyrians built 


a Commercial Empire in second-millennium Ana- 
tolia: Excavating the karum of Kanes, ILN n°. 5778, 
Vol. 2fió, 14 Januari 1950, 68-71. 


ARCHEOLOGIE DER HETHIETISCHE RIJKEN 


91 

antieke Kanes lag terzijde van de antieke stad. De nederzetting moet zeer oud zijn, want de 
stad wordt reeds genoemd in de legendarische coalitie van 17 steden tegen Naram-Sin, de 
kleinzoon van Sargon van Akkad (circa 2300 v. Chr.). Kort na 1900 was Kanes door de 
karum der Assyrische kooplieden, die zich daar toen gingen vestigen, het erkende industriële 
en handelscentrum van Centraal-Anatolië en het lijkt waarschijnlijk, dat zijn invoer van pro¬ 
ducten en industriële opbloei een doorslaggevende rol speelden bij de ontwikkeling van de 
naburige steden, waarmede het in nauw contact stond. De grootste bloei van Kanes ligt 
juist in de periode van de opkomst van het Hethietische Middenrijk (kort na 1800 v. Chr.). 

De stad begon op het einde der 19de eeuw de aandacht der archseologen te trekken, toen 
een aantal commerciële spijkerschrifttabletten, afwijkend van de gebruikelijke, hun weg naar 
de antiquiteitenmarkten begonnen te vinden. Doch pas in 1925 vond HROZNy naast de woon- 
heuvel een gedeelte van de karum terug, waarbij 930 tabletten met assyrisch spijkerschrift 
werden ontdekt, die tot op heden nog niet zijn gepubliceerd. Intussen begonnen de tabletten 
steeds meer en meer op clandestiene wijze naar de grote musea te geraken en in het bijzonder 
het Musée du Louvre verkreeg een goede collectie, die in 1926 door de Genouillac werd 
gepubliceerd. In de eerste campagne werden vier beschavingslagen ontdekt met een groot aantal 
ceramische producten, maar het belangrijkste resultaat der eerste campagne was, dat in totaal 
1500 kleitabletten werden ontdekt, en wel niet uitsluitend met een commerciële inhoud, doch 
ook tabletten met een literair en historisch karaker. Er werd ook een school voor schrijvers 
ontdekt met een aantal sohoolteksten. Belangrijk voor de archeologie is de gewoonte van het 
begraven onder de vloer van de gebouwen, welke daardoor de nodige bijzonderheden verschaf¬ 
ten voor de datering van allerlei voorwerpen. De oudste laag kan gedateerd worden op 2000 
v. Chr., aangezien Laqipum, één der Assyrische kooplieden, die in de karum woonden, in een 
huis resideerde, dat met zijn inhoud in dezelfde laag werd gevonden als een tablet van koning 
Irisum, grootvader van de Assyrische koning Sargon I. 

Het succes der campagne van 1948 deed de Turk Tarih Kurumu besluiten de opgraving 
gedurende de maanden Augustus tot October 1949 voort te zetten en een voorlopige aankondi¬ 
ging van de resultaten daarvan is enige weken geleden verschenen 21 ). In het laatste seizoen 
werden de opgravingen geconcentreerd op twee punten: ie. in het Noordelijke deel van de 
karum , de stad van de Assyrische kolonisten; 2e. ongeveer in het midden van de factorij, 
waar de Uzua-arohieven en de tabletten van Irisum werden gevonden. De opgravingen beves¬ 
tigden, dat deze stad behoorde tot de korte periode, gedurende welke Assyrische kooplieden 
grote handelsfactorijen in KleinrAzië vestigden, dat is dus in de eerste twee eeuwen van het 
tweede millennnium, en dat er slechts vier archeologische lagen te onderscheiden vallen, die 
bij elkaar niet meer dan 8 m diep zijn. Nadat de bovenste, dus laatste beschavingslaag door 
een plotselinge catastrophe was vernietigd, werd de karum niet meer bewoond. De karum is 
dus later gesticht dan de stad Kanes zelf en werd na twee eeuwen weer verwoest. De stad 
Kanes, waar nog niet gegraven is, moet een geschiedenis hebben gehad, die zich over ver¬ 
scheidene eeuwen zal hebben uitgestrekt. In de laatste campagne werden voor het eerst de 
originelen van cylinderzegels gevonden, verder fraaie Anatolische vazen uit de periode der 
Assyrische kolonisten en drinkbekers in de vorm van stieren. Het archseologische materiaal, 
dat door de archseologen c Hethietisch° wordt genoemd, bleek reeds een definitieve vorm te 
hebben gekregen vóór de stichting van het Hethietische Middenrijk (1650 v. Chr.) : Stempel- 
zegels, kleine loden beeldjes van een Hethietische god, terracottas enz. Wanneer we het 
schrift, de taal en een belangrijke collectie cylinderzegelafdrukken ter zijde laten, dan zouden 
we kunnen constateren, dat in de karum van Kanes, welke met zijn straten, pleinen, kantoren 
en archieven voor ons herrijst als een goed georganiseerde stad, de kolonisten op dezelfde wijze 
als de inheemsen de godsdienstige en huishoudelijke voorwerpen uit Klein-Azië gebruikten 
en dat zij geen enkel voorwerp uit Assyrië-Babylonië met zich mede brachten. De gebouwen 
zijn vervaardigd, zoals in die tijd in Anatolië gebruikelijk, en de doden werden begraven even- 


21 ) Zie p. 90. 














KLEIN-AZIË EN SYRIË 


92 

eens volgens Anatolisch gebruik. Verwacht wordt, dat deze opgraving ook in het jaar 1950 
zal worden voortgezet. 

c. alacahöyük 3 ). De opgravingen te Alacahöyük, die gedurende de oorlogsjaren onder¬ 
broken moesten worden, werden in 1946, 1947 en 1948 voortgezet, wederom onder leiding 
van H. Ko§ay. Terwijl in 1946 in hoofdzaak in de Hethietische laag werd gegraven, vonden 
in 1947 onderzoekingen plaats in de Chalcolithische laag. In de campagne van 1948 werden 
Phrygische woonhuizen blootgelegd. 

d. kaletepe. In 1947 ondernamen de opgravers van Alacahöyük een sondage te Büyük 
Güllücek, 15 km ten N van Alacahöyük. Gegraven werd op een kleine heuvel Kaletepe 
(kasteelheuvel). De bovenste lagen wezen op een Phrygische nederzetting; direct daaronder 
vond men twee lagen uit de Chalcolithische periode. Het overgrote deel van de ceramiek uit 
deze periode is met de hand gemaakt en monochroom, slechts een tiende van de ceramiek be¬ 
hoort tot de betere kwaliteiten met figuren en is gebakken. De versiering is geometrisch van ka¬ 
rakter. Het weinig voorkomen van bronzen voorwerpen leidde tot de conclusie, dat metalen 
toen nog weinig in gebruik waren. De algemene conclusie is, dat zowel Kaletepe als de 
onderste lagen van Alacahöyük de latere phase van de Chalcolithische periode voorstellen en 
dat sommige elementen van deze laatste periode zich handhaafden in het Bronzen tijdperk. 

e. tell-acana 2 2). Sir Leonard Woolley, die in Maart-April 1946 de opgravingen van 
vóór 1940 te Tell-Acana het antieke Alalah hervatte, beperkte zich in zijn eerste campagne 
tot het paleis en de tempel, waar veel belangwekkend materiaal werd gevonden, o.a. een klei¬ 
tablet in het Hethietisch. De opgraving werd voortgezet in het voorjaar van 1947 en van 
28 September tot 7 December 1948. In de campagne van 1947 vond Woolley het uit vier 
lagen bestaande grafcomplex van koning Yarim-Lim, koning van Alalah, in die van 1948, 
waarbij hoofdzakelijk in de Hethietische laag werd gewerkt, vond men ceramiek, kleitabletten 
en stenen instrumenten. 

Einde 1949 verscheen ook van de hand van S. Smith de publicatie van het beeld van koning 
Idri-mi, die in het voorjaar van 1939 door Woolley te Teil Acana was gevonden in de tempel 
van Laag I, phase B. Het beeld werd nog in de zomer van 1939 naar het Brits Museum ver¬ 
voerd, vanwaar het in verband met het uitbreken van Wereldoorlog II terstond in veiligheid 
werd gebracht. Pas in de zomer van 1947 werd het uitgepakt, schoongemaakt en hersteld. De 
inscriptie, die de gehele voorzijde van het beeld bedekt, werd voorgelezen op een vergadering 
van de Society of Antiquaries te Londen in December 1947. De inscriptie bevat een biographie 
van de koning, die zeer belangrijk is voor de geschiedenis van Noord-Syrië en de verhouding 
van deze gebieden ten opzichte van de Hethieten, Hurrieten en Egyptenaren in de 15de 
eeuw voor Chr. Er kunnen conclusies uit worden getrokken voor de chronologie der Egyp¬ 
tische pharao’s en voor de chronologie der 15de eeuw in het bijzonder. 

f. tell es SHEiKH. ’Zeer interessante resultaten werden in 1948 verkregen van een 
kleine opgraving te Teil es Sheikh, ongeveer drie km van Aqana. De opgraving stond onder 
auspiciën van Ruhi Tekan, de directeur van het Museum te Antiochië, terwijl Ahmet Dönmez 
de leiding had. Er werden twaalf opeenvolgende lagen ontdekt, beginnende bij de maagdelijke 
bodem met de laatste phasen van het Neolithicum tot het Chalcolithicum, dit laatste gerepre¬ 
senteerd door beschilderde zeer opmerkelijke ceramiek. In de bovenste lagen werden goed 
gesneden stempelzegels gevonden. 

g. tabara el AKRAD. Op voorstel van Sir Leonard Woolley en met medewerking van 
het Museum te Antiochië, werd in 1948 eveneens een sondage ondernomen te Tabara el 
Akrad, circa twee km van Agana; de ceramiek (waaronder enkele hele vazen) die daar direct 
aan de oppervlakte werd ontdekt, was van een goed maaksel, fraai gevormd en gebrand. 


3 ) Zie p. 84. 

22 ) Sir L. Woolley, Excavations at Atchana- 
Alalakh 1939, The Antiquaries Journal 27, 1948, 
1-19, PI. i-ix, 2 plattegr.; E. Douglas van Buren, 
Excavations at Atchana-Alalakh, Orientalia 17, 1948, 
532-535 ; Sir L. Woolley, The Tomb of Yarim-Lim: 


A Hittite King’s four-thousand-year-old Mausoleum, 
the Latest Discovery at Alalakh, ILN, n°. 2662, 
Vol. 2 Ti, 25 October 1947, 470-473; S. Smith, The 
Statue of Idri-Mi. Londen, 1950. Occasional Publi- 
cations of the British Institute of Archaeology in 
Ankara, N°. '1. 


ARCHEOLOGIE DER HETHIETISCHE RIJKEN 


93 


Het is hetzelfde type als Khirbet Kerak in Palestina. Het werd geïntroduceerd in de vlakte 
van Alalah door invallers uit het Noorden na het einde van de Chalcolithicum-bezetting te 
Tell es Sheikh, maar vóór het begin van de latere Bronstijd te Agana. 

h. soguksu tepe. J. Garstang, die sinds 1948 directeur van de British School of 
Archseology in Ankara is, zette in de herfst van 1946 zijn opgravingen op de Soguksu Tepe 
bij Mersin, voort, waarbij hij geassisteerd werd door O. R. Gurney. De opgraving duurde tot 
het voorjaar van 1947. Gegraven werd aan de ZW-helling van de heuvel, waarbij men werkte 
in de protochalcolithische periode en de beide laatste perioden van het Neolithicum. Als 
belangrijkste resultaat van deze campagne werd door de opgravers vastgesteld, dat er overeen¬ 
komst bestaat tussen de ceramiek van Mersin en die van Tell Hassuna bij Nineve. 

i. gözlükule (Tarsus). De Amerikaanse opgravingen van vóór 1940 onder leiding van 
Miss H. Goldman te Gözlükule zijn in het voorjaar van 1947 voortgezet. In deze campagne 
werd in hoofdzaak doorgedrongen tot onder de eerste laag van het Bronzen tijdperk. Aan deze 
en de beide volgende campagnes, die van 1 Mei tot 12 Juli en van October 1948 tot Januari 1949 
plaats vonden, nam onze landgenote Machteld Mellink deel, terwijl Miss Goldman weer 
de algemene leiding had; wederom werd gegraven in de Chalcolithische laag. De opgraving 
werd in het voorjaar van 1949 definitief beëindigd. De definitieve opgravingspublicaties 
van deze expeditie zijn thans gedeeltelijk verschenen 22 *). 

j. arslantepe (Malatya). De opgravingen van de Académie des Inscriptions et des Belles 
Lettres, op de Arslantepe bij Malatya werden ook in 1948 van 18 September tot 28 October, 
onder leiding van Cl. F. A. Schaeffer, voortgezet. Er werd vooral in de diepte gegraven, 
zowel op het heuvelplateau, als op de helling, waarbij vooral gewerkt werd in lagen, behorende 
tot het tweede en derde millennium. Men vond ceramiek, zegels, stenen voorwerpen, en een 
fragment van een Assyrisch spijkerschrifttablet. 

k. karahöyük 6 ). In opdracht van de Turk Tarih Kurumu groeven T. en N. OzGug 
in de zomer van 1947 gedurende zes weken op de 21 m hoge Karahöyük, 12 km van Elbistan. 
Als belangrijkste resultaat van deze campagne dient een grote Hiëroglyphische stéle met 
inscriptie genoemd te worden, die aan drie zijden beschreven is. De stéle werd op de top van 
de heuvel gevonden; zij is volkomen intact, heeft een hoogte van 2,5 m en weegt drie ton. Van 
de kleinere voorwerpen dienen de ceramiek, armbanden, naalden, lans en pijlpunten genoemd 
te worden. 

l . sakcagözü 23 ), De heuvel Coba Hüyük, in de archeologie bekend als Sakgagözü, 
ligt aan de voet van de Kurt Dag, halfweg tussen Fevzipasa en Gaziantep. Hier werd in 1908 
en 1911 reeds gegraven door John Garstang 24 ), doch de opgraving werd nimmer voltooid. 
Op zijn instigatie werd door het British Institute of Archcuology at Ankara tegen het voorjaar 
van 1949 een kleine expeditie uitgerust onder leiding van Dr J. Waechter met medewerking 
van Veronica Seton-Williams, Joan du Plat Taylor en S. Hood, alsmede van Mevrouw 
S. Gösgüs, de directrice van het Museum te Gaziantep. De expeditie duurde zes weken van 
April tot Mei en had een tweeledig doel: een volledig overzicht te krijgen van de beschavings¬ 
lagen en een onderzoek in te stellen naar de vuursteen- en lavaglasindustrie. De mogelijkheid 
bestond onaangeraakte Chalcolitische lagen onder het Syro-Hethietische gebouw aan te treffen, 
daar de sculpturen, die Garstang ontdekt had, kort voor 1939 naar Ankara waren gebracht. 
Daartoe werden twee loopgraven gedolven, één binnen het Syro-Hethietische gebouw en één 
buiten de muren daarvan. Er werden elf lagen vastgesteld, waarvan de eerste vijf tot het 
Chalcolithicum behoorden. In de onderste laag trof men een aantal in de rots gehouwen 


22a ) H. Goldman, Excavations at G'ózlü Kule, 
Tarsus. I. The Hellenistic and Roman Periods. Prin- 
ceton. 1950. 

6 ) Zie p. 84 

23 ) Summary of Recent Archceological Research 
in Turkey, in First Annual Report 1948-1949, British 
Institute of Archaeology at Ankara, Londen, 1950, 
14 - 15 - 


24 ) John Garstang, Excavations at Sdkje-geuzi, 
in North Syria : Preliminary Report for 1908, Liver- 
pool AAA 1, 1908, 97-117, platen 33-49; Idem, Se- 
cond Interim Report on the Excavations at Sakje- 
Geuzi, in North Syria, 1911, Liverpool AAA, 5, 
1913, 63-72. 









94 


KLEIN-AZIË EN SYRIË 


putten aan met beschilderd aardewerk en gebrande ceramiek; daarop volgde een serie lemen 
haardsteden, die gelijktijdig gesteld konden worden met de oudste ceramiek van Teil Halaf en 
Samarra; tot de derde periode behoorde een huis uit de Teil Halaf-periode; in de vierde 
periode trof men een aantal gepleisterde vloeren aan. Het Syro-Hethietische gebouw da¬ 
teerde uit de negende periode; de twee bovenste lagen bleken zeer beschadigd te zijn. De 
opeenvolging van ceramiek in de verschillende lagen bleek kwalitatief zeer interessant te zijn. 

m. polatli 25 ). Polatli Hüyük is gelegen binnen de stad van die naam, circa 80 km ten 
ZW van Ankara bij de spoorweg naar Istanbul. Hier werd van 3 tot 23 Augustus 1949 ge¬ 
graven door het British Institute te Ankara, in samenwerking met de Turkse Oudheidkundige 
Dienst en de directie van het Hethietische Museum te Ankara. Doordat een gedeelte van de 
heuvel door de omwonende bevolking reeds was afgegraven bleek het mogelijk in snel tempo 
op een vijftal plaatsen de spade in de grond te steken. Er werd een volledige doorsnede 
van de heuvel gemaakt, waarbij 31 bouwperioden konden worden vastgesteld van de maagde¬ 
lijke bodem tot de top van de heuvel. In de diepste laag kon het! Chalcolithicum niet met 
zekerheid worden vastgesteld; het bronzen tijdperk had toen zijn intrede blijkbaar reeds ge¬ 
daan. Uit de aard der overblijfselen kon worden vastgesteld, dat we hier te doen hebben 
met een groot dorp of een kleine stad, die haar bestaan had gerekt door het Bronzen tijdperk 
en de Hethietische periode. Het Bronzen tijdperk was rijk vertegenwoordigd door een bijzonder 
soort locale ceramiek, die niet volledig te vergelijken was met ceramiek van andere neder¬ 
zettingen uit dezelfde tijd. De constructie van woningen bleek vrijwel onveranderd door de 
gehele serie perioden. Er werden drie graven ontdekt in laag I, VI en VII; de beide eerste 
graf bewoners lagen op hun rechterzijde naar het Westen, overeenkomstig het gebruik in het 
Bronzen tijdperk in vele andere plaatsen. Het aantal kleinere voorwerpen is bijzonder groot, 
terwijl het grootste gedeelte van de ceramiek van figuren was voorzien. De opgravers hebben 
een tabellarische analyse opgesteld, waarin nauwkeurig is aangegeven op welk moment een 
bepaalde soort in de opeenvolging der lagen opduikt en wanneer deze weer verdwijnt. Het 
bleek mogelijk de lagen met vrij grote zekerheid te dateren, waarbij de Cappadocische phase 
kon worden bepaald tussen laag 17 en 25, terwijl de heerschappij der Hethieten aanvangt met 
laag 25. 

Samenvattend kan worden geconstateerd, dat de archseologische activiteit in Turkije, 
speciaal die op het gebied der Hethietische rijken, zich in de laatste jaren zeer heeft uitgebreid. 
De Turken blijken goede leerlingen der Westerse archeologen te zijn, die ook zelfstandig 
resultaten van de eerste rang weten te bereiken. Vooral tegenover de geringe activiteit elders 
valt het succesrijke archeologische onderzoek in Turkije nog des te meer op. Te betreuren valt 
alleen, dat de opgravingen in het eigenlijke Hethietische kernland binnen de bocht van de 
Halys en met name die in Bogazköy nog niet hervat zijn. 

Leiden, 1 Maart 1950 A. A. Kampman 

25 ) Summary of Recent Archceological Research in Turkey, 16-18. 


ASSYRIOLOGIE 


HET AKKADISCHE WETBOEK VAN BILALAMA, 

KONING VAN ESJNUNNA 

De Sumerische wetten van Lipit-Isjtar en de Akkadische wetten van Bilalama, 
de vorst van Esjnunna, zijn verreweg de belangrijkste vondsten op het terrein der Assyrio- 
logie uit de laatste jaren. Een vertaling en toelichting van de eerstgenoemde — de Wet van 
Lipit-Isjtar, de koning van Isin, ca. 1884-1863 v. Chr. — wordt wellicht beter nog even uit¬ 
gesteld, daar hier blijkens verkregen inlichtingen straks nog een vermeerdering van het 
materiaal te wachten staat, op grond van een tafel-fragment, waarvan de identificatie pas 
onlangs is gelukt. Het tot nog toe bekende grootste gedeelte werd saamgesteld uit brokstukken 
van verschillende kleitafels, bewaard in het Museum der Universiteit te Philadelphia, door 
Francis R. Steele : The Code of Lipit-Ishtar (Museum Monographs, The University Museum, 
University of Pennsylvania), Philadelphia 1949. Het is een overdruk uit het American 
Journal of Archaeology, vol. lii, n°. 3, Juli-Sept. 1948. De vermeerdering is te verwachten 
van de hand van dezelf de geleerde in het derde deel van de Symbolae ad Studia Orientis perti- 
nentes Frederico FJrozny dedicatae (Archiv Orientalm, vol. xvin), Praag, 1950. 

De identificatie en publicatie van de Esjnunna- wetten is voor altijd verbonden met de 
naam van Prof. Albrecht Goetze, hoogleraar aan de Yale University te New Haven. Ook 
hier zou een uitstel van het overzicht wellicht aanbeveling hebben verdiend. In dit geval 
zou de reden niet zijn geweest een onmiddellijk te verwachten uitbreiding van het eveneens 
slechts fragmentarisch bewaard gebleven materiaal, maar de eerlang te verwachten verbeterde 
publicatie van de beide teksten (A en B) en de definitieve bewerking daarvan van de hand 
van de eerste bewerker, Prof. A. Goetze. Deze bewerking zal wellicht reeds in de loop van 
het volgend jaar hier in Leiden (bij E. J. Brill) kunnen verschijnen, met een uitvoerige 
juridische commentaar van Prof. M. David, waarbij de keus zowel van de juridische mede¬ 
werker alsook van de uitgever magf worden beschouwd als een eer voor Nederland en de 
Leidse Universiteit. 

Evenwel meende de Redactie van deze Jaarberichten onze lezers, althans wat de Wet 
van Esjnunna betreft, niet zo lang te moeten laten wachten en verzocht zij mij om de publi¬ 
catie van mijn voorlopige vertaling op grond van de editio princeps. Na aanvankelijke aarzeling 
meende ik mij aan dit verzoek niet te moeten onttrekken. Al is het een ondankbaar werk van 
bewust voorlopig karakter, toch zijn deze wettelijke bepalingen door hun inhoud en ouderdom 
van zodanig belang, dat wij over onze bezwaren meenden te moeten heenstappen en de ver¬ 
taling hebben aangedurfd, ondanks het besef van de onvermijdelijke onvolmaaktheid en in 
afwachting van de correcties, die in de definitieve uitgaaf op grond van een nieuwe en nauw¬ 
keurige collatie van de beide originele teksten niet zullen ontbreken. Voorlopig steunt onze 
vertaling uitsluitend op de editio princeps. 

Deze eerste en voorlopige publicatie van The Laws of Eshnunna , discovered at Teil 
Harmal, werd geboden door Prof. Albrecht Goetze (American School of Oriental Research 
at Baghdad and Yale University) in het tijdschrift Sumer, A Journal of Archaeology in Iraq, 
vol. iv, n°. 11, September 1948, pp. 63-102, met een transcriptie, vertaling, geautografeerde 
tekst en met twee photo’s van de originele spijkerschrift-tafels. In deze bewerking, die aan 
onze vertaling ten grondslag is gelegd, zijn de beide teksten A en B met aantekening van de 
varianten tot een eenheid samengevat en werd dit geheel verdeeld in 61 paragrafen. De photo’s 
werden ook overgenomen in het Journal of Cuneiform Studies (JCS) 11/1, 1948, pk i-iv, en 
de transcriptie en de autographie in het tijdschrift Orientalia, N.S., xvm/i, Rome, 1949, pp. 
126-129 en pl. x-xx. 

Een beknopt overzicht over de historische problemen wordt aangetroffen in een Presi - 
dential address, uitgesproken door Prof. A. Goetze bij gelegenheid van de jaarlijkse bijeen- 











9 6 


ASSYRIOLOGIE 



komst der American Oriental Society te New Haven op 6 April 1949 en gepubliceerd in het 
Journal van dit Genootschap (JAOS) vol. 69, n°. 3, Juli-Sept. 1949, pp. 115-120: Mesopo- 
tamian Laws and the Historian. Wij volstaan met de aanhaling van een enkel stuk uit dit 
overzicht van Prof. Goetze op p. 11 yb, dat hier in het Nederlands wordt vertaald: „De 
nieuwe Sumerische codex blijkt het werk te zijn van Lipit-Isjtar, de koning van Isin; hij 
omvat — of liever omvatte in zijn volledige vorm — de wet, die geldig is geweest in diens 
hoofdstad Isin. De Akkadische codex vertegenwoordigt de stedelijke wet van Eshnunna, het 
hoof dzakelijke centrum van beschaving in de streek van de Diyala, ten Oosten van Baghdad, 
en is vermoedèlijk nog ouder dan de wetgeving van Lipit-Isjtar, daar hij bijna tot aan de 
•periode der derde dynastie van Ur teruggaat. De wetgeving van Lipt-Isjtar werd ontdekt 
door F. R. Steele in het Universiteits-Museum te Philadelphia; de ontdekking der wetten 
van Eshnunna was de vrucht van mijn eigen (nl. Prof. Goetze's) gelukkige samenwerking 
met de Oudheidkundige Dienst in Iraq gedurende mijn verblijf aldaar als Annual Professor of 
the American Schools of Oriental Research in Baghdad gedurende de eerste vijf maanden 
van het jaar 1948. Hierdoor kwamen wij in het bezit van twee wetgevingen, waarvan de 
eerste in een Sumerische en de andere in een Akkadische stad geldig is geweest, terwijl beide 
steden later werden ingelijfd in het rijk van koning Hammurabi. Deze beide stedelijke wet¬ 
gevingen nu zijn juist van dien aard, zoals Hammurabi die moet hebben gebruikt, toen hij 
de taak der harmonisatie en unificatie van de in zijn gebied gevonden wetten aanvaardde. 
Ten gevolge hiervan kunnen wij nu tot op zekere hoogte ook de methoden nagaan, die door 
hem werden toegepast om dit doel te bereiken.” 

Op 18 Maart 1949 hield Prof. M. David in de bijeenkomst van het Oosters Genootschap 
te Leiden een lezing, waarin deze nieuw ontdekte wetgeving van Esjnunna vooral naar de 
juridische zijde werd belicht. Deze lezing verscheen daarna in meer uitgebreide vorm: Een 
nieuw ontdekte Babylonische wet uit de tijd vóór Hammurabi, Leiden (E. J. Brill), 1949, 
32 blz. Deze leerrijke uiteenzetting van de hand van de Leidse rechtshistoricus mogen wij 
bij velen van onze lezers als bekend veronderstellen. Dus herhalen wij hier slechts de aan¬ 
kondiging: „In het begin van 1948 werd door Prof. A. Goetze van de Yale University, die 
toen aan de American School of Oriental Research in Baghdad werkzaam was, een oud Baby¬ 
lonisch wetboek ontdekt, dat ca. 250 jaren ouder is dan de Codex Hammurabi, en derhalve 
de oudste rechtsoptekening bevat, die wij op het ogenblik kennen. De uitvoerige bewerking 
door Prof. Goetze in samenwerking met Prof. David zal waarschijnlijk nog geruime tijd in 
beslag nemen. Met het oog hierop geeft Prof. David nu al een overzicht van de inhoud der 
wet, waarbij ook op de vele overeenkomstige bepalingen wordt gewezen, die de Codex 
Hammurabi enerzijds en de Bijbelse wetten anderzijds bevatten”. 

Belangrijke aanvullingen en toelichtingen bij de editio princeps worden sindsdien aan¬ 
getroffen in het tweede deel van de reeds vermelde Symbolae ter ere van Fr. HROZNy 
(Archiv Orientalm, vol. xvn), Praag 1949. Van deze beide bijdragen legt de eerste weer 
meer de nadruk op de juridische zijde, dus op de indeling, rangschikking en beoordeling van 
de verschillende wettelijke bepalingen en vooral ook op een vergelijking met overeenkomstige 
bepalingen in de Wet van Hammurabi: Sir John Miles en O. R. Gurney (Oxford), The 
Laws of Eshnunna, a.w., pp. 172-188. De andere bijdrage is van de hand van een der beste 
kenners der Akkadische lexicographie en is dus van overwegend belang voor de taalkundige 
bijzonderheden en moeilijkheden, die natuurlijk eerst moeten zijn opgelost, voordat men met 
de juridische interpretatie ook in bijzonderheden kan beginnen: Wolfram von Soden, 
Kleine Beitrdge zum Verstdndnis der Gesetze Hammurabis und Bilalamas, a.w. pp. 359-373- 
De inhoud van deze beide bijdragen (waarbij de auteurs van de eerste reeds inzage hebben 
gehad in het manuskript van de tweede) is in onze volgende vertaling verwerkt, voorzover 
dit taalkundige bijzonderheden en verbeterde lezingen betreft. 

Een inhoudsopgaaf en enkele aantekeningen werden geboden door M. San Nicolo, 
Rechtsgeschichtliches zum Gesetz des Bilalama von Esnunna, in Orientalia, N.S., vol. 18, 
fase. 2, Rome 1949, pp. 258-262. 

De titel van ons overzicht is ietwat optimistisch. Eigenlijk zou men niet mogen spreken 




HET WETBOEK VAN BILALAMA 


97 


van één „wetboek van Esjnunna”, maar van twee verschillende, min of meer zelfstandige 
afschriften van enkele groepen van wettelijke bepalingen. Zoals Miles en Gurney (p. 176 vv.) 
hebben opgemerkt, is het zelfs de vraag, of de beide afschriften A en B, die in de editio 
princeps tot een eenheid zijn saamgesmolten, als duplicaten van dezelfde compilatie uit de 
Wetten van Esjnunna mogen worden beschouwd. De stijl en de formulering van deze 
wetten zijn bovendien zo voortreffelijk — althans slechts weinig inferieur aan die der Wetten 
van Hammurabi —, dat de wanorde der rangschikking des te opvallender is. Miles en 
Gurney denken dan ook (p. 178) aan compilaties van bepaalde precedente gevallen in het 
belang van de rechtspraak of misschien slechts van bepaalde paradigma's of exempels der 
rechtstaal ten gebruike van het onderwijs in de scholen der schrijvers. 

Wat de plaatsbepaling Esjnunna betreft, zo is de juistheid daarvan niet twijfelachtig: 
niet alleen op grond van de datering van tablet A aan het begin, maar ook op grond van 
verschillende gegevens in de wetten zelf (vgl. § 50-52), alsmede van het feit, dat de stad 
Diniktum (thans Teil Harmal) in de periode vóór Hammurabi (dus vóór 1700 v. Chr.) tot 
het rijk van Esjnunna (met de hoofdstad op de plaats van de Teil Asmar) heeft behoord. 
Minder zeker is, zoals Miles en Gurney (a.w., p. 174 v.) hebben opgemerkt, de bepaling 
van koning Bilalama als de wetgever. Ook in dit opzicht is de titel, die door ons (naar 
het voorbeeld o.a. van von Soden) aan deze bewerking der Esjnunna-wetten werd gegeven, 
wellicht al te optimistisch. Het is te verleidelijk, ook in dit geval de naam van een wetgever 
te vermelden, als men deze wetten als de oudste van de drie naast die van Lipit-Isjtar en 
die van Hammurabi wil plaatsen. Esjnunna is immers slechts de benaming van het landschap 
en van de hoofdstad en zou dus moeten worden geplaatst naast „het wetboek van Isin” en 
„het wetboek van Babylon”. Nu wordt de naam van de (sedert de opgravingen van 
H. Frankfort c.s.) welbekende koning Bilalama, hoewel in bijna kryptografische spelling, 
in de datering aan het begin van tablet A uitdrukkelijk overgeleverd. Hij was de zoon en 
opvolger van Kirikiri en vermoedelijk een tijdgenoot van koning Sju-ilisju van Isin 
(ca. 1924-1915 v. Chr., dus ongeveer twee eeuwen vóór Hammurabi). Het is mogelijk, dat 
deze datering slechts als een terminus ante quem moet worden beschouwd, zodat de wetgeving 
zelf nog ouder zou zijn. 

Het zou om methodische redenen wenselijk zijn, de beide afschriften A en B eerst 
afzonderlijk te vertalen en te verklaren, voordat men een poging doet tot synthese. Op¬ 
zettelijk volgen wij echter in onze voorlopige Nederlandse vertaling de gecombineerde tekst, 
die door Prof. Goetze in zijn editio princeps werd geboden, evenals ook de indeling in 
paragrafen, die door hem werd toegepast, ondanks enkele bedenkingen, die door von Soden 
(a.w., p. 368) hiertegen zijn te berde gebracht. 

In de nu volgende vertaling wordt al hetgeen a) aangevuld, b ) onzeker of c) ter ver¬ 
klaring toegevoegd is, door kleinere druk aangeduid. De aanvullingen staan bovendien tussen 

hoekige [.] en de verklaringen tussen ronde (.) haakjes. In de noten onderaan 

beperken wij ons in hoofdzaak tot taalkundige toelichtingen. Van juridische toelichtingen 
of van vergelijkingen met de Wet van Hammurabi, de Hethietische of de Assyrische Wetten 
of met de bepalingen van het bijbelse Verbondsboek of van het Deuteronomium zien wij hier 
af. Hiervoor verwijzen wij met nadruk op de vermelde brochure van de hand van Prof. 
M. David. 

De vertaling luidt: 


I. DATERING VAN HET AFSCHRIFT A 

[In de maand .], op de 21ste dag [van het jaar, volgende op het jaar, dat ] 


Bilalama 1 ), [de koning,] het koning: 

1 ) De spelling van de naam van koning Bilalama 
is hier bijna kryptografisch, anders dan in de van 
hem en uit zijn tijd bekende inscripties, die op de 
Teil Asmar werden opgegraven. Een lijst van date¬ 
ringen uit zijn regering wordt aangetroffen in het 


ichap over Esjnunna [had aanvaard en 

grote werk van H. Frankfort, S. Lloyd en Th. 
Jacobsen, The Gimilsin Temple and the Palace 
of the Rulers at Teil Asmar (Oriental Institute 
Publications, vol, xliii), Chicago 1940, pp. 177-180. 
















9 8 


ASSYRIOLOGIE 


een stenen] standbeeld naar het huis van zijn vader, [waarvan de naam luidt: 
„Be]mind is de Omheining 2 ) van Sjamasj” [had doen brengen en aan de oever van] 
de Tigris in het eerste jaar zijn machtig wapen had doen rusten 3 4 ). 

II. PRIJSLIJST EN TARIEVEN 4) 

§ i ( A ). Eén kor graan voor één sikkel zilver. Drie qa olie van de beste 
kwaliteit voor één sikkel zilver. Eén seah en twee qa olijfolie voor één s ikk el 
zilver. Eén seah pekolie 5 ) voor één sikkel zilver. Zes mina’s wol voor één sikkel 
zilver. Twee kor zout voor één sikkel zilver. Eén kor zeep (of potas?) voor één 
sikkel zilver. Drie mina’s koper voor één sikkel zilver. Twee mina’s fijn koper 
voor één sikkel zilver. 

§ 2 (A). Eén qa olijfolie kan voor de belasting 6 ) door drie seah graan worden 
vervangen. Eén qa spek kan voor de belasting 6 ) door twee seah en vijf qa graan 
worden vervangen. Eén qa pekolie 5 ) kan voor de belasting door acht qa graan worden 
vervangen. 


III. HUREN EN LONEN 

§ 3 ( A ). De huur voor een lastwagen met zijn ossen en zijn drijver bedraagt 
honderd qa en vier seah graan. Wordt het in geld betaald, dan is de huur een 
derde sikkel zilver. Op de avond zal hij hem teruggeven (eigenl. terugdrijven) t). 

§ 4 (A). De huur voor een boot is twee qa per kor 8 ) en vier qa is de huur 
voor de bootsman. Op de avond zal hij hem teruggeven 7 ). 

§ 5 (A). Als de schipper door nalatigheid de boot laat ondergaan dan moet 
hij al hetgeen hij heeft laten ondergaan vergoeden. 

§ 6 (A). Indien iemand met nietswaardige bedoeling 9 ) een boot, die niet 
van hem is, in bezit neemt, zal hij tien sikkels zilver moeten betalen. 

§ 7 (A). Twee seah graan bedraagt het loon voor een oogstarbeider. Wordt 
het in geld betaald, dan is het loon twaalf „korrels” (zilver). 


2 ) Lees (met von Soden, p. 368) Sü-pu-ur harnas 
en vgl. de bekende benaming van de stad Uruk in 
het Gilgamesj-epos: Uruk supüri. 

3 ) Lees wellicht ba-an-hun^ unih (Deimel, 
SL 536, 39)? Goetze las ba-an-tug (=turs) 
c he brought (there) 3 . 

4 ) Vgl. Br. Meissner, Warenpreise in Babylonien 
(Abh. d. Preuss. Akademie, 1936, ph.-hist. KI. n°. 1, 
en Nachtrage, ib. 1937). Ter vergelijking komen 
vooral in aanmerking de tarieven van Sin-qasid van 
Uruk en van Samsi-Addu 1 van Assyrië. Terwijl 
men in ons geval blijkbaar te doen heeft met de 
geldende standaard-prijzen, zijn de prijzen in deze 
beide andere gevallen zo laag, dat men aan de gang¬ 
baarheid daarvan in de praktijk mag twijfelen. Vgl. 
reeds Meissner, Babylonien und Assyrien, deel 1, 
p. 361 en ook E. F. Weidner, Af O, 13, 1940, p. 2T1, 
noot 38. 

5 ) Letterl. c rivier-olie 3 of c rivier-vet 3 . Volgens 

Miles & Gurney, p. 180, wellicht „the floating pitch 


commonly found on rivers in Mesopotamia”. Het zou 
verleidelijk zijn aan petroleum te denken (dus aan 
c vloeiende olie 3 ). 

6 ) De uitdrukking nisfaatuM betekent in de Kül- 
tepe-oorkonden een belasting in naturaliën; vgl. de 
gegevens bij A. Goetze, Kleinasien (Kulturgeschich- 
te des Alten Orients), München 1933, p. 71, noot 19: 
„Steuer, von Stoffen'’. Von Soden, p. 363, dacht 
aan een bepaalde (betere) kwaliteit van olie of spek. 

7 ) Aldus volgens Miles & Gurney, p. 180. 

8 ) Aldus volgens Goetze. Vgl. echter Miles & 
Gurney, p. 180 v., en von Soden, p. 368 v., waar 
andere lezingen en opvattingen zijn voorgesteld. 

9 ) Wij zouden nu-la-a-ni liefst als n u - [u 1] - 1 a - 
a - n i en dan als Sumerisch ideogram willen op¬ 
vatten: c in zijn nietswaardige inborst 3 . Vgl. het 
nomen nullatu nietswaardigheid, infame gezindheid 3 , 
dat waarschijnlijk eveneens van het Sumerisch 
n u - u 1 moet worden afgeleid. 


HET WETBOEK VAN BILALAMA 


99 


§ 8 (A). Eén seah graan is het loon voor een omschepper 10 ). 

§ 9 ( 4 ). Als iemand bij de oogst voor een dagloner (eigenl. huurling) één 
sikkel zilver betaalt en deze zijn verplichting niet vervult en de oogstarbeid in 
het geheel niet verricht, dan zal deze (nl. de huurling) tien sikkel (dus het tien¬ 
voudige van het loon) moeten betalen. Hij zal als loon ontvangen één seah en vij f qa 
(graan); laat hij het werk echter in de steek, dan zullen ook zijn rantsoenen in graan, 
olie en kleding vervallen 11 ). 

§ 10 (A). Eén seah graan is de huur voor een ezel en evenveel die van de 
drijver. Op de avond moet hij hem teruggeven 7 ). 

§ n (AJ. Het loon voor een dagloner (eigenl. huurling) bedraagt één sikkel 
zilver, en zijn kost zes seah graan: dit zal gelden voor één maand. 

§ 12 (A, B). Wie in het veld van een ondergeschikte 12 ) in het te velde staande 
gewas ll3 ) op klaarlichte dag wordt aangetroffen, zal tien sikkel zilver moeten 
betalen. Wordt hij echter ’s nachts in het te velde staande gewas 13 ) aangetroffen, 
dan moet hij sterven en mag hij niet in het leven worden gelaten. 

§ 13 (A, B ). Wie in het huis van een ondergeschikte, midden in het huis, op 
klaarlichte dag wordt aangetroffen, zal tien sikkels zilver moeten betalen. Wordt 
hij echter ’s nachts in het huis aangetroffen, dan moet hij sterven en mag hij niet 
in het leven worden gelaten 14 ). 

IV. FINANCIËLE TRANSACTIES 

§ 14 (B). Het loon voor een reizend koopman 16 ) bedraagt, als hij vijf sikkels 
zilver meebrengt, één sikkel; als hij tien sikkels zilver meebrengt, twee sikkels 
(dus 20 %). 

§ 15 (B). Van een slaaf of van een slavin mag een koopman of een herber¬ 
gierster (eigenl. schenkster) zelfs niet de geringste hoeveelheid 16 ) zilver, graan, 
wol of olie aanvaarden. 


10 ) zarü c omscheppen 3 ; in ’t Engels c to winnow 3 ; 
in ’t Duits c worfeln 3 . 

17 ) Het slot van § 9 is wegens twee onbekende 
ideografische spellingen in r. 33 buitengewoon moei¬ 
lijk. Von Soden, p. 369, denkt aan twee verschil¬ 
lende soorten van loonarbeiders. Bij gebrek aan beter 
aanvaarden wij het (eveneens aarzelende) voorstel 
van Miles & Gurney, p. 182. 

7 ) Zie p. 98. 

12 ) Met deze vertaling is bedoeld de muskênum, 
die tot de (ook uit de Wet van Hammurabi welbe¬ 
kende) tweede stand behoort; vgl. hierover W. 
Eilers, Die Gesetzesstele Chammurabis, Leipzig, 
1932, p. 79» s.v. c Stande 3 . 

13 ) De uitdrukking kurul(l)um komt overeen met 
het Sumerische k a r a d i n, dat ideografisch op ver¬ 
schillende manieren kan worden geschreven (vgl. 
DeimeiI, SL 85, 387; 367, 135 c; 369» 2; 370, 2; 375, 
46 a, 48 a); blijkens deze ideogrammen moet het een 
bepaalde toestand van het graan en ook wel van het 
riet betekenen, Volgens het verband is de voorge¬ 


stelde vertaling (vgl. Goetze : c crop 3 ) alleszins 
waarschijnlijk. 

14 ) §§ 12 en 13 zijn bij wijze van ideën-associatie 
aan deze sectie over huren en lonen toegevoegd. De 
voorafgaande paragrafen handelen over de oogst en 
de oogstarbeiders, die zich op legitieme wijze op het 
veld bevinden. Toegevoegd wordt in § 12 de straf 
voor de bedrieger, die zich onder deze arbeiders 
mengt, om zich te eigen bate iets van het gewas toe 
te eigenen, en daarna in § 13 de analoge straf voor 
de inbreker. 

15 ) De eenvoudigste opvatting van het moeilijke 
(en ook moeilijk leesbare) ideogram zou zijn: 
awèl samallïm (het gewone ideogram zie Deimel 
428, 8). Het is de venter of marskramer, die in op¬ 
dracht en voor rekening van de tamkarum de waren 
op het platteland of in andere steden slijt en die daar¬ 
voor een vijfde deel krijgt van de winst. 

16 ) Wij lezen: a-di ma-fi-im, letterlijk: c (zelfs x „- 

niet) tot een geringe hoeveelheid toe 3 . / v r 

• CNV 













IOO 


ASSYRIOLOGIE 


§ 16 ( A, B). Een deelhebber aan een onverdeelde boedel of een slaaf mag 
geen renteloos voorschot ontvangen 17 ). 

§ 17 (A, B). Heeft iemand de bruidsprijs aan het huis van zijn schoonvader 
afgeleverd, terwijl daarna één van de beide (verloofden) komt te sterven, dan zal 
het bedrag aan zijn (oorspronkelijke) eigenaar terugvallen. 

§ 18 (A, B). Indien hij echter reeds met haar het huwelijk had voltrokken en 
zij haar intrek reeds in zijn huis had genomen, hoewel hij nog achterstallig was 
(met de storting van de bruidsprijs) 18 ), en de jonge vrouw dan komt te sterven, dan 
zal hij hetgeen hij reeds gestort heeft niet meer weg mogen halen, maar alleen het 
(nog niet gestorte) overschot mogen houden. Hierbij bedraagt de rente voor één 
sikkel (zilver) een zesde en zes „korrels” (d.w.z. 20 %) en voor een kor (graan) 
een vijfde kor en vier seah (d.w.z. 331/3 %) 19 ). 

§ 19 (A, B). Een man, die voor de tegenwaarde (in graan geld) leent, zal zich 
op de dorsvloer (d.w.z. na de oogst) betaald maken 20 ). 

§ 20 (A). Indien iemand [geld] aan . geleend heeft en de terugbetaling 

in graan in plaats van in geld bepaald heeft, dan zal deze bij de oogst het graan 
en als rente een vijfde kor en vier seah per kor ontvangen (d.w.z. 331/3 %) 21 ). 

§ 21 ( A ). Indien iemand zilver leent voor de volle geldswaarde 22 ), dan zal 
hij het geld en als rente een zesde en zes „korrels” (zilver) terugontvangen (d.w.z. 
20 %). 

§ 22 (A). Indien iemand, zonder dat hij van een ander iets heeft te vorderen, 
diens slavin in gijzeling stelt, dan zal de eigenaar van de slavin onder ede ver¬ 
klaren: „Gij hebt niets van mij te vorderen!” Daarna zal hij het volle loon 23 ) 
voor de slavin moeten betalen. 

§ 23 (A). Indien iemand, zonder dat hij van een ander iets heeft te vorderen, 
diens slavin in gijzeling stelt en haar in schuldhechtenis in zijn huis opsluit 
en daardoor de aanleiding wordt tot haar dood, dan zal hij aan de eigenaar van 
de slavin twee slavinnen moeten vergoeden. 

§ 2 4 (A). Indien iemand, zonder dat hij van een ander iets heeft te vorderen, 
de echtgenote of het kind van een ondergeschikte l2 ) in gijzeling stelt en hen in 


17 ) Pass. van qdpu c toevertrouwen, lenen 3 , en als 
juridische term c zinsfrei darleihen 3 (vgl. qiptmn). 

18 ) Vgl. von Soden, p. 370. Vgl. voor uhhuru 
c hintansetzen, sich verspaten 3 : B. Landsberger, 
AfO in, 164, noot 4. Wellicht moet ahharü worden 
opgevat als — ina afihari(su) °bij (zijn) achterstal- 
ligheid 3 . 

19 ) De bedoeling van deze laatste bepaling (r. 6 
en 7) schijnt te zijn, dat de jonge weduwnaar het 
achterstallige gedeelte van de bruidsprijs wel mag 
behouden, maar dat hij daarvan voor de tijd, dat zijn 
huwelijk geduurd heeft, aan de schoonvader de ge¬ 
bruikelijke rente moet betalen. Volgens deze op¬ 
vatting is het overbodig, hier (met von Soden, 
p. 370) een splitsing in twee zelfstandige paragra¬ 
fen toe te passen. Het is echter nog de vraag, of 
in deze §§17 en 18 de tekst A en B tot een bevre¬ 


digende eenheid kan worden gecombineerd; vgl. de 
bedenkingen bij Miles & Gurney, p. 177. 

20 ) Bij de uitdrukking ana mefarisu vgl. in § 21 
ana panisu. In het eerste geval geschiedt de terug¬ 
betaling van het geleende bedrag blijkbaar in graan, 
in het tweede geval in baar geld. Vgl. bij mefirum 
tegenwaarde 3 de analoge uitdrukking mefardtum 
c Aequivalent, Gegenleistung 3 in de Kültepe-oorkon- 
den (Eisser & Lewy, Kült. I/2, p. 87, noot a). 
Voor maskanum c dorsvloer 3 vgl. Codex Hammu- 
rabi Illr, 4 (§ 113) : ina naspakim u lu ina maska- 
nim „aus dem Speicher oder aus der Tenne”. 

21 ) Dus hier en in § 21 dezelfde rentevoet als in 
§ 18 eind: 33V3 % voor graan en 20 % voor geld 
(zilver). 

22 ) ana panisu, vgl. noot 20. 

23 ) Lees idi c loon 3 (von Soden), 


het wetboek van bilalama 


ioi 


schuldhechtenis in zijn huis opsluit en daardoor de aanleiding wordt tot hun dood, 
dan is dit een halszaak: degene, die hen in gijzeling heeft gesteld, zal moeten 
sterven. 


V. HUWELIJKEN EN HUWELIJKSRECHT 

§ 25 ( A ). Indien iemand van het huis van de schoonvader verwijderd blijft 24 ) 
(nl. na de verloving) en zijn schoonvader heeft hem (wegens de verbroken trouwbelofte) 
het drievoudige bedrag (van de bruidsprijs) 25 ) opgelegd, dan zal de vader van het 
meisje, als hij daarna zijn dochter aan een ander uithuwelijkt, de bruidsprijs, die 
hij heeft ontvangen, tweevoudig terugbetalen (dus zal de schoonvader in dit geval 
slechts de oorspronkelijke bruidsprijs mogen houden) 26 ). 

§ 26 (A). Indien iemand voor de dochter van een vrijgeborene de bruids¬ 
prijs heeft gebracht, en daarna schaakt haar een ander zonder de toestemming 
van haar ouders en verkracht haar, dan is dit een halszaak: hij (nl. de schaker) 
zal moeten sterven. 

§ 27 (A). Indien iemand de dochter van een vrijgeborene huwt, zonder haar 
ouders te vragen en zonder de verplichte formaliteiten jegens haar ouders te hebben 
vervuld 27 ), dan is zij niet (zijn) echtgenote, zelfs al heeft zij een vol jaar bij 
hem in huis gewoond 28 ). 

§ 28 ( A,B ). Indien hij echter op tijd 2t) ) de verplichte formaliteiten jegens haar 
ouders vervuld heeft 27 ) en daarna met haar gehuwd is, dan is zij (zijn wettige) 
echtgenote. Wordt zij dan met een andere man aangetroffen, dan moet zij sterven 
en mag zij niet in het leven worden gelaten. 

§ 29 ( A,B ). Indien iemand bij gelegenheid van een veldtocht, een razzia 
of een overrompelingstocht vlucht 30 ) of als gevangene wordt weggevoerd en 


24 ) issima : volgens Goetze van sasü c to call 3 ; 
beter in dit verband m.i. van nesü c ver zijn, zich 
verwijderd houden 3 . 

25 ) Vgl. het nomen taksü in het Gilgamesj-epos 
vi 18: c drielingen (triplets) 3 ; op grond daarvan mag 
men voor het (denominatieve?) werkwoord de be¬ 
tekenis c iets verdrievoudigen (to treble, to triple) 3 
veronderstellen. 

26 ) Volgens deze opvatting van de moeilijke para¬ 
graaf 25 moet dus bij moedwillige verbreking van 
de trouwbeloften de drievoudige bruidsprijs worden 
vergoed. Trouwt het meisje echter met een ander, 
dan wordt twee derde van deze drievoudige som 
terugbetaald, zodat de vader van het meisje slechts 
de oorspronkelijke bruidsprijs houdt. In het Duits 
luidt onze vertaling van deze § 25 aldus: „Wenn 
jemand dem Hause seines Schwiegervaters fern blieb 
(nl. nach der Verlobung), und sein Schwiegervater 
hat ihm (wegen des Bruchs seines Eheversprechens) 
die Bezahlung des dreifachen Betrages (des Braut- 
preises) auferlegt, dann wird der Vater des Mad- 
chens, wenn er danach seine Toch ter einem anderen 
zur Ehe gibt, den Brautpreis, welchen er empfangen 
hat, zwiefach zurückzahlen”. (Somit darf der 
Schwiegervater in diesem Fall, ausser dem Braut¬ 


preis des neuen Schwiegersohnes, nur den ursprting- 
lichen Brautpreis des ersten behalten, wahrend er 
diesem zwei Drittel des ihm strafweise auferlegten 
dreifachen Brautpreises zurückzuzahlen hat). 

27 ) Vrije vertaling. De moeilijkheid is de uitdruk¬ 
king girram of kirram ( kerram ). Wij zouden liefst 
aan kerruni c lam 3 willen denken en in dit verband 
Genesis 38: 17 en Richteren (Judges) 15: 1 willen 
aanhalen. Blijkens deze plaatsen wordt door het mee¬ 
brengen van een lam of van een bokje aangeduid, dat 
iemand de huwelijksgemeenschap begeert. Als de vol¬ 
gende stap komt dan hierbij het schriftelijke en voor 
getuigen bevestigde huwelijkscontract ( riksdtum ). 

28 ) lisimma in plaats van lisib-ma, vgl. noot 40. 

29 ) Lees (met von Soden) : U4 - b i ^ ina ümisu 
c te zijner tijd, op tijd 3 , in plaats van ul. 

30 ) Lees vermoedelijk: it-ta-bitj evenals in 30, 
r. 46 (var. B : it-ta-afa-bi-it) . Von Soden, p. 370, 
stelt ittafbat voor. Vgl. aldaar ook over sakpu (of 
sokbut). Het werkwoord sakdpu betekent in de Mari- 
brieven ook eenvoudig c zenden 3 , zodat men aan een 
expeditie of een raid met behulp van een c gezonden 3 
legermacht of c overvals-commando 3 zou kunnen 
denken. 














102 


ASSYRI0L0GIE 


hij dan lange tijd in een ander land woont, terwijl een ander met zijn echtgenote 
huwt en zij dien kinderen baart, dan zal zijn echtgenote (desondanks) na zijn 
thuiskomst tot hem terugkeren 31 ). 

§ 30 ( A,B ). Indien iemand een afkeer heeft van zijn stad en zijn vorst en 
vlucht en indien dan een ander zijn echtgenote huwt, dan zal hij na zijn thuis¬ 
komst haar niet meer als zijn echtgenote mogen opeisen. 

§ 31 (£). Indien iemand de slavin van een ander verkracht, zal hij een derde 
mina zilver moeten betalen, terwijl de slavin het eigendom blijft van haar 
meester 32 ). 

VI. KINDEREN 

§ 32 ( A, B ). Indien iemand zijn zoon heeft weggegeven om hem te doen 
zogen en grootbrengen en hiervoor de (voorgeschreven) rantsoenen graan, olie en 
wol gedurende drie jaren niet heeft verstrekt, dan zal hij zijn zoon pas mogen 
meenemen, nadat hij tien mina’s zilver voor diens grootbrengen heeft betaald. 

§ 33 ( A, B). Indien een slavin haar zoon bedriegelijk aan een vrijgeborene 
ter hand stelt en als zijn meester hem (daar) vindt, nadat hij groot is gebracht, 
dan mag deze hem grijpen en hem weer (als slaaf) bij zich halen 33 ). 

§ 34 ( A, B). Indien een dienstmaagd van het koninklijke hof haar zoon of 
dochter aan een ondergeschikte 12 ) ter hand stelt om die groot te brengen, dan 
mag het hof (eigenl. het paleis) beslag leggen op de zoon of dochter, die zij weg¬ 
gegeven had. 

§ 35 ( A, B). Dus moet de pleegvader, die het kind van een dienstmaagd van 
het koninklijke hof heeft geadopteerd, een gelijkwaardig (kind) aan het hof 
(eigenl. het paleis) vergoeden. 


VIL DEPOSITO, KOOP EN VERKOOP 

§ 36 (A, B ). Indien iemand zijn bezit aan een gastvriend 34 ) in bewaring heeft 
gegeven en daarna dit bezit, dat hij in bewaring heeft gegeven, verloren is gegaan, 


31 ) Lees aan het eind van tekst Buy met von 
Soden, p. 370, i-ta[a-ar-sum] c zij keert tot hem 
terug 3 . 

32 ) Men lette hier, evenals in § 59 en elders, op 
de hoge zedelijke strekking van deze wetten. Welis¬ 
waar merkt San Nicolo (Or., N.S., ‘18/2, 1949, 
p. 260) op: „Geschlechtsverkehr mit einer fremden 
Sklavin macht selbstredend nicht als solcher, sondern 
als Eingriff in die fremde Herrschaftsgewalt buss- 
pflichtig”. Evenwel staan de bepalingen over het 
slavenrecht pas in §§ 49-52, terwijl onze § 31 een 
aanhangsel vormt bij de sectie over het huwelijk en 
het huwelijksrecht in §§ 25-30 (dus wordt de slavin 
beschouwd als de bijvrouw). In de Bijbel staat de 
analoge wet in Leviticus 19:20, waar de straf niet 
nader is bepaald. Wat de onderhavige bepaling der 
boete betreft, zal een derde mina wel met de waarde 
(d.w.z. met de koopprijs) van de slavin overeen¬ 
komen. Voor een derde mina of twintig zilveren 
sikkels wordt blijkens Genesis 37: 28 ook de jonge 


Jozef door zijn broeders verkocht (vgl. ook Levit. 
27:5), terwijl de koopprijs voor een volwassen slaaf 
in Babel evenals in de Bijbel over het algemeen een 
halve mina of dertig zilveren sikkels ( c zilverlingen 3 ) 
is geweest (vgl. Exod. 21:32; Levit. 27:4; Zach. 
ii: 12). 

33 ) Van warüm 1/2: c er wird es (das Kind) zu 
sich holen 3 (von Soden). 

34 ) Over de raadselachtige uitdrukking naptarum 
zie de uitvoerige uiteenzetting bij von Soden, p. 
371 v. Blijkens § 41 staat de naptarum als een bepaal¬ 
de klasse van ingezetenen tussen de ubdrurn ( c bij- 
woner 3 ) en de eveneens raadselachtige mudüm en is 
hij, evenals deze, verplicht tot een bepaalde belasting: 
de levering van bier. Vgl. Miles & Gurney, p. 186: 
„It is therefore suggested that these persons for 
some reason have tot provide as e.g. rent or taxes 

a quantity of beer. The law would then forbid 

the alewife to take adventage of their necessity, and 
require her to sell them the beer at the current price”. 


HET WETBOEK VAN BILALAMA 


103 


zonder dat in het huis werd ingebroken noch de drempel werd opgebroken noch 
het raam werd geforceerd, dan zal zijn bezit hem ten volle moeten worden 
vergoed. 

§ 37 ( A, B). Indien echter het huis van die man is ingestort en ook de eige¬ 
naar van dit huis, samen met het deposito, dat hij hem had gegeven, verlies heeft 
geleden, dan zal de huiseigenaar bij de poort van (de tempel van) de god Tisjpak 35 ) 
bij ede verklaren: „Met uw bezit is ook mijn bezit verloren gegaan” en zal hij 
hem verklaren, geen misdaad 36 ) noch bedrog te hebben gepleegd —: dan zal 
de andere niets van hem mogen eisen. 

§ 38 (A, B)- Indien onder broeders de één zijn aandeel (in een onverdeelde 
boedel) wil verkopen en zijn broeder wenst het te kopen, dan zal deze slechts het 
gemiddelde 3 ?) van hetgeen een buitenstaander zou moeten betalen, vergoeden. 

§§ 39 ( A < B ). Indien iemand wegens onvermogen zijn huis voor geld wil ver¬ 
kopen, dan zal de eigenaar van het huis op de dag, waarop de koper van plan 
is het weer te verkopen, het huis kunnen lossen (d.w.z. terugkopen) 33 ). 

§ 40 ( A, B). Indien iemand een slaaf of een slavin of een rund of enig ander 
voorwerp van waarde gekocht heeft, zonder dat hij de verkoper dit voor getuigen 
heeft laten bevestigen, dan geldt hij als een dief. 

§ 41 ( A, B). Indien een bijwoner, een gastvriend of een ingezetene 34 ) zijn (belas¬ 
ting in) bier moet leveren, dan moet hem de herbergierster (letterl. schenkster) dit 
bier leveren voor de gangbare prijs. 

VIII. JUS TALIONIS 

§ 42 (. A, B). Indien iemand de neus van een ander af bijt of afsnijdt, moet 
hij één mina zilver betalen; voor een oog één mina; voor een tand een halve mina 
voor een oor een halve mina; voor een kaakslag zal hij tien sikkels zilver moeten 
betalen. 


35 ) De god T i s p a k was, zoals uit vele gegevens 
blijkt, de beschermgod van de stad en het land van 
Esjnunna. 

36 ) De uitdrukking i-wi-tam werd door Prof. 
Goetze terecht (hoewel met een vraagteken) ver¬ 
taald met c improper 3 . Nog beter ware c misdaad 3 , 
overeenkomstig het Hebreeuwse dwón. Deze aflei¬ 
ding heb ik te danken aan een mondelinge mede¬ 
deling van Prof. G. Dossin, naar aanleiding van 
zijn bezoek te Leiden als Belgisch ruilhoogleraar, 
20-24 Februari 1950. De stam is mp, waarin de 
betekenissen van de beide (op zich zelf verschillende) 
Arabische werkwoorden c buigen 3 en c af- 
dwalen 3 schijnen te zijn gecombineerd. Vgl. hierover 
Gesenius-Buhl, Handzvörterbuchj 16de ed., p. 569 v., 
en ook G. Dalman, Aramdisch-Neuhebrdisches 
Handwörterbuch, Frankfurt/Main 1901, p. 294. Hier¬ 
van afgeleid is het bekende Hebreeuwse woord pp 


c misdaad 3 , waarvan ons iwitum dus als het Akka- 
dische pendant moet worden beschouwd. Dit woord 
voor de c misdaad 3 , dat hier voor het eerst wordt aan¬ 
getroffen, verdient dus zijn plaats onder De Baby¬ 
lonische termini voor Zonde, die door Prof. A. van 
Selms (Pretoria) indertijd in zijn belangrijk proef¬ 
schrift (Wageningen 1933) werden verzameld en 
toegelicht. 

37 ) qablitu (bekend vooral als de uitdrukking voor 
de middelste nachtwaak) betekent volgens Goetze de 
c helft 3 , dus hetzelfde als muttatum (en als mala in 
de Nuzi-oorkonden). Vgl. (met von Soden) de brief 
Ungnad, VAB vi, n°. 208, r. 12 v.: qablit sanim 
lumalli, hetgeen dan wellicht betekent: c Ik wil de 
andere helft betalen 3 . 

38 ) Aldus ook Miles & Gurney, p. 186: „...the 
former owner has a right of redemption (pre- 
emption) ipa\ar..y. 

34 ) Zie p. 10(2. 















104 


ASSYRIOLOGIE 


§ 43 (A, B). Indien iemand de vinger van een ander afsnijdt, moet hij twee 
derde mina’s zilver betalen. 

§ 44 ( A, B). Indien iemand een ander in het donker 39) neerslaat 40 ), zodat die 
zijn pols breekt, dan moet hij een halve mina zilver betalen. 

§ 45 (A, B). Breekt hij zijn voet, dan moet hij (eveneens) een halve mina zilver 
betalen. 

§ 46 (A). Indien iemand een ander zijn oor 41 ) afslaat, moet hij een derde 
mina zilver betalen. 

§ 47 (A). Indien iemand een ander bespuwt 42 ) ; moet hij tien sikkels zilver 
betalen. 

§ 48 (A, B ). Bovendien zal men hem bij een rechtsgeding 4S ), waarbij het 
gaat om bedragen tussen een derde mina en één mina (zilver), vóór de rechtbank 
brengen, en als het een halszaak betreft, voor de koning. 


IX. SLAVEN EN SLAVINNEN 

§ 49 ( B ). Indien iemand met een aan de tempel gewijde slaaf of slavin wordt 
aangetroffen, dan moet de slaaf een andere slaaf en de slavin een andere slavin 
(bij de terugkeer naar de tempel) meebrengen 44 j. 

§ 50 ( A, B). Indien de commissaris of commandant der rivierpolitie 45 ) of 
welke gezaghebber dan ook een weggelopen slaaf of slavin of rund of ezel, die 
aan het hof of aan een ondergeschikte l2 ) toebehoren, aangetroffen en hem niet 
naar Esjnunna 46 ) overgebracht heeft, maar hem bij zich in huis houdt, dan zal 
het hof (eigenl. het paleis) hem, zodra hij één maand en zeven dagen voorbij heeft 
laten gaan 47 ), voor een dief verklaren (eigenl.: verklaren, dat gestolen goed bij hem is). 

§ 51 (A, B ). Een slaaf of een slavin uit Esjnunna, die een band, een boei of 
een slavenmerk 48 ) draagt, mag de stadspoorten van Esjnunna zonder toestemming 
van zijn meester niet verlaten. 


39 ) Hier moet vermoedelijk i-na ek-[li-tim ] c in 
het donker 3 worden aangevuld. Het betreft dus een 
onverhoedse aanranding bij nacht; vandaar de hoge 
boete. 

40 ) iskimma < iskipma. Men lette er op, dat de 
lipletters vóór -ma in deze teksten steeds worden ge¬ 
assimileerd ; tekst B biedt zelfs de genasaleerde vorm 
iskinma; het werkwoord is sakdpu. 

41 ) Lees: jja-[si-si]-su c zijn oor 0 ? Dit is, hoewel 
slechts één teken schijnt te ontbreken, waarschijn¬ 
lijker dan ha-[si]-su c zijn long 0 . 

42 ) Wij dachten aan: i-na [ru-’-\tim ...i-se-el 
(= iselli). Men zou ook aan i-na [ri-is-pa-]tim c bij 
een vechtpartij 0 kunnen denken; de tekst en ook de 
lezing van het werkwoord zijn in deze laatste regels 
der derde kolom van oorkonde A onzeker; vgl. von 
Soden, p. 372. Men lette bij deze sectie §§ 42-47 op 
het feit, dat in deze oudste Semietische wetten van 
echte wedervergelding ( talio ) in de zin van het oude 
c oog voor oog, tand voor tand... 0 geen sprake meer 
is. De schuldige kan in alle gevallen (behalve na¬ 
tuurlijk in geval van moord) met een geldboete vol¬ 
staan. Het standpunt van het zuivere jus taUonls is 


reeds overwonnen. Vgl. Miles & Gurney, p. 187: 
„... notice the absence of talio as a penalty in the 
Eshryunna Laws”. 

43 ) Wij vulden aan: a-na [ di-nim] . Wellicht beter 
(met Miles & Gurney) : ana daidne. 

44 ) D.w.z. (volgens von Soden) : „... der Dieb 
eines Sklaven muss ausser dem gestohlenen noch 
einen eigenen Sklaven abgeben”. 

45 ) De correctie sa-pirs ndrim c the River com- 
missioner 0 is aan Prof. Goetze zelf te danken. 

“) Zie p. 99. 

46 ) Dus naar de hoofdstad; want ook de Onder¬ 
geschikte 0 (vgl. noot 12) is ondergeschikt aan het 
hof (paleis) of aan de tempel in de hoofdstad 
Esjnunna. 

47 ) Lees (met von Soden, p. 372) : ü-se-te-eq in 
plaats van ü-se-li-ik. 

48 ) maskanum c Fessel°, zie Delïtzsch, Hand- 
wörterbuch, p. 727a;. volgens von Soden: „viel- 
leicht eine Beinfessel, um schnelles Laufen zu ver- 
hindern”. Over abuttum en abuttam sakdnum zie 
thans E. Szlechter in: Symbolae Hrozny 11 (Arch. 
Orientalm xvu, 1949), p. 402 vv. 


HET WETBOEK VAN BILALAMA 


105 


§ 52 (A, B). Een slaaf of een slavin, die onder de bewaking van een (buiten¬ 
lands) gezantschap de poort van Esjnunna is binnengekomen, zal van de band, 
de boei of het slavenmerk 48 ) moeten worden voorzien en zal ter beschikking van 
zijn meester blijven. 

X. DIEREN 

§ 53 (A, B). Als een rund een ander rund overhoop stoot, zodat het doodgaat, 
dan zullen de beide eigenaars van de runderen de koopprijs van het levende rund 
en de tegenwaarde van het dode rund onder elkaar mogen delen. 

§ 54 (A, B). Indien een rund stotig is en de eigenaar daarvan ondanks de 
waarschuwing van het wijkbestuur niet op zijn rund gelet heeft 49 ), zodat dit 
iemand overhoop stoot en deze er zijn leven bij inboet, dan zal de eigenaar van 
het rund twee derde mina’s zilver moeten betalen. 

§ 55 (A). Indien het echter een slaaf stoot, zodat deze er zijn leven bij inboet, 
dan zal hij (slechts) 15 sikkels zilver moeten betalen. 

§ 56 (A). Indien een hond woest (d.w.z. ongetemd) is en zijn eigenaar heeft 
hem ondanks de waarschuwing van het wijkbestuur niet bewaakt 50 ), zodat hij 
iemand bijt en deze er zijn leven bij inboet, dan zal de eigenaar van de hond een 
derde mina zilver moeten betalen. 

XI. VERDERE BEPALINGEN 

§ 58 ( A ). Indien een muur op instorten staat 51 ) en de eigenaar daarvan heeft 
deze zijn muur ondanks de waarschuwing van het wijkbestuur niet laten steunen, 
zodat de muur instort en de dood van een vrijgeborene daardoor veroorzaakt, dan 
is dit een misdrijf, dat met de dood kan worden gestraft en dat valt onder de 
jurisdictie (eigenl. de bepalingen) van de koning. 

§ 59 (^)- Indien iemand van zijn echtgenote, nadat hij (bij haar) kinderen 
had verwekt, wil scheiden, om. met een andere te trouwen, dan zal hij van zijn 
huis en van al zijn bezittingen afstand moeten doen (letterl.: dan zal hij uit zijn huis 
enz. uitgerukt worden), om de vrouw, die hij bemint 52 ), te kunnen volgen 53 ). 

§§ 60 en 61 zijn te fragmentarisch overgeleverd 54 ). 

Leiden, 12 Februari 1950. F. M. Th. de Liagre Böhl 


49 ) In plaats van pa-si-ir-ma ( c gekalmeerd is°) 
moet met von Soden ü-si-ir-ma worden gelezen; 
wellicht een intensief-vorm van asdru c letten op°? 
(von Soden dacht aan sur rum c doen neigen, be¬ 
nedenwaarts buigen 0 , nl. de kop van het rund). 

50 ) Von Soden leest in plaats van ts-ki-ip-ma 
( c neerslaat°, vgl. echter noot 40) : is-sü-ur-ma ^be¬ 
waakt 0 ). Is dit juist, dan kan de hond niet dol, maar 
slechts woest of ongetemd zijn (volgens Miles & 
Gurney c savage°, niet c mad°), want een dolle hond 
wordt niet bewaakt, maar afgemaakt. 

51 ) iqamma < iqdb-ma, vgl. noot 40. 

52 ) Volgens de aanvulling van von Soden : zva-ar- 
ki sa i-ra-a[m-m]u-si. Andere mogelijkheid: ...sa 
i-})u-uz-zu (of itajizu). 

Jaarbericht No. 11 


53 ) Dus wordt moedwillige echtscheiding bedreigd 
met het verlies van huis en inboedel. Men lette ook 
hier (evenals reeds bij § 31, vgl. noot 32) op het 
hoge zedelijke peil, dat hier is verondersteld of ge¬ 
postuleerd. Bekend is het feit, dat echtscheidings- 
oorkonden in de Oud-Babylonische periode buiten¬ 
gewoon zeldzaam zijn (zie M. Schorr, VAB v, p. 15, 
noot i; onder de oorkonden uit Larsa nog: Jean, 
TCL xi, n°. 246 ; Kültepe: Eisser & Lewy, MVAeG 
33, n°. 4). 

54 ) Deze beide laatste paragrafen, die bewaard zijn 
gebleven, schijnen te handelen over de bewaking van 
een huis; vgl. von Soden, p. 373. 


8 
























ARCHEOLOGIE VAN MESOPOTAMIË 

OVER DE TEMPELS XVI—VI TE ERIDU 

De Duitsche opgravingen in Warka (Uruk), uitgevoerd onder leiding van Jordan en 
Nöldeke (1929-1939), verschaften zooals bekend belangrijke gegevens voor de kennis van 
den praehistorischen tempelbouw in Beneden-Mesopotamië 1 ). De aan het licht gekomen tem¬ 
pels dateerden uit de tweede periode van den praehistorischen tijd (Uruk-periode). Weliswaar 
waren te Redau resten van woonhuizen uit de vroegste periode (Obeid-periode) aan het licht 
gekomen 2 ), maar Obeid-tempels bleven in Beneden-Mesopotamië onbekend. In Boven- 
Mesopotamië brachten Amerikaansche opgravingen onder leiding van Speiser in Tepe Gawra 
een tempel uit de Obeid-periode aan het licht (Gawra xvm-xix) 3 ), die als de oudste bekend 
geworden tempel van geheel Oud-Mesopotamië kon worden beschouwd 4 ). Belangrijke tempels 
waren ook in Gawra xiu bloot gelegd, die door den opgraver eveneens in de Obeid-periode 
werden gedateerd 5 ), maar zij vertoonden zulk een hoog ontwikkelde bouwkunst, dat deze 
dateering nauwelijks waarschijnlijk kon worden geacht. Inderdaad werd zij door Wachtsmuth, 
Christian en Lenzen op architectonische en ceramische gronden verworpen 5 ). Recente 
opgravingen (1947-1948) in Abu-Sahrein (Eridu), uitgevoerd voor den Oudheidkundigen 
Dienst van Iraq onder leiding van Fuad Safar en Lloyd, brachten echter verschillende 
vormen van een Obeid-tempel (en zelfs een vorm uit de Prae-Obeid-periode) aan het licht 7 ), 
die het bestaan eener ontwikkelde bouwkunst in dezen overouden tijd (4e mill.) buiten twijfel 
hebben gesteld. Daar deze tempelvormen belangrijke gegevens verschaffen voor het ontstaan 
van den Babylonischen en den Sumerisehen tempel, mag een korte bespreking in dit Jaar- 
bericht niet ontbreken. 


TEMPEL XVI 

Het oudste in Eridu aan het licht gekomen gebouw dat met zekerheid als een tempel 
mag worden beschouwd (in stratum xvi), dateert zooals reeds werd aangeduid uit de prae- 
Obeid-periode, die bij deze opgravingen voor het eerst in Beneden-Mesopotamië werd vast¬ 
gesteld 8 ). De tempel (Fig. 12, links onder), die zeer geringe afmetingen heeft (ca. 4 X 4m), 
bevat slechts één vertrek, hetwelk betreden wordt door den in den zuidoost-gevel gelegen, 
excentrisch geplaatsten, ingang. In den wand tegenover den ingang ligt een breede centrisch 
geplaatste erker, die met het oog op het hier aanwezige postament voor het cultus-object als 

*) Er ster (-Elf ter) vorldufiger Bericht Über die 
von der Notge?neinschaft der deutschen Wissenschaft 
in Uruk-Warka unternommenen Ausgrabungen. Ab- 
handlungen Ak. Berlin, Phil. Hist. KL (1929-1940) ; 
af gekort als UW VB (i-xi). 

2 ) UWVB ix, 1938, 35 vv. Bij deze opgraving 
werden ommuurde hoven, waarin één of meer hutten 
waren gelegen, vastgesteld. Het is niet uitgesloten, 
dat n°. 15 (ibid. f p. 36) een tempel is geweest; de 
omtrek herinnert aan de tempels viii-vi van Eridu. 

3 ) BASOR 72, 1938, 27. 

4 ) De uit de Halaf-periode dateerende tholoi in 
Arpachija worden door Mall'owan als heiligdommen 
opgevat (Prehistorie Assyria } 1933, 25 w.). Vgl. 

Albright, Fr om the Stone Age to Christianity, 

1946, 97 v. Deze bestemming staat echter niet vast; 
vgl. Moortgat, Die Entstehung der sumerisehen 
Hochkultur, AO 43, 1945, 27. 

5 ) BASOR 66, 1937 , 8. 

6 ) Wachtsmuth (AfO xin, 1939-41, 201), 

Christian (Altertumskunde des Zweistromlandes I, 


127) en Lenzen (UWVB x, 1939, 25 vv.) dateeren 
Gawra xni in de Uruk-periode. De tempels in Eridu 
stellen de door Speiser aangegeven dateering (Obeid- 
periode) wel buiten twijfel. 

7 ) De voorloopige rapporten over de opgravingen 
verschenen in Sumer in, 2, 1947, 84-111; iv, 2, 1948, 
115-125. Over de 3e campagne verscheen een verslag 
in Sumer v, 2, 1949 in het Arabisch; een vertaling 
hiervan mag zeer gewenscht worden genoemd. Het 
resultaat der ie campagne werd besproken door van 
Proosdij (JEOL 10, 1945-48, 549 v.). Zie ook ILN 
564L May 31, 1947, 581-583; 57 o 8 , Sept. n, 1948, 
303-305. 

8 ) Sumer iv, 2, 1948, 121. Tempel xvi is slechts 
door een dunne laag, waarin nog resten van gebou¬ 
wen voorkomen, van de oorspronkelijke bodem ge¬ 
scheiden (ibid. 1 22). Het aardewerk der prae-Obeid- 
periode wordt door de opgravers Eridu-waar ge¬ 
noemd. Het is vanaf de bodem tot en met xvi in ge¬ 
bruik geweest (124). 


OVER DE TEMPELS XVI-VI TE ERIDU 


IO7 




Fig. 12. Eridu, tempel XVI, Prae-Obeid-periode; XI-VTII, Obeid-periode (Sumer IV 2, 1948, PI. VI). 




































































ARCttiEÓLOGIË VAN MESOPOTAMIË 


ioS 

de cella mag worden opgevat. Een kleisteenen offertafel werd in het midden van het vertrek 
aangetroffen 9 ). 

De opbouw kan met groote waarschijnlijkheid worden gereconstrueerd. Met het oog op 
de zeer dunne muren (^2 steens) 10 ) moet het platte kleidak onwaarschijnlijk worden geacht. 
Men mag aannemen, dat de tempel evenals de in Hassuna aan het licht gekomen neolithische 
woonhuizen 11 ), met een zadeldak overdekt is geweest. De bedekking kan uiteraard slechts 
hebben bestaan uit riet, bies en palmbladeren 12 ). 

In tegenstelling met alle jongere tempels in Beneden-Mesopotamië, welker buitenmuren 
met muurverzwaringen, c.q. ribben en nissen zijn geleed, vertoont tempel xvi gladde, ongelede, 
muurvlakken. Voor het ontstaan der later algemeen gebruikelijke muurgeleding is dit van 
groote beteekenis. Bij de bespreking van tempel xi-ix zal hierop worden iteruggekomen. 

De geringe afmetingen van den tempel, de eenvoud van het plan, alsmede de primitieve 
dakbedekking, kunnen den indruk wekken, dat tempel xvi als een primaire tempelvorm 
moet worden beschouwd. Dit is niet het geval. De erkervormige uitbouw — de cella — wijst 
erop, dat een oudere vorm aan tempel xvi moet zijn voorafgegaan. Wellicht mag het in 
stratum xvn aan het licht gekomen gebouw (Fig. 12, midden onder), waarin de cella ontbreekt, 
als de primaire vorm van den tempel worden beschouwd 13 ). De cella kan zijn ontstaan uit 
het verlangen het cultus-object in een afzonderlijke ruimte onder te brengen. Hierbij kan 
echter tevens het verlangen het tempel-oppervlak te vergrooten werkzaam zijn geweest, waarbij 
uiteraard in het bijzonder aan vergrooting van de ruimte vóór het postament moet worden 
gedacht 14 ) Door verlenging van het dakvlak naar omlaag kon de cella op eenvoudige wijze 
worden overdekt. 

Wanneer tempel xvi wordt vergeleken met den Babylonischen tempel, waarvan ver¬ 
scheidene voorbeelden in Babylon, Ur, Uruk en andere plaatsen bekend zijn geworden 15 ), 
blijkt overeenkomst te bestaan in den vorm der cella (korte as-cella) alsmede in den stand 
van het tempelfront loodrecht op de cultus-richting (Fig. 14). Daar deze kenmerken ook in 
andere praehistorische tempels van Beneden-Mesopotamië voorkomen, die groote overeen¬ 
komst met den Babylonischen tempel vertoonen (tempel vu te Eridu; Kalksteenen tempel 
te Uruk), mag tempel xvi als een vorm (de oudste bekende) van den Babylonischen tempel 
worden beschouwd. 


TEMPEL XI-IX 

Het grondplan van den uit de Obeid-periode dateerende tempel xi en den eveneens uit 
deze periode dateerende tempel ix is slechts gedeeltelijk bewaard gebleven, maar de over¬ 
blijfselen zijn voldoende om den hoofdaanleg ervan vast te stellen 16 ). In tegenstelling met 
tempel xvi, die onmiddellijk op den beganen grond was gebouwd, stond de tempel in strata 


d ) ibid., p. 122. 

10 ) ibid., p. 121; de kleistenen hebben een langen 
prismatischen vorm. De muren zijn tot ca. 50 cm 
hoogte bewaard gebleven (122). Zij waren met klei 
bepleisterd (121). 

xl ) JINES iv, 4, 1945, 274 en Fig. 36; hiernaar: 
JEOL 10, 1945-48, p. 559 (van Proosdij). Toepas¬ 
sing van het platte dak is hier echter met het oog 
op de muurverzwaringen m.i. niet uitgesloten. 

12 ) De in Redau uit de Obeid-periode aan het licht 
gekomen hutten waren, volgens Lenz,en overdekt 
met een gewelf dak van palmbladnerven en riet 
(UWVB ix, 1938, 36). 

13 ) De in dit gebouw voorkomende c offertafeP 
(overeenkomend met die in xvi) wijst op een sacrale 
bestemming. 


14 ) Voor de differentieering van de ruimte is de 
erkerbouw, zooals Oflmann ( Haus und Hof im 
Altertum 1, 1927, 67) terecht heeft opgemerkt, een 
onvruchtbaar principe. In de Babylonische bouwkunst 
verdwijnt hij na Eridu xvi geheel. 

15 ) In recenten tijd kwamen Babylonische tempels 
aan het licht in Teil Harmal (Oost van Bagdad), 
dateerend uit het begin der iste dyn. van Babylon 
(Sumer 11, 2, 1946, 22-30; grondplan in Sumer in, 
1, 1947, Arabisch gedeelte). 

16 ) Sumer iv, 2, 1948, 119V. De tempels x en xi 
worden door de opgravers als een groep tegenover 
vi, vu en vin gesteld. Wanneer echter de ontwikke¬ 
ling van xi-vi wordt nagegaan bestaat hiervoor geen 
aanleiding. Stratum ix vertoont trouwens in verge¬ 
lijking met vin geen verandering in het aardewerk 
(ibid. 124). 


OVER DE TEMPELS XVI-VI TE ERIDU 


IOQ 

xi-ix op een laag platform 17 ). Het hoofdelement van het plan (Fig. 12, rechts beneden en 
boven) wordt gevormd door een rechthoekige ruimte (ca. 4.5 X 10 m; tempel ix), die in 
verband met het aanwezige postament (tempel ix) als de cella moet worden opgevat. Achter 
het postament, aan de zuidwest-zijde van den tempel, ligt een smalle ruimte die vermoedelijk 
als een bescherming van het meest sacrale deel van den tempel moet worden beschouwd. 
Ofschoon deze schikking overeenkomsit vertoont met de smalle gang achter de cella van 
den Babylonischen tempel (Fig. 14) moet een verband uitgesloten worden geacht 18 ). 

Aan het lange zuidoost-front is de smalle ruimte als een uitbouw kenbaar gemaakt. 
Tegen dit front liggen verder twee uitgebouwde vertrekken, waarvan het grootste, in verband 
met het aanwezige postament, als een kapel mag worden opgevat. Bij tempel xi zijn beide 
vertrekken architectonisch zelfstandige elementen, bij tempel ix heeft de kleinste uitbouw, 
door de vorming eener portiek aan de zuidzijde, het zelfstandige karakter verloren. Deze 
wijziging is van beteekenis voor het ontstaan van tempel vm die straks zal worden besproken. 

Tempel xi had vermoedelijk slechts één ingang en wel naar mag worden aangenomen 
in den korten noordoost-gevel; de cella van tempel ix kon bovendien door een ingang in de 
lange gevels worden betreden. Het noordwest-front dezer tempels is niet bewaard gebleven, 
doch met het oog op tempel vm mogen vermoedelijk ook aan deze zijde (in het bijzonder 
bij tempel ix) voorspringende vertrekken worden aangenomen. 

De vorm van het dak kan met zekerheid worden vastgesteld. Daar bij de toepassing van 
een zadeldak een houten post tot ondersteuning van den nokbalk was vereischt (het kapspant 
blijft uiteraard in dezen vroegen tijd buiten beschouwing) en aanwijzingen voor de toepassing 
ervan ontbreken, mag deze dakvorm uitgesloten worden geacht. De tempel moet met het 
platte kleidak overdekt zijn geweest 19 ). In verband met de dunne kleisteenen muren waren 
muurverzwaringen tot oplegging der balken van het platte dak geboden. Deze geleding, die 
zooals bekend later een decoratief karakter draagt 20 ), is derhalve uit constructieve over¬ 
wegingen ontstaan. Met een oorspronkelijken rietbouw heeft zij klaarblijkelijk niets te doen 21 ). 
Het ontbreken der muurgeleding bij tempel xvi kan aan de hand van tempel xi-ix worden 
verklaard: de lichte dakconstructie vereischte geen plaatselijke versterking der muren. 

Eenige overeenkomst tusschen tempel xi-ix met tempel xvi wordt bij de eerste be¬ 
schouwing niet waargenomen. De draad met het verleden schijnt te zijn verbroken. Hierop 
wijst oogenschijnlijk ook het nieuwe aardewerk (Obeid-waar), dat op verbindingen met Iran 


17 ) ibid., p. 120. Slechts aan de zuidoost-zijde kon 
de wand van het platform worden vastgesteld. Het 
platform van tempel xi werd aanvankelijk betreden 
over een smalle hellenden opgang, parallel met den 
wand; bij een vergrooting werd de hellende opgang 
door een trap vervangen. Bij de vergrooting van het 
terras (xi-x) werd een skelet van kleisteenmuren op¬ 
getrokken en de tusschenruimten opgevuld met zand 
en puin (ibid.). Met deze economische maar minder¬ 
waardige uitvoering zijn de dunne muren der tempels 
in overeenstemming. Klaarblijkelijk is kleisteen nog 
een kostbaar materiaal geweest. Uiteraard moet hier¬ 
bij tevens aan arbeids-besparing worden gedacht. 
Men kan hieruit afleiden, dat de economische wel¬ 
stand van den tempel nog gering is geweest. 

18 ) Over het ontstaan van den smallen gang achter 
de Babylonische cella zie Busink, Sum. en Baby¬ 
lonische Tempelbouw, 1940, 107. 

19 ) Seton Lloyd en Fuad Safar wijzen erop, dat 
de dunne muren der tempels xi-ix ongeschikt schij¬ 
nen tot ondersteuning der zware balken van het 
platte kleidak (o.c., p. 119). De toepassing ervan 
wordt echter klaarblijkelijk ook door hen niet be- 
twij f eld. 

20 ) Een decoratieve functie heeft deze geleding 


reeds in tempel vm, zie verderop. De muurgeleding 
is zoowel in Assyrië als in Babylonië algemeen ge¬ 
bruikelijk geweest. Dougherty heeft gewezen op het 
voortbestaan in den Parthischen en zelfs den Arabi- 
schen tijd en het decoratieve karakter in het licht 
gesteld (Survivals of Sumerian types of Architec¬ 
ture, AJA 1927, 153-159). 

21 ) Invloed van den riet-(bamboe)bouw op het ont¬ 
staan dezer geleding wordt aangenomen door Andrae 
(Das Gotteshaus und die Urformen des Bauens im 
alten Oriënt, 1930, 9) ; vgl. Heinrich, Schilf und 
Lehm, 1934, 27; Albright, Fr om the Stone Age to 
Christianity, '1946, 30 (in navolging van Andrae). 
Christian denkt aan invloed van een oorspronke¬ 
lijken houtbouw (WZKM 38, 1932, 278). Klaarblij¬ 
kelijk is de constructieve factor in den oertijd van 
het bouwen van grooter beteekenis geweest dan door 
Andrae wordt aangenomen. De opmerking van 
Andrae „das sich die Gestaltungen, die wir Bau- 
werke, Bildwerke aller Art nennen, inspirativer 
Natur und nicht aus dem Stoff allein kausal bedingt 
und nicht aus dem Willen des Menschen allein ent- 
sprungen sind” (Bauwerk als Geschichtsurkunde, 
Archiv Orientalni xvu, 1, 1949, 22) moet echter 
zeker juist worden geacht. 



















I IO 


ARCHEOLOGIE VAN MESOPOTAMIË 


wijst 22 ), terwijl decoratieve elementen der prae-Obeid ceramiek herinneren aan de ceramiek 
der Samarra- en Halaf-periode in het Noorden 23 ). Bij een nadere beschouwing van tempel 
xi-ix is echter wel zeker overeenkomst met tempel xvi waar te nemen, terwijl trouwens de 
jongere tempel vin duidelijk aantoont, dat de draad met het verleden niet verbroken is geweest. 

Reeds de toepassing van een tegen den wand geplaatst kleisteenen postament voor het 
cultus-object vormt een overeenkomst tusschen tempel xi-ix met den ouderen tempel xvi 24 ). 
Opvallend is verder, dat de voorspringende vertrekken aan het zuidoost-front niet organisch 
uit het plan zijn gegroeid. Hier kan overname van een ouderen vorm, die met de uitge¬ 
bouwde cella van tempel xvi in verband mag worden gebracht, waarschijnlijk worden geacht, 
een opvatting welke wordt versterkt door de bestemming van één dezer vertrekken als 
kapel. Een belangrijke overeenkomst is tenslotte, dat tempel xi-ix evenals tempel xvi in de 
cultus-richting wordt betreden, ofschoon door de ligging van den tempel in de breedte de 
hoofdingang in het lange zuidoost-front zou mogen worden verwacht 25 ). Daar het postament 
tegen den korten zuidwest-wand der cella was opgesteldi, vertoont tempel xi-ix het in 
Babylonië ongebruikelijke type der lange as-cella 26 ). Het ontstaan dezer cella uit den ouderen 
tempel xvi zou als volgt kunnen worden verklaard: Een belangrijke vergrooting van den 
tempel was met het oog op de overdekking slechts mogelijk in de richting van het dak. De 
ruimte vóór het postament, die in verband met den tempeldienst het meest voor vergrooting 
in aanmerking moet zij ngekomen, werd hierdoor niet vergroot. Slechts door verplaatsing 
van het postament tegen een korten wand kon deze vergrooting worden verkregen. Daar de 
richting waarin de tempel werd betreden samenviel met de cultus-richting moest de ingang 
worden verplaatst in den korten wand tegenover het postament. De korte as-cella was hier¬ 
door tot een lange as-cclla geworden 27 ). Deze hypothetische ontwikkeling wordt waarschijnlijk 
gemaakt door de jongere tempels vm en vu die met behoud van den hoofdaanleg wederom 
een korte as-cella bevatten. 

Behalve overeenkomst vertoont echter tempel xi-ix ook belangrijke verschillen met tempel 
xvi. De tempel staat niet onmiddellijk op den beganen grond, doch op een laag terras. Het 
zadeldak van tempel xvi is vervangen door het platte kleidak, dat niet in Beneden-Mesopotamië 
kan zijn ontstaan 28 ). De lange zuidoost-gevel, die evenwijdig loopt aan de cultus-richting, 
heeft architectonische beteekenis, zooals vooral blijkt uit tempel ix. De herkomst der nieuwe 
elementen kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Invloed van het Noorden (Gawra) kan 
niet waarschijnlijk worden geacht 29 ). Waarschijnlijk moet aan het optreden van een nieuw 


22 ) McCown, The cornparative statigraphy of 
early Iran (SAOC 23), 1942, 36 w. 

23 ) Surner iv, 2, 1948, 125. Technisch herinnert de 
Eridu-ceramiek echter nóch aan die der Samarra-, 
nóch aan die der Halaf-periode. 

24 ) ’ Een tegen den wand geplaatst postament is 
geenszins algemeen toegepast. In Tepe Gawra komt 
het nergens voor, zie BASOR 66, Fig. 2, p. 4 
(Gawra xiu); Speiser, Excavations at Tepe Gawra, 
1, 1935, PI. xii (Gawra ix-x) ; ibid., PI. xi (Gawra 
vm C). 

25 ) De groote beteekenis van het lange zuidoost- 
front mag in verband met den hier gelegen opgang 
wel buiten twijfel worden geacht; met het fragmen¬ 
tarisch karakter van het grondplan is de aanname 
eener breedte-ligging derhalve niet in strijd. 

26 ) Deze cella is zooals bekend kenmerkend voor 
den Assyrischen tempel (zie JEOL, 5, 1937-38, p. 
409 vv. en lit. aldaar). Het type komt ook voor in 
verschillende tempels van Gawra, waarschijnlijk 
reeds in xix (BASOR 72, 1938, 27). Of het type hier 
zelfstandig is ontstaan dan wel van elders werd ont¬ 
leend, kan nog niet worden vastgesteld. In Palestina 
komt de lange as-cella reeds voor in den neolithi- 


schen tijd (Jericho), zie Albright, The Archceology 
of Palestine, 1949, 62 v. Zie over de verschillende 
typen (korte as, lange as, geknikte as) de uitvoerige 
studie van Valentin Muller, Types of Mesopota- 
mian Hoases, JAOS 60, 1940, '151-180. M. neemt het 
totale uit de Oudheid bekende materiaal in beschou¬ 
wing. 

27 ) Deze ontwikkeling kan zich in Beneden-Meso¬ 
potamië zelfstandig hebben voltrokken. De verbrei¬ 
ding der verschillende typen behoeft geenszins uit¬ 
sluitend aan ontleening te worden toegeschreven, 
gelijk Valentin Muller ( l.c .) aanneemt. 

28 ) Over het ontstaan en de verbreiding van het 
platte dak zie Oelmann, Haas and Hof int Alter turn 
1, 1927, 58 vv. 

29 ) De oudste in Tepe Gawra aan het licht ge¬ 
komen tempel (Gawra xix) is waarschijnlijk jonger 
dan tempel xi-ix van Eridu. Een beslist oordeel is 
echter eerst mogelijk wanneer Excavations at Tepe 
Gavera it is verschenen. Terecht schreef Seton Lloyd 
naar aanleiding van de stagnatie in de verschijning: 
„In the absence of a more complete account of the 
result of these excavations, one cannot help but infer 
that mueli time and money was here expended by 


OVER DE TEMPELS XVI-VI TE ERIDU 


III 


volkselement worden gedacht. Daar de Sumerische tempel zich kenmerkt door de architec¬ 
tonische werking van het lange front evenwijdig aan de cultus-richting, wordt hier in de bouw¬ 
kunst misschien het eerste optreden der Sumeriërs waargenomen. Ook de plaatsing van den 
tempel op een terras zou hierop kunnen wijzen. 

TEMPEL VIII 

Het grondplan van 'tempel vm is slechts gedeeltelijk bewaard gebleven, doch de door 
de opgravers ontworpen reconstructie mag zeker in hoofdzaak juist worden geacht. De 
tempel bevat een rechthoekige middenruimte (ca. 5 X 15 m) die aan de lange zijden door 
een rij ondiepe vertrekken wordt geflankeerd (Fig. 12, links boven). Aan de korte zijden 
zijn deze vertrekken als resaliten kenbaar gemaakt, waardoor een breede en diepe nis is 
ontstaan. Een rij van twee vertrekken ligt aan de zuid-zijde, haaks op het lange zuidoost-front. 

Het postament voor het cultus-object staat tegen den korten zuidwest-wand der midden¬ 
ruimte in een door penanten afgescheiden allerheiligste waaraan het karakter eener korte 
as-cella moet worden toegekend. Een kleisteenen offertafel stond in het noordoosten van het 
Heilige nabij den dubbelen ingang die hier met het oog op de nog te bèspreken dubbele 
schijndeur (alsmede met het oog op tempel vu) mag worden aangenomen. De tempel kon 
verder betreden worden door een ingang in de lange gevels en in het voorspringende vertrek 
aan het lange zuidoost-front. 

Over den vorm van het dak kan geen twijfel bestaan; evenals bij tempel xi-ix moet het 
platte dak worden aangenomen. In verband met de betrekkelijk dikke muren heeft de pilaster- 
geleding uit tempel xi-ix haar constructief karakter verloren. Zij is tot een decoratieve 
muurgeleding geworden die hier echter nog niet, zooals bij tempel vu, het karakter eener 
ribben- en nissen-geleding draagt. 

Wanneer het grondplan wordt vergeleken met dat van tempel xi-ix blijkt het hieruit te 
zijn voortgekomen 30 ). De vertrekken aan de lange zijden moeten in verband worden gebracht 
met de uitgebouwde vertrekken tegen de lange gevels der oudere tempels. Het streven deze 
vertrekken vaster in het plan op te nemen kwam reeds in tempel ix tot uiting door de 
vorming eener portiek die het zelfstandige karakter aan het hier gelegen vertrek ontneemt. 
De ontwikkeling van tempel *xi tot vm toont derhalve het ontstaan van, het in den Oud- 
Babylonischen tempelbouw gebruikelijke planelement waarin een rechthoekige ruimte ( c.q . 
hof) aan twee zijden door een rij ondiepe vertrekken wordt geflankeerd 31 ). Daar in Gawra 
xix dit planschema eveneens voorkomt 32 ) zou aan invloed van het Noorden kunnen worden 
gedacht. Wanneer echter de zelfstandige ontwikkeling van tempel xi tot vm in aanmerking 
wordt genomen, alsmede de tegenstelling tusschen de ontwikkelde bouwkunst van Eridu en 
den eenvoudigen tempel in Gawra xix, kan veeleer invloed van het Zuiden op het Noorden 
worden aangenomen. 

De nis achter het postament vraagt nog een nadere beschouwing. Verdere bijzonderheden 
van tempel vm kunnen bij tempel vu, die groote overeenkomst met vm vertoont maar die 
beter bewaard is gebleven, worden besproken. 

Het postament van tempel xi-ix was door een gangaohtige ruimte geheel aan de buiten¬ 
wereld ontrukt. Bij tempel xvi was de ruimte voor het cultus-object uitwendig zichtbaar. 


the American Schools practically in vain” (Surner 

iv, 1, 1948, 42-43). Van tempel xix werd zelfs het 
grondplan nimmer gepubliceerd; slechts een foto is 
bekend geworden, zie Delougaz- Seton Lloyd, Pre- 
Sargonid Temples in the Diyala Region (OIP 58), 
1942, Fig. 211, p. 307. De foto is opgenomen in een 
belangwekkende slotbeschouwing van Frankfort 
over de ontwikkeling van den tempelbouw (p. 304 

v. v). 

30 ) De opgravers spreken van een c notable archi- 
tectural change 3 bij tempel ix in vergelijking met de 


tempels vi-vm (Surner iv, 2, 1948, 119). De her¬ 
komst van tempel vm uit tempel lx kan echter niet 
betwijfeld worden. Zie ook aant. 16. 

31 ) In Sum. en Babylonische Tempelbouw, '1940, 
31 werd dit plan aan geduid als c planelement van 
Uruk 3 . Het oudste voorbeeld in Beneden-Mesopo¬ 
tamië werd destijds gevormd door den Kalksteenen 
tempel te Uruk (Uruk-periode). De benaming moet 
uiteraard thans worden prijsgegeven. 

32 ) BASOR 72, 1938, 27; zie ook aant. 29. 







I 12 


ARCHEOLOGIE VAN MESOPOTAMIE 


De nis achter het postament van tempel vin is klaarblijkelijk uit bedoelde gangachtige 
ruimte ontstaan.. Zij is vermoedelijk voortgekomen uit het verlangen het contact tusschen 
de buitenwereld en het cultus-object te herstellen. Deze opvatting wordt versterkt door de 
geleding der nis die twee schijndeuren vertoont 33 ). Men mag aannemen, dat door de schijn¬ 
deuren contact met het goddelijke werd gezocht 34 ). 

TEMPEL VII 

Daar tempel vu (Fig. 13) zooals werd aangegeven groote overeenkomst met vin ver¬ 
toont behoeft hij niet volledig te worden beschreven. Hij bevat evenals vin een korte as-cella 
die hier echter door de grootere diepte duidelijker tot uiting komt. De breede en diepe nis 
achter de cella van tempel vin is prijsgegeven, doch de herinnering eraan leeft voort in de 
resaliten van den zuidwest-gevel. Het platform vóór den zuidoost-gevel van tempel vin is 
bij vii verkleind tot een onderbouw die een trap naar den ingang noodzakelijk maakte. 



Fig. 13. Eridu, tempel VII, Obeid-periode (ILN 5641, May 31, 1947, p. 581). 


Evenals tempel vin moet ook vn geheel overdekt zijn geweest (plat dak). Hiervoor 
getuigen de ingangen die, blijkens de breede openingen in de binnenmuren, mede tot ver¬ 
lichting moeten hebben gediend 35 ). De muurgeleding, die bij tempel vin nog het karakter 
eener pilastergeleding draagt, is bij vn tot een ribben- en nissen-geleding geworden. Ofschoon 
de lisenen-geleding van den Babylonischen tempel uit de oude ribben- en nissen-geleding 
is voortgekomen loopen de karakters toch uiteen. De lisenen-geleding werkt als een omsluiting 
van het gebouw, de nissen der oude geleding daarentegen schijnen de wanden te doorboren. 
Opvallend is in dit verband het prijsgeven der schijndeuren welke in tempel vin voorkwamen. 
Wellicht moeten de nissen als een substituut voor de schijndeuren worden opgevat 36 ). 


33 ) Sumer iv, 2, 1948, 119. 

34 ) Hierop wijzen de sporen van vischoffers die 
in de nissen voor de schijndeuren zijn gevonden 
( ibid .). 

36 ) De groote breedte van den ingang naar de cella 
moet eveneens met de verlichting in verband worden 
gebracht. Eerst na het ontstaan van den binnenhof 
(oudste voorbeeld: Kalksteenen tempel te Uruk), 


waardoor de cella direct werd verlicht, kreeg de 
ingang naar de cella een normale breedte. 

36 ) Als parallel moge gewezen worden op de 
nissen in den bovenbouw der graven van het Negade- 
type in Egypte die als schijndeuren worden opge¬ 
vat, zie Scharff, Das Grab als Wohnhaus in der 
dgyptischen Frühzeit , SBBA, Phil. hist. KL 1944/46, 
Heft 6, 1947/29. 


OVER DE TEMPELS XVI-VI TE ERIDU 


113 


Het hoofdelement van het plan — de midden vleugel — wordt gevormd door drie achter 
elkaar gelegen ruimten, een schikking welke herinnert aan het plan van den veel iateren 
tempel van Salomo (Elam, Hekal, Debir) 37 ). Daar tempel xvi een korte as-cella bevatte kan 
de vorming van het allerheiligste in tempel vu, waarin een korte as-cella moet worden gezien, 
als een terugkeer tot den ouden cella-vorm worden opgevat, waarbij herinnerd moge worden 
aan de ontwikkeling welke boven hypothetisch werd opgesteld: door de verplaatsing van 
het postament tegen een korten wand der langgestrekte cella was de korte as-cella verloren 
gegaan. Door afscheiding van een allerheiligste in de langgestrekte cella kon dit karakter 
worden hersteld. 

Het ontstaan van den voorhal in tempel vui-vii kan wellicht met de in deze omgeving 
geplaatste offertafel in verband worden gebracht. Daar de offertafel nabij den dubbelen 
ingang was geplaatst mag het waarschijnlijk worden geacht, dat op dit altaar door profanen 
werd geofferd. De voorhal kan derhalve de voor profanen bestemde ruimte zijn geweest 38 ). 
De dubbele ingang moet vermoedelijk worden verklaard uit het streven naar een symmetrische 
werking van den noordoost-gevel 39 ). Men mag aannemen, dat in verband met de in de as 
geplaatste offertafel de ingang niet in het midden werd aangebracht. 

Bij een nadere beschouwing van het grondplan blijkt, dat rondom een centrale ruimte 
vier ruimten zijn gegroepeerd: voorhal, cella en de beide ingangshallen aan de lange gevels. 
Daar de ruimten door breede openingen zijn verbonden wordt een streven naar ruimtewerking 
waargenomen dat uniek in de bouwkunst van Beneden-Mesopotamië moet worden genoemd 40 ). 
Men zou, indien deze aanduiding geoorloofd is, tempel vu de kathedraal van Eridu kunnen 
noemen. 

Ofschoon tempel vu als architectonische schepping op één lijn mag worden gesteld met 
de rijk ontwikkelde tempels van Gawra xni 41 ), toont het grondplan van den Noordtempel te 
Gawra toch een grootere eenheid. De samenstellende elementen zijn vaster in het totale plan 
opgenomen. Het interieur vertoont bovendien, in tegenstelling met de gladde wanden van 
tempel vn, een samengestelde wandgeleding. Op architectonische gronden mag dan ook worden 
aangenomen, dat de tempels van Gawra xiu jonger zijn dan tempel vu van Eridu. Inderdaad 
wordt Gawra xiu door Speiser aan het einde der Obeid-periode geplaatst 42 ), terwijl tempel 
vu te Eridu met het oog op de eveneens uit de Obeid-periode dateerenden tempel vi in de volle 
ontwikkeling dezer periode moet worden gedateerd. Het mag derhalve waarschijnlijk worden 
geacht, dat in den praehistorischen tijd de ontwikkeling eener hoogere bouwkunst in Oud- 
Mesopotamië van het Zuiden is uitgegaan 43 ). 

Wanneer het grondplan van tempel vu wordt vergeleken met dat van den Babylonischen 


37 ) I Kon. 6, 2 w.; vgl. Benzinger, Hebrdische 
Archdologie , 1927, Abb. 220, p. 215; Moh^enbrink, 
Der Tempel Salomos, 1932, p. 30. 

38 ) Dat ook het Heilige door profanen betreden 
mocht worden mag echter wel waarschijnlijk worden 
geacht. Indien het een hoog sacraal karakter had 
gehad zou hieruit wel nimmer een binnenhof zijn ont¬ 
staan. 

39 ) Het streven naar een regelmatige verdeeling 
van het gevelvlak komt b.v. ook tot uiting in den 
Kalksteenen tempel te Uruk (Uruk-periode) : toe¬ 
passing van blinde ingangen (UWVB vi Taf. 7). 

40 ) Over de vorming der architectonische ruimte 
als ruimte-blok en ruimte-massa zie Busink, Pro- 
thuron, 1936, 46. Tempel vu verraadt een streven 
naar ruimte-massa. Het zou belangwekkend zijn na 
te gaan of het streven naar ruimtevorming in de 
bouwkunst van Beneden-Mesopotamië wellicht door 
Sumerischen invloed werd tegengewerkt. De vraag 
kan hier niet uitvoerig worden belicht. In de Oud¬ 
en Nieuw-Sumerische periode wordt in den tempel¬ 


bouw geen streven naar ruimte-vorming waarge¬ 
nomen. Daarentegen komt dit streven wederom tot 
uiting in den binnenhof van de tempels der Oud- en 
Nieuw-Babylonische periode: Teil Harmal ( Sumer 
ui, 1, 1947, Arab. gedeelte), Oud-Babylonisch; Esa- 
gila, Babylon (59. WVDOG, Taf. 2), Nieuw-Baby- 
lonisch. Zie ook aant. 45. 

41 ) BASOR 66, 1937, 2 vv. Een nauwkeurige ver¬ 
gelijking is eerst mogelijk wanneer Excavations at 
Tepe Gawra 11 is verschenen; zie aant. 29. 

42 ) BASOR 58, 1935, 5. Deze dateering wordt 
versterkt door een incense-burner met driehoekige 
openingen uit de Oost-shrine van Gawra xiu; een 
overeenkomstig object werd gevonden in tempel vi 
van Eridu (Sutner Hl, 2, 1947, 93, noot 11). 

43 ) Voor de verhouding Noord-Zuid inzake de 
ontwikkeling der bouwkunst is van beteekenis dat 
kleisteen in Eridu reeds in de prae-Obeid-periode 
werd toegepast ( Sumer iv, 2, 1948, 121), terwijl hij 
in Hassuna eerst in de Obeid-periode verschijnt 
(JNE$ iv, 1945, 276). 





























ARCHEOLOGIE VAN MESOPOTAMIË 


II4 

tempel (Fig. 14) blijkt groote overeenkomst hiermede te bestaan. De korte as-cella, de centrale 
ruimte geflankeerd door een rij ondiepe vertrekken en den ingangshal hebben zij gemeen. 
In den Babylonischen tempel is de centrale ruimte tot een binnenhof geworden, doch deze 
wijziging wordt reeds waargenomen in de praehistorische tempels van Uruk 44 ). Het mag 
buiten twijfel worden geacht, dat het probleem der overdekking het binnenhof deed ont¬ 
staan 45 ). Een principieel verschil tusschen tempel vu van Eridu en den Babylonischen 
tempel kan niet worden waargenomen. Tempel vu mag derhalve in de ontwikkeling van den 



Fig. 14. Ninmach-tempel te Babylon, Nieuw-Bab. periode (naar Koldewey, 

Wieder erst. Babylon, 1925, Abb. 38). 

Babylonischen tempel worden geplaatst. Deze ontwikkeling, die in de prae-Obeid-periode 
aanvangt, is echter niet ongestoord gebleven. Reeds in de praehistorische periode wordt zij 
doorkruist door de ontwikkeling van het tempeltype met de geknikte as-cella, waarvan tempel 
vi te Eridu het oudste voorbeeld toont. 

44 ) De meening van Wachtsmuth (AfO xii, 

1938, 124), dat de hof van de praehistorische tem¬ 
pels van Uruk uit een vertrek is ontstaan (vgl. 

Busink, Tempelbouw in Oud-Capadocië, JEOL 6, 

1939, 218) wordt door tempel vn van Eridu bevestigd. 

45 ) Toepassing van kolommen zou uiteraard een 
overdekking van den binnenhof mogelijk hebben ge¬ 
maakt. Dat de kolom in Beneden-Mesopotamië be¬ 
kend is geweest staat vast. Zij komt reeds voor in het 
Sumerische paleis van Kis (Langdon, Ausgra- 
biingen in Babylonien, AO 26, 1928, Abb. 9, p. 61). 

Uit Tello (Lagas) is sedert lang bekend de bundel- 
zuil uit den tijd van Gudea (Parrot, Tello , 1948, 


156 v. en Fig. 34 t.o.p. 156). Technisch zouden de 
Babylonische bouwmeesters zeker in staat zijn ge¬ 
weest den binnenhof in een overdekte (basilicaal ver¬ 
hoogde) kolommenhal te herscheppen. De ruimte¬ 
werking zou hierdoor echter verloren zijn gegaan. 
Klaarblijkelijk is de aesthetische behoefte aan de 
architectonische ruimte in Beneden-Mesopotamië 
grooter geweest dan gewoonlijk wordt aangenomen. 
Slechts door toepassing van het gewelf had een 
groote overdekte vrije ruimte gevormd kunnen wor¬ 
den. Tot deze ontwikkeling is de gewelf bouw in 
Oud-Mesopotamië niet gekomen, 


OVER DE TEMPELS XVI-VI TE ERIDU 


I 15 


TEMPEL VI 

Het grondplan van den ook nog uit de Obeid-periode dateerenden tempel vi (ca. 
12 X 23 m) toont een rechthoekige middenruimte (ca. 4 X 20 m), die aan de lange zijden door 
een rij ondiepe vertrekken wordt geflankeerd (Fig. 15) 46 ). De aan de uiteinden gelegen 
vertrekken zijn aan alle gevels als hoekresalieten kenbaar gemaakt. In de hoofdruimte is aan 
de korte zuidwest-zijde een Allerheiligste 0 afgescheiden dat echter in verband met de slechts 
zwak voorspringende penanten niet als een zelfstandige ruimte kan worden beschouwd. De 
in het noordoosten gelegen ruimte heeft door de betrekkelijk breede penanten het zelfstandige 
karakter, bekend uit tempel vu, behouden. In deze omgeving stond evenals in tempel ix-viii 
een kleisteenen offertafel. De dubbele ingang in den korten noordoost-gevel is prijsgegeven 
en vervangen door twee nissen, waaraan vermoedelijk een cultische bestemming moet worden 
toegekend 47 ). De ingang van den tempel ligt in het lange zuidoost-front. 



Fig. 15. Eridu, tempel VI, Obeid-periode ( Sumer III 2, 1947, Fig. 2). 


Evenals de oudere tempels ix-vn stond tempel vi op een terras dat ca. 2 meter hoog schijnt 
te zijn geweest. De trap, die niet bewaard is gebleven, voerde vermoedelijk rechtstreeks tot 
den tempelingang. In de buitenarchitectuur vertoonde de tempel de uit vu bekende ribben¬ 
en nissen-geleding, terwijl in het interieur de aanvang eener wandgeleding wordt waarge¬ 
nomen 48 ). Daar de tempel vermoedelijk slechts één ingang heeft gehad, die uiteraard voor de 
verlichting onvoldoende moet zijn geweest, zou aan een basilicale opbouw kunnen worden 


gedacht 49 ), maar de verlichting kan evenzeer 
zijn gekomen. 

46 ) Sumer in, 2, 1947, 103 vv. Hiernaar: JEOL 
10, 1945-48, p. 549 vv. (van Proosdij). 

47 ) Waarschijnlijk moeten de nissen met den dub¬ 
belen ingang van tempel vn in verband worden ge¬ 
bracht. Wellicht mag aan de nissen en de in deze 
omgeving staande offertafel een publiek karakter 
worden toegekend. — Fuad Safar wijst erop, dat 
de nissen ook voorkomen in den Painted Temple van 
Uqair en in den Witten tempel van Uruk ( Sumer 
ur, 2, ‘1947, 104). Zij komen verder voor in tempel 
C van Uruk (UWVB vu, Taf. 2) en in verschil¬ 
lende vormen van den Sin-tempel te Chafadje 
(DELOUGAZ-Seton Lloyd, Prehistorie Temples, OIP 
58, '1942, PI. 2 B-Pl. 8). Daar genoemde tempels ook 
overigens onderling groote verwantschap vertoonen, 
kan de toepassing der nissen niet opvallend worden 


door hooggeplaatste muuropeningen tot stand 

genoemd. Opmerkelijk is echter, dat zij eveneens 
voorkomen in den Noord-tempel van Gawra vin C 
(Uruk-periode), zie Speiser, Tepe Gawra 1, 1935, 
28-29 en PI. xi. Klaarblijkelijk moet hier wederom 
invloed van het Zuiden op het Noorden worden aan¬ 
genomen. 

48 ) In Beneden-Mesopotamië vertoont het interieur 
der tempels eerst in de Uruk-periode een ontwikkelde 
wandgeleding (Kalksteenen tempel, UWVB vi, Taf. 
7; Tempel C, UWVB vn, Taf. 2; Witte Tempel, 
UWVB ui. Taf. 8). In Gawra daarentegen reeds in 
de Obeid-periode (BASOR 66, 1937, Fig. 3, p. 5). 
Waarschijnlijk mag hier aan invloed van het Noor¬ 
den op het Zuiden worden gedacht. 

49 ) Vgl. de maquette van den tempel te Uqair 
(JNES 11, 1943, Pi. xiv; JEOL 10, Fig. 81, p. 54Ó), 































































ARCHEOLOGIE VAN MESOPOTAMIË 


I 16 


De overeenkomst van het plan met dat der oudere tempels (vm-vii) valt onmiddellijk op. 
Een nadere aanduiding hiervan mag overbodig geacht worden. Tempel vi, hieraan kan niet 
worden getwijfeld, is uit vu voortgekomen. Het cultische karakter is echter, zooals reeds werd 
aangeduid, gewijzigd. Daar het allerheiligste met de middenruimte is samengetrokken, is de 
korte as-cella verloren gegaan. De tempel is tot het type geknikte cultus-as geworden. Klaar¬ 
blijkelijk moeten de penanten in de omgeving van het postament als een survival worden aan¬ 
gemerkt. In de latere ontwikkeling van dit tempeltype, bekend uit Uruk, Uquair en andere 
plaatsen, zijn de penanten dan ook prijsgegeven 50 ). 

Behalve het cultische is ook het architectonische karakter van tempel vi in vergelijking 
met vu gewijzigd. De tempel heeft slechts één architectonisch front, nl. den langen zuidoost- 
gevel evenwijdig aan de cultus-richting. De korte noordoost-gevel, bij tempel vu architecto¬ 
nisch van beteekenis, is onbelangrijk geworden. Het plan vertoont hierdoor een hybridisch 
karakter dat slechts kan worden verklaard uit den ouderen tempel vu. De vleugels ondiepe 
vertrekken die de middenruimte flankeeren, waren ontstaan uit de architectonische beteekenis 
van het korte noordoost-front, dat zélf zijn beteekenis ontleende aan den stand loodrecht op 
de cultus-richting. De lange as van het grondplan, samenvallend met de cultus-as, heeft m.a.w. 
den vorm van het grondplan der oudere tempels bepaald, althans beïnvloed. Een axiaal plan 
was hieruit voortgekomen. Ook tempel vi vertoont dezen axialen aanleg, ofschoon toch de as 
zélf architectonisch onbelangrijk is geworden. Het is dan ook verklaarbaar, dat in de latere 
ontwikkeling van dit tempeltype, bekend o.a. uit Assur, Chafadje en Teil Asmar, het axiale 
karakter verdwijnt, dat m.a.w. één of beide vleugels ondiepe vertrekken worden prijsge¬ 
geven 51 ). 

Het open karakter van tempel vu, tot uiting komend in de talrijke ingangen, mist tempel 
vi geheel. Hij is tot een alzijdig gesloten heiligdom geworden, waarin het beeld of embleem der 
godheid verborgen is opgesteld. Opmerkelijk is in dit verband de verlenging der cella in ver¬ 
gelijking met vul. Klaarblijkelijk werd met de verlenging beoogd het cultus-object zoover 
mogelijk van den ingang verwijderd te plaatsen. Men moet aannemen, dat het nieuwe cultische 
en architectonische karakter uit een nieuwe religieuze verhouding is voortgekomen. Dat hierbij 
aan een zelfstandige ontwikkeling van den inheemschen godsdienst mag worden gedacht is 
niet waarschijnlijk. Wanneer in aanmerking wordt genomen, dat de geknikte as-cella in de 
Oud-Sumerische periode, waarin de Sumeriërs politiek en cultureel de leiding hebben gehad, 
van groote beteekenis is geweest, ligt het voor de hand de geknikte as-cella, gelijk elders werd 
aangegeven 52 ), als de Sumerische tempel te beschouwen. Bedoelde nieuwe religieuze verhou¬ 
ding zal derhalve aan Sumerischen invloed mogen worden toegeschreven. 

Tempel vi toont zooals reeds werd aangegeven de oudste vorm eener geknikte as-cella 
in Beneden-Mesopotamië. Uit den praehistorischen tijd was het type reeds bekend in Uruk 
(Witte tempel; Uruk-periode) en Uqair ( Painted Temple; laatste deel der Uruk-periode of 
aanvang der Djemdet Nasr-periode). Ook de oudste vorm van den Sin-tempel te Chafadje 
dateert uit den praehistorischen tijd. De beste voorbeelden uit de Oud-Sumerische periode zijn 
aan het licht gekomen te Chafadje, Teil Asmar en Teil Agrab. Uit de Akkadische periode 
werd dit tempeltype gevonden in de Akkadische laag van Nuzi (Gasur) 53 ). Verschillende 
tempels der N'ieuw-Sumerische periode bevatten eveneens de geknikte as-cella 54 ). In de 


50 ) Witte Tempel Uruk (UWVB m, Taf. 8; 
JEOL io, 1945-48, Fig. 86, p. 549). Painted Temple 
Uqair (JEOL 9 ,1944, Fig. 25, p. 192). Sin-tempel 
Chafadje (DELouGAZ-Seton Lloyd, o.c., PI. 2 vv.). 
Abu-tempel Teil Asmar {ibid., PI. 19 B vv.). 

51 ) Eén vleugel prijsgegeven: Istar H-G, Assur, 
Oud-Sumerisch (Andrae, Die archaischen Ischtar- 
tempel in Assur, 39. WVDOG, 1922, Taf. 2-3). Sin¬ 
tempel vi (nieuwe telling) Chafadje, Oud-Sum. 1 
(DEL s ouGAz-Seton Lloyd, o.c., PI. 6). Abu-tempel, 
Archaic 1, Teil Asmar, Oud-Sum. 1 {ibid., PI. '19 B). 

Beide vleugels prijsgegeven: Nintu-tempel vi, 


Chafadje, Oud-Sum. 11 {ibid., PI. 16). Abu-tempel, 
Square temple, Teil Asmar Oud-Sum. 11, ( ibid., PI. 
22). Abu-tempel, Single Shrine temple, Teil Asmar, 
Oud. Sum. in {ibid., PI. 23 A). 

52 ) Sumerische en Babylonische Tempelbouw, 
1940, 20 vv. Ofschoon deze opvatting geen instem¬ 
ming heeft gevonden (zie Frankfort in Delouga^- 
Seton Lloyd, o.c., 306 n. 17; Ravn BiOr 6, 1949, 
108) kan zij m.i. niet als weerlegd worden beschouwd. 

53 ) Starr, Nuzi 11, Plan n°. 6 en 1, p. 41. 

54 ) Sumerische en Babylonische Tempelbouw, 
1940, 66 vv, Lagasj, Ur, etc. 


OVER DE TEMPELS XVI-VI TE ERIDU 


II 7 


Akkadische periode verschijnt echter in den Abu-tempel van Teil Asmar wederom de korte 
as-cella 55 ). Recente opgravingen brachten een voorbeeld hiervan uit de Isin-Larsa periode 
aan het licht in DhibaH (Diyala gebied) 56 ). In welhaast klassieken vorm treedt vervolgens de 
korte as-cella op in de tempels van Tell-Harmal, die uit den aanvang der Oud-Babylonische 
periode dateeren 57 ). De tempels der Nieuw-Babylonische periode vertoonen zooals bekend 
allen dit cella type. 

Men kan niet gelooven, dat de korte as-cella na het ontstaan van tempel vi te Eridu 
tijdelijk geheel in onbruik was geraakt. De praehistorisehe tempels van Uruk (de Witte tempel 
uitgezonderd) moeten trouwens zonder twijfel tot dit type worden gerekend 58 ). Wellicht zal 
het voortbestaan der korte as-cella in de Oud-Sumerische periode door latere opgravingen 
worden vastgesteld. 

De groote beteekenis der in Eridu aan het licht gekomen tempels moge uit bovenstaande 
bespreking duidelijk zijn geworden. Uit deze tempels blijkt: 1) dat de Babylonische cella (korte 
as-cella) als het inheemsche type van Beneden-Mesopotamië moet worden beschouwd; 2) dat 
de Sumerische cella (geknikte as-cella) uit het inheemsche type is voortgekomen 59 ). 

Den Haag, December 1949 Th. A. Busink 


LES FOUILLES DE BAGHOUZ 

Le Comte du Mesnil du Buisson, Baghouz, L’ancienne Corsöte, Le Teil 
archaïque et la Nécropole de Page du bronze. Leiden, Brill, 1948. 

Baghouz est un endroit situé en Syrië sur le Moyen Euphrate, non loin de la frondere 
iraquienne. Les fouilles de M. du Mesnil du Buisson y ont été exécutées entre 1934 et 
1936. Le sous-titre de Touvrage fait voir qu’elles avaient un doublé objet. 

Le teil archaïque, haut de 2m seulement, et uniquement reconnaissable a l’amoncelle- 
ment de fragments de poterie et de débris de silex, occupait la place d’un village du quatrième 
millénaire. Sa faible élévation témoigne de la durée éphémère de l’établissement. Le décor 
des vases peints, qui ne trahit aucune sorte d’évolution, constitue une autre preuve a eet 
égard. La céramique peinte égale en intérêt celle d’autres tells déja connus. Le type le plus 
fréquent est celui de la cuvette, parfois munie d’un pied assez haut. Le répertoire des thèmes 
du décor (qui varie toujours d’endroit a endroit) rappelle le plus celui de Samarra: la face 
intérieure des cuvettes est souvent ornée d’hélices oü paraissent des oiseaux, des boucs et 
notamment des têtes de boucs. Si la restauration de 1’un de ces décors est juste, on rencontre 


55 ) DELouGAZ-Seton Lloyd, o.c., p. 200 v. en 
PI. 23. C. 

56 ) Sumer v, 2, 1949, 173-T86 en Fig. 4 t.o.p. 186. 

57 ) Sumer 11, 2, 1946, 22 vv. Het grondplan in 
Sumer in, 1, 1947 (Arabisch gedeelte). 

58 ) Lenzen wijst erop, dat de Uruk-tempels wor¬ 
den betreden loodrecht op de cultus-richting door 
ingangen in de lange gevels. Hij meent, dat indien 
men betrekkingen tusschen deze tempels en die der 
Herdhaus tempels (geknikte as-cella) wenscht aan 
te nemen, zij zich toch van alle anderen in dezen 
groep duidelijk onderscheiden (UWVB x, 1939, 26). 
— Door de nadruk te leggen op den ingang van den 
tempel kan verwarring ontstaan. Niet de ingang van 
den tempel, doch die der cella en de plaats van het 
postament voor het cultus-object bepalen het type. 
In de tempels van Uruk (Kalksteenen tempel en 
tempel C) kan geen vertrek worden aangewezen dat 
als een geknikte as-cella zou mogen worden opge¬ 
vat. De vertrekken die voor een cella in aanmerking 


komen toonen daarentegen de korte as: in de Kalk¬ 
steenen tempel (UWVB vi, Taf. 7) het zuidwest ge¬ 
legen vertrek; in tempel C (UWVB vu, Taf. 2) ver¬ 
trek n°. 250 en 252. 

r, °) Ravn, die een uitvoerige en grondige recensie 
schreef over Busink, Sumerische en Babylonische 
Tempelbouw, 1940 (BiOr 6, 1949, 104-108), kwam tot 
een tegengestelde conclusie: „The view that the bent 
axis was introduced later by Sumerian immigrants 
into an earlier indigenous plan seems now precluded 
...” (108). Hierbij moet echter in aanmerking worden 
genomen, dat het resultaat der 2e campagne van de 
opgravingen in Eridu in October 1948 (datum der 
recensie) nog niet algemeen bekend is geweest. Nu 
de ontwikkeling van tempel xvi tot vi kan worden 
nagegaan kan m.i. de reeds in Sumerische en Baby¬ 
lonische Tempelbouw bekend gemaakte opvatting 
(vervat in bovenvermelde conclusie 2) niet meer be¬ 
twijfeld worden. 



( 










_ 























118 


ARCHEOLOGIE VAN MESOPOTAMIË 



Fig. 16. Baghouz , Planche XXVII. 


Les föüillës de baghouz 


119 

a Baghouz les mêmes volatiles cornus qui se voient sur la poterie peinte de Persépolis et 
d’Harappa. Manquent ici, par contre, les rangées ailleurs populaires de boucs ou d’oiseaux; 
les rondes de danseuses que Fauteur reconnaït dans un décor géométrique semblent assez 
problématiques. 

L’auteur s’est essayé a donner une interprétation des sujets du décor des vases peints. 
Je crains fort qu’elle naille au dela de ce qui est justifiable. II est indémontrable que les 
rondes de danseuses cherchent a provoquer la pluie: on a dansé tout aussi bien pour ranimer 
la force défaillante du soleil ou pour lui rappeler ses devoirs. Et Tailleurs, toute danse avait- 
elle un but utilitaire? On pouvait aussi danser pour rendre honneur a une divinité donnée. 

L’ornement le plus caractéristique de la céramique de Baghouz, ce sont les boucs (plus 
rarement les oiseaux) tournant en cercle (pl. *xxvii). Selon M. du Mesnil du Buisson, 
ce décor se rapporte a la magie cynégétique. On devrait se représenter les animaux comme 
pris dans un filet de chasse — filet que Fauteur reconnait dans le motif qui forme le centre de 
la composition! Le mouvement circulaire du gibier autour de ce centre montrerait qu’il ne 
saurait échapper. Dans la même idéé, les croix tournantes formées de bras ou de griffes 
serviraient a assurer la victoire sur les ennemis. 

L’explication proposée paraït peu convaincante pour les raisons que voici. II est d’abord 
peu probable que des images relatives a la magie primitive des chasseurs et des guerriers se 
rencontrent sur la vaisselle de terre cuite. Ni le potier ni la menagère ne devaient s interesser 
en premier lieu aux pratiques de ce genre. Les motifs dont parle Fauteur sont restés en usage 
pendant quelques milliers d’années et tout conduit a penser qu’ils ont beaucoup tardé a 
devenir de purs ornements. II est juste par conséquent de leur reconnaitre une valeur sym- 
bolique. Mais il y a des raisons sérieuses pour nous empêcher de songer ici a la magie de 
la chasse. Telles fonnes du même thème se composent d’animaux fabuleux ou d animaux 
qu’on ne chassait pas. On y trouve des chevaux, des grif f ons, des lions et des bouquetins ailés 
(cf. Roes, Tierwirbel, IPEK, 1936/37, p. 85 et suiv.) et même, dès Fépoque de la céramique 
de Samarra, des hommes. Quand un sceau achéménide se compose du buste quatre fois 
répété d’une divinité ou d’un prince, on aurait peine a y voir le désir de se rendre maitre d’un 
dieu ou de la personne du roi. Pareillement, on est forcé de chercher une explication différente 
pour les croix gammées representées sur des cachets sassanides, oü une tête humaine est 
associée a trois têtes de boucs ou dautres bêtes a cornes. 

Les tombes de Fage du bronze que Fauteur a découvertes et fouillées dans les mêmes 
parages sont éminemment intéressantes. Chaque tombeau consiste en une allée souterraine 
creusée dans le roe et couverte de grandes dalles frustes. Les tombes sont souvent entourées 
du cercle de pierres qui bordait originairement le tertre condamné a disparaïtre peu a peu 
sous Faction du vent et de la pluie. A la différence des sépultures dolméniques du Nord, 
chaque tombeau n’était destiné qu J a recevoir un seul corps. Les plus grandes chambres conte- 
naient un lit funéraire, sur lequel le mort reposait les genoux repliés, un tabouret et un 
guéridon chargé de mets. Quelques meubles sont conservés en partie et peuvent être reconsti- 
tués. II y a différentes sortes d’armes de bronze: des lancet, des haches a deux trous du 
type syrien, des poignards. La poterie recueillie, malheureusement peu abondante, permet a 
Fauteur de dater la nécropole au XVme siècle avant notre ère; il parvient a ce resultat en la 
comparant a la céramique de la vallée de FOronte, oü les tombes elles-mêmes présentent 
cependant un type trés différent. 

A Baghouz, on ne constate aucune évolution dans Finventaire des tombeaux. Cest ce 
qui amène Fauteur a les attribuer a une tribu temporairement établie en ces lieux et dont 
le séjour ne s'est pas prolongé outre mesure. 

L’illustration du volume est hors ligne. De ce chef, Fauteur a droit a notre reconnaissance. 
Même les photographies aériennes ne manquent pas. Les objets relativement récents trouvés 
dans les tombes dolméniques usurpées par les Parthes sont düment inventoriés, mention qui 
n’est cependant pas accompagnée de figures. II est difficile d etablir par ce qu’il en est dit 
s’ils méritent d’être étudiés. Mals nous croirions que si, quand ce ne serait qu'a cause des 
perles, oü d’autres fouilleurs pourraient trouver de précieux indices. Espérons que le Comte 
du Mesnil du Buisson les publiera un jour avec la même compétence et la même lucidité. 

Huis ter Heide, février 1950 Anne Roes 










































































VOOR-AZIË ALS CULTURELE EENHEID 


VAN DE /EG.T.IS TOT DE INDUS 

Zie PLATEN XXIII-XXVII 

Zooals men heeft kunnen zien, is in dit Jaarbericht de behandeling van de V ooraziatische 
archeologie anders geweest dan voorheen. Volgde zij vroeger als een geheel achter de Voor- 
aziatische philologie ’ nu waren beide groepen in drieën’gesplitst, Palestina, Hethieten en 
Syrië en Assyriologie. Het voordeel van zulk een indeling, waarop van meer dan een zijde 
werd aangedrongen, valt in het oog. Op het eigendommelijke van iedere cultuurspheer wordt 
nu de nadruk gelegd en hun eultureele en historische verschijningsvorm komt duidelijker in 
het licht te staan. 

Maar aan de andere kant brengt zulk een indeling ook bezwaren mede, zelfs voor de 
afdeling philologie, maar men voelt ze het sterkst bij de afdeling archeologie. De prae- en 
protohistorie is in haar opeenvolgende phasen slechts te volgen wanneer men hun verloop in 
een Voor Azië als eenheid gezien kan uittekenen; tot in de historische tijd, als men zekere 
gebeurtenissen en ontwikkeling ziet die een locaal- of streekskarakter hebben, blijft het nood¬ 
zakelijk relatie en correlatie met de naburige gebieden te onderscheiden, althans er op bedacht 
te zijn. 

Dit is duidelijk waar te nemen bij de opgravingen waarom wij met de Platen XXIII- 
XXVII en de daartegenoverstaande tekst de aandacht vragen. Mochten de opgravers van 
Alasia op Cyprus gelijk hebben, dan vindt men daar een nauwe verbondenheid met Phoenicië 
en Palestina; en mochten die van Geoy Tepe in Azarbaidsjaan (Noordelijk Perzië) het ook 
hebben, dan zouden er zelfs verbindingen van die streek met de Aegseis *) zijn. De nauwe 
relaties die Elam met het tweestromenland onderhield worden nog eens duidelijk geaccen¬ 
tueerd door de bronzen kop, die na vele jaren in de kunsthandel te hebben gezworven nu een 
waardige plaats in het Metropolitan Museum heeft gevonden. De steenplastiek uit hetzelfde 
Geoy Tepe benevens het beeldschrift daargevonden stellen ons ook voor vragen van afhanke¬ 
lijkheid en beïnvloeding, die gemakkelijker te beantwoorden zijn bij de gouden voorwerpen 
in Ziwiye 2 ), gevonden door den bekenden archeoloog A. Godard. Mevrouw Yedda Godard 
bericht hierover in France Illustration, 6 April 1950. Het gaat om een gouden pectoraal; de 
griffoen, de levensboom en de gevleugelde sphinx doen duidelijk de relatie zien met de 
andere Aziatische culturen. Met Hellas is zelfs volgens de anonymus, die in de ILN van 6 
Mei 1950 deze vondsten opnieuw bespreekt een verband omdat de griffoen protome in 
Ziwiye gevonden (ILN p. 715, fig. 10) vergeleken moet worden met een dergelijke vondst in 
het Herseum te Corinthe (ILN, 2 Mei 1931). Op Beloechistan wezen wij reeds in Jrb 10, 
en de relaties met het Indusgebied 3 ) blijven nog steeds de aandacht trekken. 

Duidelijk is het gebied der interne beïnvloeding en afhankelijkheid af te tekenen. Een 
medewerker van het Jrb. die hierop in een afzonderlijke rubriek de aandacht van onze 
lezers zal vragen, is reeds gevonden. Zijn taak zal echter nog zwaarder zijn; want in dit 
verband hoort toch ook de plaats die deze culturele eenheid inneemt in het geheel van de 
ontwikkeling der mensheid in de gebieden waardoor Voor Azië is ingesloten. Het is 
niet nodig een oplossing van deze problemen te forceren, maar verscheidene gegevens wijzen 
er toch op dat er een oplossing te vinden is. Zo zal de splitsing, nu doorgevoerd, voor ons inzicht 
in de geschiedenis van Voor Azië toch nog een verrijking betekenen. 

Leiden, 14 Mei 1950 B. A. van Proosdij 


1 ) ‘ Cf. Fr. Matz, Die Agdis, in Handbuch der 
Archdologie vier te Lieferung, München, 1950, p. 
179-308. 

2 ) Volgens Godard zou Ziwiye de door Sargon II 
vermelde vesting der Mannseers, Zibië zijn. Hun 


hoofdstad Izirtu herkent hij in het moderne dorp 
Kaplantoe. 

3 ) Cf. C. Kern, Indus Valley painted pottery: 
Harappa Culture, in Annual Bibliography of Indian 
Archceology, vol. xv, 1950, p. xxi-xxiu. 



















VOOR AZIË ALS 

VAN DE .«C 

zie pla 


Zooals men heeft kunnen zien, is in 
archceologie anders geweest dan voorhee 
asiatische philologie nu waren beide 
Syrië en Assyriologie. Het voordeel vai 
werd aangedrongen, valt in het oog. Op 
nu de nadruk gelegd en hun cultureele 
het licht te staan. 

Maar aan de andere kant brengt z 
afdeling philologie, maar men voelt ze 
protohistorie is in haar opeenvolgende p 
een Voor Azië als eenheid gezien kan i 
gebeurtenissen en ontwikkeling ziet die t 
zakelijk relatie en correlatie met de nabu 
te zijn. 

Dit is duidelijk waar te nemen bij < 
XXVII en de daartegenoverstaande tel 
Alasia op Cyprus gelijk hebben, dan vim 
en Palestina; en mochten die van Geoy 
hebben, dan zouden er zelfs verbinding 
relaties die Elam met het tweestromenl 
tueerd door de bronzen kop, die na vele 
waardige plaats in het Metropolitan Mn 
Geoy Tepe benevens het beeldschrift daa 
lijkheid en beïnvloeding, die gemakkelijl 
in Ziwiye 2 ), gevonden door den bekende 
bericht hierover in France Illustration , t 
griffoen, de levensboom en de gevleug 
andere Aziatische culturen. Met Hellas 
Mei 1950 deze vondsten opnieuw besp 
Ziwiye gevonden (ILN p. 715, fig. 10) 1 
het Herseum te Corinthe (ILN, 2 Mei 
en de relaties met het Indusgebied 3 ) bl 

Duidelijk is het gebied der interne 
medewerker van het Jrb. die hierop ii 
lezers zal vragen, is reeds gevonden. Z 
verband hoort toch ook de plaats die d 
ontwikkeling der mensheid in de ge 
niet nodig een oplossing van deze proble 
er toch op dat er een oplossing te vinden is 
in de geschiedenis van Voor Azië toch 

Leiden, 14 Mei 1950 

1 ) ‘ Cf. Fr. Matz, Die Agdis, in HandbucJ 
Archeologie vierte Lieferung, München, 195 
179-308. 

2 ) Volgens Godard zou Ziwiye de door Sarg< 
vermelde vesting der Mannaeers, Zibië zijn. 



VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT I 


Afb. 1. Hypostyle hal uit de tempel. 


Afb. 2. Deurposten van de werkplaats (tweede 
stad). 


Afb. 3. Het paleis van de gouverneur in zijn vier 
stadia (de meetlat is 1 m). 

ILN April 17, 1948, 441. 





: 


Zie bïz. 22-24 


Afb. 3 




JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N ü 1i 


PLAAT Ji 


AMARA-WEST (SOEDAN) 



Afb. 6 


Afb. 7 


VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT II 


SAKKARA 


PLAAT III 



Afb. 5. Het riool van Afb. 4. 


Afb. 6. Het slangenheiligdom; op de achtergrond 
de zaadbedden. 


Afb. 7. Potten met skeletten van slangen, gevonden 
in het heiligdom. 

Naar ILN Oct. 22, 1949, 634 en 635, Fig. 9, 14, 5 
en 7. 



Zie blz. 22-24 


































nriüfn/jj, 


' r B P 


Ü MBi 

■sM :#3gra$*4d 
iksw^köiisS 


; *. •TiarsJ 


Gezicht op den binnenhof van het dienstgebouw 
m de Oudheidk. Dienst te Sakkara, waar de door- 
op bijna versperd is met vaatwerk en kisten mei 
herven die kort te voren waren bovengebracht uii 
: onder de pyramide gelegen gangen. 


Gezicht op een der nieuw-gebouwde magazijnen. 
lUEr, La pyramide a degrés compléments. in. 





















IAARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N° n 


PLAAT fV 


TRAPPENPYRAM 1 DE TE SAKKARA 




VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT IV * 


PLAAT V 







SAKKARA 


Kijkje in galerij n° vi op II m van den put. 


Kijkje in galerij n° vi op 7 m van den put. 
Lauer, La pyramide d degrês compléments, in, PI. v. 


£ie blz. 24 vlg. 


11 


















IAARBERICHT „EX ORIENTE LUX’ 


VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT V 


'FRAPPEN 



i. Sereh van Koning Narmer gegraveerd in een 
bekertje van porfier. 


2. Lijst van de vier laatste koningen van de Te dy¬ 
nastie : Hesepti, Merpaba, Samsu en Qa. 


3. Koningstitel met naam (?) gegraveerd in een 
kom van blauwgekleurd schist. 


4. Zelfde inscriptie als bij 3, iets uitvoeriger, even¬ 
eens op de schistekom. 


5. Inscriptie in inkt op een albasten bord. 


6. Idem. 


7/8. Mopje klei met zegelindruk van koning Cliase- 
chemni {Sereh). 

7 = vóór- en 8 = achterzijde. 


9. Kleizegel met zegelafdrukken van een hoogge¬ 
plaatst ambtenaar onder Neterchet-? ? ? ? ?. 


10. Zes stukjes kwartsiet, ieder van twee kanten 
gezien. Ze hebben gediend om stenen vazen uit te 
boren en werden daartoe bevestigd aan een van een 
klein vorkje voorzien houten stuk, waarmee ze wer¬ 
den rondgedraaid. 


Ii. Koperen werktuigen w.o. twee daggen, een 
dissel en drie beitels, van één waarvan de punt is 
afgebroken. 

Lauer, La pyramide d de gres compléments, m, 
PI. xix. 

Zie blz. 24 vlg. 









JAARBERICHT „EX ORTENTE LUX” N° n 


IRAPPENPYRAMTDE TE SAKKARA 


i/2. Grote gebeeldhouwde vaas van albast, met 
handvat. Ze bevat als versiering een en-relief ge¬ 
beeldhouwde zittende of knielende mannenfiguur 
met opgeheven armen (hiëroglyphe voor cmillioen 0 ), 
die op het hoofd het hebsed-motizi draagt: twee 
grote trappen tegen elkaar, die uitkomen op een 
zelfde estrade waarop zich de tronen van opper- en 
neder Egypte bevinden, ruggelings tegen elkaar 
staand onder een dubbele troonhemel. Deze voor¬ 
stelling vormt het onderste begin van het handvat 
dat verder naar boven toe in den vorm van een ge- 
styleerden kever verloopt. (Z.g. hebsed-v aas) 


onder den bovenrand gegraveerd: 

Louer, La pyramide d degrês compléments, III, 


3. Gebeeldhouwde albasten vaas, hangend in een net 
van geknoopt koord 


4. Cylindervormige vaas van albast 


^3: . j. '■ 

.. * ■: 

' - s 




V 

1 r* 


v 

i 


; 


REA Al Vil 


PLAAT VI 


VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT VI 


5. Vaas als hier naast (hnkerbuitenkant) maar met 


Zie blz. 24 vlg. 




; t 









JAARBERICHT „EX ORTENTE LUX” N° n 

TRAPPENPY 




VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT VII 



Afb. I. Zicht van uit de grot bij c Ain Fasha over de 
Dode Zee 

ILN i Oct. 1949, p. 493, Fig. T 




Afb. 2. Zicht in de grot naar de uitgang 
ILN i Oct. 1949, p. 495, Fig. 13 




Zie blz. 41 


3 



Afb. 2 


JRB. EOL N° 11 


NIEUW GEVONDEN OUDE HANDSCHRIFTEN 


PLAAT Vil 


Afb. r 


> 8 % 




















tjvyMirt wie* •rtvjh-tfi wvïö 

s Ttw t*r,jwun *v* 

rbn** •***» wmiMiffl 

* 7 ¥mW-*>?*'«* "****' «wfe 

•vjv' m« •mtV' h»)W 
urn ^h>^'\j nsH**>sy»$tI 


PLAAT VITf 


1 *11 V UlM rWD» T}VVMX* 

PAl titf\ 4*1 fi'J&JÈÜy s, 

,hivhiw 

\y\* • ws* v.ïv* 

Ui^SSS H «i*v& iï™ 

W-0 ty-o^ «u'S'* 1 *^’ 

aiyvws V» y*WvW 1 J-A» 
ne-jjwxt V>ï ifuwVt 
Hycrnia ïwViiav ^ 

Vl^M *_" T 

tw ‘MI itPY** t)’T * 

'QliW ïptyS&X 

■ Ui w K 


NIEUW GEVONDEN OUDE HANDSCHRIFTEN 


VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT VIII 


Afb. 5. Het linnen, waarin de rollen eerst werden 
gepakt, vóór zij in de potten gingen 

ILN i Oct. 1949, p. 494, Fig. 8 


Afb. 3. Een van de potten, waarin zich rollen hebben 
bevonden; de meeste andere hebben geen handvaten 

ILN i Oct. 1949, p. 495, Fig. 12 


Zie blz. 4t 


Afb. 4. Deksels die de potten afsloten 
ILN i Oct. 1949, p. 495, Fig. ii 


il-M Mïl\V tH** 
nn ajwjv Vüft «rtxr» ***k>ro *.( 

V*J Vi« wv 3> Trt^K »>u * K'^> J~WC3 * 

‘«LruwQvj'a' tfi’KJ*» 

***'»'AJVftt LKi* 3 -*fc^n)r*.p> 

jnMcAniWm K'i'nvy-n^vl Vl'-M “OW V 


K*5 ihi^**V;UTW*^MK>*«>wai 
iliro^ Wö wil 

Tjvdj* irmi wn ym wn** *1 ifp 
• ÜK. *J JV** }*0A AM AJVA**Yrt" 

óyi 5x1; iwvö 


15' «*» y* v )*ws 

* *wmoi»nAvna»'*iTi'!K ^ , 4 
^vmw« MVtHwi&Gi 

■llöTrt-wt »W aiwvnc* 

1 wim'r**'**'"* r3KV * l 8 

\e\ 4 trea 


wsv , j U fly gy> 


NJDSCHRIFTEN 


PLAAT IX 








■,v 






:>,n 


: ‘ - 


i&l F 




iïs 





IAARBKRLCHT „EX OKIKNTK LUX” N° 


NIEUW GEVONDE 



VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT IX 


Afb. 6. De Isaïasrol, open liggend bij kolom 32 
(rechts) en 33 (links). Het eerste volledige woord 
van de rechterkolom is het begin van Is. 38, 9; de 
linkerkolom laat Is. 40, 2b-28a zien. Men lette op 
de twee (latere) toevoegingen, resp. in kol. 32 en 
33, die gedeeltelijk in de mar go zijn geschreven; het 
betreft resp. Is. 38, 21-22 en een deel van 40, 7-8 

Photo J. C. Trever, met verlof van The Biblical 
Archaeologist gepubliceerd 

Zie blz. 36 



Afb. 7. Kolom 2-3 van de Habakkukrol 

Photo J. C. Trever, met verlof van The Bulletin 
of the American Schools of Oriental Research ge¬ 
publiceerd 


Zie blz. 59 


IRB. EOL N 6 it 


NIEUW GEVONDEN OUDE HANDSCHRIFTEN 


BLAAT IX 





'jpw nrt WW »151 M» 

v<vy^\a^r!n1***•r'r•rwv^K1V# , 
'KTW 

yat v* m -tV'PT'tv \5 ?<m >: 

'vyu yU’ TVnr 
\ \ \\ 


1 


r.wy» H*t> 

•jvwyjv* 

V -1*J ‘■TMü 

■ , w 

‘Ipw* t*W> 


<n • -nvm y* nn? m WM 1**3 

... TfTiOTU'MTIW yn U 3 i Hv W 

jmljrrm ■***> Aav* -««jui kw 4 V 4 *^* n„ rr ,\ 

*a 4 rr 4 «>i 

V5V 


*n » ‘JT ^5 *v»* -nn4 »vrj •*)"> **3 ■***.)* ^”5^ **\v*rc»<*r»M 4 a -x 

ViTi 5v ^ * K^n r»o * 

4^1 VIM V'K-J*pj»>jr)**-iWm3 

iVn 4 ^VjmJjV)«u”»uav»^ 4 W 3 *»tö*ii 


y*ry t*i°* 


k Ir wm-w-jmUk'ivk tvj •AVi'fO iwym»kW V»Tnrv>y^vtK ^iM^***)* 

' S ^lf.>yY. VVKv)? vgly ^m wW twvtn it 


v V v ! M^*v< 3 *r 3 r 5 )r< p % 

y’ >, S>Y' ViVrtVf» -y-rryy '-*i ”, n v:a/i tvivti dj» 7*«jn»w «r, m^n wrr nvv'•trt’VwV» "Viyp 
' w iv :oW5 -jL? rup *>5*^ ivy *ry »\y -iUA-W *> 4 mt 1 inn yirt nito 14 * -* 

• 1 “ r \ ' S ï • l * 

'ATJrrwV'A»* t 


_ ... _ . ..... , twntntAy 

rvl-r^x^vHTgrvrt inWV>j-rmVH* 4 10« 

£ ’rtwjyurnW WK n J*' *>* *4*»L/Ja imtl kuaY« nw vuvngh-rtjl** 4 Wö Kjli ^nihWvKiivrj^Mm^rJ'* 

• f U<J« ^nva^rv, yvi^irj 4 ^UVMi ^55-71 yi" 

'ÜV>V ) ^ yc; -mn^ v>y< -nA* 

4 vm:jL ktik 5 vuw u 

y- ^uJaWv* •JJ'VIvVWi *i 3 pL <p^= p 
rj . f J -m 


.-ivfl-»nu-rv 4 ,^Mia^^ 

j VtvJVTpwv 

'vairu'u-Hf»Lhv/jJ vi v 


vn tri't'^H 509 np ^ 4 >31 v» nvjmta' 

* vtm tnai ya* *4 ^*0 & __ 

Mênmxx^-tiajVvi-v»vyxxSMMrjjvwxL» vunutawan xi 

fvo ‘rtM)-X Hftaunj jctHsvvti >^»MA>hLjvv> 71 yiX fcn»)t>r£ >Xi5j4x ~y t>it 5H 

■rtvynoijj^K^ti&iv ^A^ymunrt m»A >x»3xi»m>yn u»9v < S* 4 «^ 

«a yiAy^ion^vV»ax vtu\a jxf .-üJImll 

yv«V73MtV»» 4 

Ni iHti m>iyy> imp w« wki uytij*u xnjL 
imiyax'TrjiK^M K^ava-J-rA vtay ^tvu K 4 yi»H'A , "‘ 

. . imfJkAvno 

VJ» *! vXlVjO,t 7lrHA5- r Yt~rt) 1W j , (KWM -yj-fflt J>Yr«» -BlNJItwA 
y tunmyy h'u *Jiy -ni»*3«F «A»; -Mnvtx yAri tvjy-* 


Afb. 6 



11 

uoa 7 -uW 

w 

n 

3*1 *J^11 
Itl UiUI 

wma 

WlVwV 

1 UijCj- 


•QUA' 


rrv 

A' 4 » K’V 


i*i>» 

JVÜ 3 W>j *Ai 3 /^ ^Tl 

WW WW 

VaUA^Dinj y 

wv> , A^yvws 

wi ^-öi V'ü.mV ' ^3 


JtM 3 - 

ynyxi i 

*fjwrl V 






vi lyi 

l) 4 -^ T 3 Tt 113 
xm?j i^vt^ uw 

HjA 

*n>avy 

<•* y> tjiM 

^'Vdl AM 


i^nn*n 
yjw 

W yjrjn^ Ot 1 ^ 4 
*<iV Av^At |p 

V>ij v • m^V % 

M -XXÓ 

VVa> A\ 

^ T% UT' *' * * 


V 

m *u v T ' r 

*wi A'.rn ^ 


*T 3 ^A 3 ÏX^ 

nW 


Afb. 7 

>> 

: ' $1 

:^y 













JAARBERICHT „EX ORTENTE LUX" N s it 


PLAAT X 


NIEUW GEVONDEN OUDE HANDSCHRIFTEN 


♦ ' t I ! L 1 

’.w*t#** /fÉiVïsJI p 

'tv^ >. JïN 

"* SM * V^oürn^Vi ‘awcp^rt ivfcyWi ^ hm' 
WMUWW'M I^V\ 3 *> ‘jHiiTi'X 

I4s W> ^.v n^pi *»* iiwyvt ^ö-ie/yjöW rw** 

‘T^ -rtivt V« ^vHV'yt ij nrMAW'MW ifA; Wrt j*/!* 

jyw;A työWWiV* V*A* 

; ^ wat** ttfiia 'iMwUw jy*ïS9 

wx -iir ,*v* y/y* Wfl t \ Wi \ y $ V 9 iflW* 

3 V ' 3W ' XM • vhWWj «/v< /ualiï W'nV x\xax 

S* 5 ™' tsnw VM»i ^s^wVuiV MS^»» 

jr-oi/<y £s»tw<oiA/* iyin jyyta ïS\s“< hnJ’ V 

mv^jVs *Ai ifvum tttrnWi«ywW 

iVV^s .^3 \tWfcsA «At ’C&'rt*ViY i^rt "toWip^V 4 ^*>' X y\Af t) 

•*OH «mJb ' ".XbTt yifil 'fflöN 'YWIS yd A 

V»** 1 * wU m^VIamsV jwtsa W^V’ ‘V^tt ƒ•*» ftves* \ijt 

’ i^HwA .yvm-rtüw‘iHJA'iüAWVtóJjwlxis-rty 

Jfl 'asIii 1 ■ 5 'iiTtin'Htnwir‘öi» is*' 3 iyiw V‘ 4 s nWw» fcMfcO 

i T.i 3 rtji im* A^Viiw jvwivm WiiA YHjssis tt-Am 

03-r<i^M> Jy-: y^*iMA iJ^iaiA ts-tV^y^, 

övnW’ 3 imia-/w^ö\,y t^ , tJeb' 9 'U'm:sw 

'•’a w-'tmi , ^vic/afi owVm V^Ay 

••sïiivi\.viil Ais» üjwiöMi jtUywiw 

M '3 U iisU HW <> prVi'iA ,y ^‘ 

Wl'sW' ' -UJU^ ï 4 > w ‘ VIA WVl!^ r, ‘"" ' 

• t . ■’ - 

**► *11 *3 lfei£Vt^> A % ü(^ tó' ' 


W'OïiMX* 

f **3 
•nrt'Ot) 
v^r tfvw 

5 

>ti voWi 

n\ 33 T 

&y*W> 


\r ^ 


v 


; : P y] 

V^/ 


Afb. 8 




PLAAT XI 


VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT X 


Afb. 8. Kolom i van het c Sectarische document’ 

Photo J. C. Trever, met verlof van The Bulletin 
of the American Schools of Oriental Research ge¬ 
publiceerd 


Zie blz. 6i 


ftV _JW**'9 tU''*'‘WOn'*Xr'Ü’ w ' 
«Uil v»7jv ntvM $vj>»5 
jnö^? Vvjsjr t\i'^ , 'v<^ 

T;M A a 

A^nt^ *Q'\o'«iS w 
iv^*^ tfüTiw W v t 3 ' 1 
^03 *0^ rChV 5 ' r 

s m*)» wis *wW flpnw 
nwc W 
i^nW jvn' 
*wW I 5 v ’‘ nö 


•mwa rpv»* xav 

' • \ 


'<*WÓ 


►' 

% 


Afb. 9 


■■jrpsitw - •.«.'» 

*% \ -'-•- .V» 

fiwK ,v ;,yjgM 

* 


*. * 



- srY'ir'^ 'A u ^' 

s tfsv* i«r#r#P^ 

;vj ^aj v^‘\n njw.A^i 
^ nsavü 

K\ \n^ tunt^n» *ü*^ 

x \ \j 

viv \*vh *^jnïmv>> »3 
^V-av 'OM) XV)\J 

W* 9 * 

nn )> ï^*n^ 

H''^ luaw n 3 *vts‘ *o v S 

E rcö^ ^ m)An‘ 

U SïXti^W nflB 


Afb. io 



JAARBERICHT „EX ORTENTE LUX" 


VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT XI 


NIEUW GEVOI 


• •>V»" 5 Atf> 

^«•U^hv/ai 

‘fbuwlrf 
wv* tsAytA 
> y>H JlLjO 


V VWttAH 3 

yi'Hyws^ 

WinUK^l 

bïv# ■rtf' 
JWiAMyt ^ 

>U¥^nii 


VVS 41 A 

f 

yyyi sakm 


\NaV^«/v 


AAnm ïjxW 


V^brtATiV 

ijs* 

M«»M 3 »‘IA« 

*nft4t) 
V^T* Jljlv 

1 

y.Mtd* H'A' \ 

■AHJsfA^iV 

>Atpy\l«MaV 

j 

.Wmiusw 

>n 'swsWa 


m.i 3 

f 

W tei a^: 

ÖV-nU^ 

ÜimiaAW: 

nsbvAJ-^ 

t 

jfcA^aiw 

Wujbas ujviöHA 

A\$« H+l 

Ainsj 'rw.^'ijn 

wvsW' * 

1 1 ' 

AUut ï Mai 

A 

N;,Viw.'«VSA& 


Afb. 9. Fragment van de rol van „De Strijd van de 
Zonen des lichts tegen de Zonen der duisternis” 

E. L. Sukenik, Megillot Genüzót, Jerusalem, 1948 
Plaat vin. 

Zie blz. 63 


Afb. 10. Fragment van de rol der „Hymnen’ 

E. L. Sukenik. Megillot Genüsótj Jerusalem, 1948 
Plaat xii. 


Zie blz. 65 



wv'üfl n» veil ïww twww pnw w ^*73* $a>>»a 

vo^mrw'jwrtt'w» flwwi vpA 1^0 Wjfimi- 

A3YA p V^A ‘jpw'nyj TJA1A3 ^AIW'W 

W *3 

ÏÏ>*w wW vW> v-vt rjnn*it^ ‘tfWJü 

VT •'»'**» vv ^k^tvuVy jn#* tA^n T^iwm Tjif v^sn 
iviw^ v*o a>^ -pw' aVjö -p ranv 5 i 

M "“ 1A ■ Pl '‘' 5 ^* tanWi w}»nvw nn^Af 

W ' ‘ rr "" r *kw D 5 irr ^*\ATwW^*tf\ wW 

wivjïn <w ^VnV^nV ^ n V w w 

tp^ v *r nsi w *wV tvu^ 

‘^WW tr^ ^T-*" AIWA VJ 3 V J*vW 

" **** 

££& ■ 

■ Jk ■;/ ^!ttS 


’WsWmw XIMVÏ 


^ nvmv ^ 

*$Xmi 


*Pï imm ^ **jL, -fiVViM '' 

- -**«* ------- 

* TO1, *' W - W ** J ' w '\h itivAv.»« 

\ -■n\avn\ l^vt-vi j^aa -M-vajH A\avi ,,. 

»a -DW.TO tvwfatóji» JL* .. 

. \ ' 5< ’ ,'rrVKv A*«5»< TOHt>j&- ^ 

TlM-V ^Wl;-vj »«„ Avjkvv» , sw ~ ’• Vj 

* v, 4 w 

^ * - ■■•■ ’A—. J 


(W ^ 

>t' ■** ■ j£* t "" u 





JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N" II 


PLAAT XII 


NIEUW GEVONDEN OUDE HANDSCHRIFTEN 



Afb. n 



VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT XII 


PLAAT XIII 


Afb. ii. Fragment (tweemaal vergroot) 
ILN i Oct. 1949, p. 494, Fig. 4 


Afb. 12. Fragment waarin de naam El (vierde 
regel van boven) in z.g. Phoenicische karakters 

ILN i Oct. 1949, p. 494» Fig. 6 



m'b «W avw;w»,c.'.’ 

mmsïïM: % 

jCf</ HAVWfUV.'l ^ 

>7 d>Jf* PW*» K**' ' 


Afb. 13. Fragment waarin de naad zichtbaar is, 
waarlangs de stukken tot een rol aan elkaar werden 
genaaid 


TLN i Oct. 1949, p. 494, Fig. 7 

















VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT XIII 


TAARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N 


NIEUW GEVOND 


Afb. 14. Papyrus van Elephantine uit 408 v. Chr. 

Uit Dictionnaire de la Bibl. Supplément (uitgegeven 
dooi Libraire Letouzey et Anê, Paris), 11, plaat bij 
col. Q 7 C -6 


JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX" N“ n 


PLAAT XIII 


NIEUW GEVONDEN OUDE HANDSCHRIFTEN 








Èé* wim-. 


)*»/>¥ ** y- 

’v 

jKyil “‘ 1 VVV .étjts 


lU&Mtw 


m & y w#- w» ig 
# ***?#& temMmwi* w .j$ 


lf*V'— j W — - ; T V » T • •'r f yc [y ' w 4 • , , jr* ■ »♦' , . 

:)y ?J W w* -«)'ƒ *»r 

^PÉN^|jh*> V #«£>/ JmH»*' 







VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT 'XIV 


Afb. 15. Resten Aramese papyrus uit vierde eeuw v 
Chr. met naamlijsten 

Uit Aimé-Giron, Textes Araméens d’Egypte, Le 
Caire, 1931, Plaat x 


Afb. 15 


PLAAT XV 


RANDSCHRIFTEN 


jJm* 


1 »* 


'tt^A 


m' 




nw 


« 4 *»: 




;»>«y 

UW 

n**' 

ip>n.» 


V- 0 ^ 9 ' 

iM V>jl 


Afb. 17 


JRË. ËÖL N 6 ii 


Afb. 16. Reproductie van fragment van Edfü- 
papyrus (derde eeuw v. Chr.), uit Proceedings of 
the Society for Biblical Archaeology xxix, 1905, 
plaat 2 bij blz. 273. 


Zie blz. 50, 53 


PLAAT XIV 




- y ; M 

j 





JRB. ËÖL N 6 n 


VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT XV 



Afb. 15 


Uit Sukenik, Megillót Genüzöt, Jerusalem, 1948, 
pl. ui 

Afb. 18. Inscriptie van Araq el Emir in Transjor- 
danië 

Naar facsimile uit M. Lidzbarsky, Handbuch der 
Nordsemitischen Epigraphik, II, Pl. xliii, 1 (3/2de 
eeuw v. Chr. ?) 

ITIID Töbijah 


Afb. 16 




Zie blz. 50 


1 


] AARBERICHT „EX ORIENTE LUX" N° u 


PLAAT XV 


NIEUW GEVONDEN OUDE HANDSCHRIFTEN 


vj 1^3 "Y i 

. w**V94 yjj»o 
«u *Y*Wm.*t 

. 

.*''ó*** *T* 

„o* 'ttQ&yWvy’ i»«*s 

'3?^Ï3 ** 1 ,*il 

«VwtSSES 


J*..* UW* *|V yV •.-«5^ 


»»>»*» wW 

«rni «£-wyw*'D'to> v * T ** > 



Afb. 17 



JAARBERICHT „EX ORIENTF. LUX” N° ti 


PLAAT XVI 


NIEUW GEVONDEN OUDE HANDSCHRIFTEN 



Afb. 19 



VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
WAN PLAAT XVI 




PLAAT XVII 


1 


Afb. 19. Geschilderd opschrift (1 depinto ) van Joods 
graf te Alexandrië, uit Clermont-Ganneau, Recueil 
d’ Archéologie Oriëntale vin, 1924, blz. 61, naar een 
oetekend facsimile. Clermont-Ganneau leest. 

rrapy 

c Aqabjah, zoon van Eljó c ênaj 




Afb. 20. Geschilderd opschrift boven Joods graf uit 
de eerste eeuw, bij Jerusalem, Cedrondal 
Uit Tarbiz vi, 1935 , bij blz. 193 

TOy n:n HDID dit graf is gemaakt 
runrax voor de beenderen van onze 

vaderen 


pmn piDK “pX het is twee el lang; 

X^l niet te openen boven deze 
[n.1. de beenderen] 



Afb. 26 




Vï ïr Til 


vi Jis* i- j? fl.73 1 xtf 

1 c? 


,*» Al 


Zie blz. 50 




















JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N 


o 

NIEUW GE VOND.' 




VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT XVII 



Afb. 2i. Ossuarium uit een Joods graf in het Ce- 
drondal, met inscriptie. 

Uit TARBIZ vi, 1935, bij p. 193. 

ttw "o pmrp nn mirp 

Juda, zoon van Jóchanan, zoon van Jitra. 


Afb. 22. Ossuarium inscriptie naar M. Lidzbarsky, 
Handbuch der Nordsemitischen Epigraphik, 11, PI. 
XLIII, 5 

Salömsijón 

pjJDtP Hl dochter van de priester Sim c ón 

jron 

Afb. 23. Ossuarium inscriptie eerste eeuw a.d. 

Naar Revue Biblique 1925, PI. x, 13 

nirx di^ Salóm, echtgenote 
van EFazar 


Afb. 24. Inscriptie op de sarcophaag van koningin 
Helena (?) van Adiabene, in Syrisch en quadraat- 
schrift 

Naar M. Ledzbarsky, Handbuch der Nordsemiti¬ 
schen Epigraphik, II, PI. xliii, 7, eerste eeuw a.d. 
Onderste rij letters: nro^ft H1X Saddah, koningin 


Afb. 25. Ossuarium inscriptie, eerste eeuw a.d. 
Naar Revue Biblique 1925, Plaat x, 3 

JTO Salöm$ij6n, dochter van 

pi?W Sim c ón 

Afb. 26. Ossarium inscriptie, eerste eeuw a.d. 
Naar Revue Biblique 1925, p. 265 

El c azar 


Afb. 27. Inscriptie van de priester familie der Bene 
Hezir, in het z.g. Jacobusgraf in het Cedrondal, even 
buiten Jerusalem 

Naar facsimile van M. Lidzbarsky, Handbuch der 
Ndrdsemitischen Epigraphik, 11, PI. xliii, 2. Eerste 
eeuw a.d. 

pnv [flnw min' -m rron “iwM (Oaswi -ap nr 

n\jn 'ja "ih^ni P)—n-»' 'J3 

■vrn '33ö— 

Dit is het graf en de rustplaats (?) van El c azar, 
Hanja, Jó c ëzer, Jehüdah, Sim c ón, Jóhanan, zonen 

van J . m.b ... p en EFazar zonen van Hanja 

. van de zonen van IJezir 

Zie blz. 50 


[AARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N 11 


PLAAT XVII 


NIEUW GEVONDEN OUDE HANDSCHRIFTEN 



Afb. 21 



Afb. 22 



Afb. 23 


Afb. 24 





Afb. 25 



Afb. 26 



Afb. 27 




plaat XIX 


Aid. 2o. üen der vi 
mont-Ganneau, Reet 
1900, PI. 1, tegenovei 
regel staat omgekeer 
aan 

AO I >1 V V 1 

nr; Dnn 1 


Steen met 


ar bis ii 1931 

rvnn roi> 1 
rvny ’öü < 
min' 1 
nnsïD^ xh ■ 













JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX ’ 


NIEUW GEVOI 


c . Zijkant van zegel b. B. met Assyrische demonen 
(13 X vergroot) 


VERKLARING BIJ DE* FOTO’S 
VAN PLAAT XIX 


a. Opschrift van zegel van Adoni-Nur (4 X vergroot) 


b. A. Zegel van Adoni-Nur; B. zilveren ring; 
C. Assyrisch zegel van Kornerlijn 


d. Zegel van chalcedon met priester voor altaar met 
maansikkel daarboven 


e. Bruin stenen zegel met gevleugelde sphynx 
(vergroot) 

ILN 3 Sept. 1949 , 35L Fig. 2, 3, 4, 5 , 8 

Zie blz. 72 



ZEGELS UIT 
TRANS IORDANIE 


PLAAT XIX 











JAARSERICHT „EX OR 1 ENTE LUX” N A n 


PLAAT' XX 


L'e linkerzijde van de oprit-corridor van de Noordelijke poort van de Citadel te Karatepe, met de bilingue inscripties (in het midden) en de reliëfs (links en rechts daarvan) 
Naar 1 LN May 5, 1949, p. 666-667, 












w v'- f 

l m é > 

I m\ 


L fm 



jS\l, 



iet men 


^ * • £ #< 1 




wWim 












v p tmm 


"T w 'y'^ê«h'>U'' : 


JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N° u 






jjtfh * v r <k 




r ri 
. Mrffi 




r; 




VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT XXII 


PLAAT XXII 


a. De feestmaaltijd van koning Asitawandas, vorst 
van de Danuna. Onder links vier muzikanten; onder 
rechts het slachten van vee. Deze groep is merkwaar¬ 
dig omdat de scene verdeeld is over twee platte 
stenen. 


b. Reliëf in de oprit van de Noordelijke poort van 
de Citadel: Bes, de Egyptische god, die beschermt 
tegen daemonen, met twee apen op zijn schouders. 




c. Een god staande op een stier. In de ene hand 
draagt hij een valk, in de andere een haas. Zijn 
zoon (?) staat voor hem. 


Zie blz. 82 vlg. 


IA AR BERICHT „EX ORIENTE LUX” N° n 


KARATEPE 






PLAAT XXI11 


AL ASIA (Cyprus) 


VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT XXIII 


üs) 


PLAAT XXIV 


ALASiA (Cyprus) 

Voor de geschiedenis van Cyprus vergelijke men 
j. H. Jongkees in Jrb. II/6, 1939, 163-170. Nadien 
is de activiteit vooral gericht geweest op het gebied 
van Enkomi in de buurt van de stad Famagusta. 
Claude F. A. Schaeffer, bekend vooral door zijn 
opgravingen in Ugarit/Ras Sjamra vond in 1946 
en 1947 daar de oude stad, die reeds in het Egyp¬ 
tisch Midden Rijk het centrum bleek te zijn van de 
bewerking van en de handel in koper. In de Amarna- 
tijd had deze stad weer een nieuwe periode van 
bloei, en op grond van de gegevens van de Amarna- 
brieven heeft R. Dussaud vastgesteld de identiteit 
van deze stad met Alasia, de naam voor Cyprus en 
een stad in de oude litteratuur, volgens G. Dossin 
ckoper 3 betekenend. Na een aardbeving tussen ± 
1370- 1 360 werd de stad herbouwd, en met een zware 
muur versterkt. Figuren 3 en 4 geven de reusachtige 
fundamenten waarop deze in het midden der der¬ 
tiende eeuw werd opgetrokken. Dit mocht echter de 
stad niet bewaren voor invallen en verovering door 
zeevaarders van de zuidkust van Klein Azië. Dit wa¬ 
ren Grieken met Lyciërs en Pamphiliërs gemengd. 
De bloei van de stad was nadien niet minder; naast 
het koper treedt nu ook het ijzer als metaal ter be¬ 
werking op. Het paleis met zijn kapel (Fig. 1) werd 
herbouwd, en zich inspirerend op de Aziatische tra¬ 
ditie van de kunstnijverheid, ontstaat een merkwaar¬ 
dige kunstnijverheid waarvan de Cyprische ivoren 
in het British Museum de waardige representanten 
zijn. Uit deze tijd stamt ook het bronzen beeld van 
Plaat xxiv. Alasia schijnt het eerste millennium 
niet te hebben overleefd, het maakte plaats voor het 
Griekse Salamis, even verder liggend. 

Fig. 2. Bronzen scepter (bovenstuk) met vier duiven 
en hangers in de vorm van een bloemknop. Deze 
symbolen staan zeker in verband met de verering 
van de godin Aphrodite, naast Apollo op Cyprus en 
speciaal in Salamis vereerd. 

Claude F. A. Schaeffer, ILN 5758, Aug. 27, 
1949, 316 en 317; cf. dit Jrb. 120. 






IAARBERICHT „EX DRIESTE LUX” N" u 


JRB. EOL N° ii 


ALASIA (Cyprus) 


PLAAT XXIV 


ALASIA 



VERKLARING BIJ DE FOTO 
VAN PLAAT XXIV 


Dit bronzen beeld van 55 cm hoogte zal in de ge¬ 
schiedenis van de Kunst der Oudheid een bijzondere 
plaats blijven innemen, alleen al om het beeld zelve. 
Houding van hoofd, het gebaar van de linkerhand, 
de stand van het lichaam brengen het op het ter’' 
waar techniek en vraag naar betekenis op de tweede 
rang komen. Maar juist daarom zal men aan de 
problemen aan dit beeld verbonden bijzondere aan¬ 
dacht blijven besteden. Wie is deze god? Want een 
god is het zeker die afgebeeld is met de horens der 
vruchtbaarheid; bovendien is het beeldje ter plaatse 
gevonden in de kapel van het paleis (zie Plaat xxiir, 
fig. 1). Is het de god Nergal waarvan de „Koning 
van Alasia” spreekt in een brief aan „de Koning 
van Egypte”? Aldus veronderstelt D. Dikaios die 
het geluk had dit beeld te vinden (Amarna brief 
Kn. 35, 37 „aangezien de hand van Nergal op mijn 
land en op mijn huis is”). Hoe aardig ook gevonden, 
lijkt het toch niet waarschijnlijk dat men een god in 
een vernietigend gebaar in de hoofdkapel laat op¬ 
stellen, want regel 37 en 38 gaan verder: „mijn 
vrouw baarde een zoon, die nu dood is, mijn broe¬ 
der”. Schaeffer ziet er een vruchtbaarheidsgod in, 
de voorloper van de Apollo die in later tijd als 
A.pollo Alasiotes in een bilingue inscriptie uit 
Talmessos is vermeld. Resjef is dan zijn naam in 
de Phoenicische versie. Ook bij de kunsthistorici zal 
het beeld een bijzondere plaats blijven innemen : het 
verraadt duidelijk Syrische invloeden te hebben on¬ 
dergaan, maar anderzijds is het een vertegenwoor¬ 
diger van een kunst die de Griekse archaische kunst 
heeft beinvloed. 

D. Dikaios, ILN 5758, Aug. 27, 1549, 316-317; 
cf. dit Jrb. 120. 


3 



1 








PLAAT XXV 


JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N° li 


GEOY TEPE (Azarbeidjaan) 


VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT XXV 




GEOY TEPE 


Geoy Tepe is een plek 7 km ten Z.O. van de stad 
Rezaiyyeh en werd bezocht door T. Burton-Brown 
als vertegenwoordiger van de British School of Ar- 
chaeology in Iraq. Men heeft daar een schacht ge¬ 
graven tot een diepte van 53 voet, zodat nog 27 voet 
overblijft voor men bij de eerste nederzetting zal 
komen. Op deze laag van 53 voet diepte vond men 
een cultuur die op een lijn staat met de Obaid cultuur 
uit Mesopotamië (zie tabellen Jrb. III/10, 542-543). 
De motieven van het aardewerk van ons Fig. 1 ko¬ 
men volgens de opgraver ook voor in praedynas- 
tisch aardewerk in Egypte en in de Aegaeis in het 
begin van de bronstijd. Bovendien zou het motief 
van de spiraal een trek van overeenkomst zijn van 
deze uiteenliggende gebieden (ILN p. 130, fig. 2). 
Uit deze tijd stamt ook het speelgoed stiertje van 
ons Fig. 2. 

Deze beschaving maakte plaats voor een die op 
± 2000 v. Chr. wordt gesteld en waarvan onze 
Fig. 3, 4, 5 en 6 vertegenwoordigsters zijn, Fig. 3 
geeft links onder een scherf met motieven die ook 
weer naar de Aegaeis zou wijzen, de schaal van 
Fig. 5 zou in het bijzonder Cyprus in de gedachten 
roepen, en de handelaar 0 van Fig. 6 Egypte 
en Creta, terwijl de kraal D van Fig. 4 naar My- 
cenae zou verwijzen, waar echter dit voorwerp pas 
c. 1600 v. Chr. voorkomt. Men kan begrijpen dat de 
opgraver dan ook zelf zijn artikel in de ILN noemt 
Unexpected Light on Minoan and EgypUan culture, 
maar men zal ook de vraagteken door den Redac¬ 
teur gezet achter een sprekende regel A Source of 
JEgean culture gaarne nog verdubbelen. 


T. Burton-Brown, ILN 5753, July 23, 1940 ’, 
130-131; cf. dit Jrb. 120. 


rbeidjaan) 


PLAAT XXVI 











JAARBERICHT „EX ORIENTE LUX” N° u 


GEOY TEPE ( 


VERKLARING BIJ DE FOTO’S 
VAN PLAAT XXVI 



GEOY TEPE 

Nadat Geoy Tepe in het midden van het tweede 
millennium nog een bevolking had gehad met een 
soort van aardewerk dat ook uit andere plaatsen 
in Iran bekend is, kwam daar een bevolking 1000 
v. Chr. die ons nu nog voor tal van raadsels stelt. 
Het is nl. de dierenplastiek van hen afkomstig en 
de inscripties daarop, die ons doen vragen met de 
Homerische helden: „wie en waarvandaan?’’ Onze 
Fig. i en 2 geven een beeld van een ram, ons Fig. 3 
dat van een katachtige, wellicht de tijger. Zij zijn 
vervaardigd uit grijs steen, hetzelfde materiaal dat 
diende als grond van de inscripties in een beeld¬ 
schrift (Fig. 4 en 5). Midden in die van Fig. 4 
herkent Burton-Brown de ram van de sculpturen, 
maar nu met zwaar gekrulde horens. 

Hoe het ook zij, deze opgravingen waarvan de 
auteur met trots verzekert dat met reis inbegrepen 
de kosten £ 700 waren, zullen de komende jaren 
zeker de aandacht blijven trekken, en het probleem 
mede door de auteur in het licht gesteld, de cor¬ 
relatie der Vooraziatische beschavingen zal zeker in 
het midden van die aandacht staan. 

T. Burton-Brown, ILN 5754, July 30, 1949, 
164-165. 



5 





ET 


PLAAT XXVI 


GEOY TEPE (Azarbeidjaan) 








TRB. BOL N° ii 


ELAM 


PLAAT XXVII 


VERKLARING BIJ DE FOTO 
VAN PLAAT XXVII 


In het begin der dertiger jaren dook in Perzië 
in de kunsthandel een bronzen c Konings°kop op, in 
Hamadan gevonden, die terstond de aandacht van de 
kunstminnenden en de cultuurfilosofen trok. Hij 
werd het eerst gepubliceerd in de ILN, Jan. io. 
1935. In 1934 trok A. Moortgat het in zijn illustra¬ 
tiemateriaal van zijn Bildwerk und Volkstum Vor- 
derasiens sur Hethiterseit (8. Sendschrift der Deut- 
schen Orient-Gesellschaft). Omdat het beeld een 
„ganz persönlichen Ausdruck” heeft, hoort het blijk¬ 
baar bij de afdeling „Volkstum” thuis. In het Hand- 
buch der Archdologie I, 1939 vindt men het vermeld 
door Walther Andrae op p. 702, en afgebeeld op 
Taf. 153. Bij ons bracht Lunsingh Scheurleer het 
in Van Tkienen s Algemeene Kunstgeschiedenis, 
deel I, 1941, Plaat 9; Byvancic vermeldt het, maar 
beeldt het niet af. 

Het is te betreuren dat J. H. C. Kern dit portret 
(wat het zeker is) niet heeft behandeld in zijn dis¬ 
sertatie. 

Na vele jaren van rohdzwerven is het beeld nu 
te zien in het Metropolitan Museum te New York. 
Deze adaequate foto is ontleend aan de omslag, p. 1 
van het Bulletin van dit Museum, Vol. vu, sum- 
mer 1948. 

Wat de datering betreft, de late datering van 500 
v. Chr., door de organisatoren van de tentoonstelling 
van Perzische kunst in de winter 1930/31 te Lon¬ 
den gehouden, wordt nu niet meer aanvaard. Het 
hoort in het tweede millennium thuis, een tijd waarin 
het bronsgieten in Elam een grote rol speelde. Lun¬ 
singh Scheurleer schijnt het echter te vroeg te 
dateren, als hij het op een lijn stelt met de Sargon- 
kop uit Nineve. 



EGYPTISCH GENOOTSCHAP 
JX 3 : 

38. XXXII en 500 blz., XL platen, 26 tekst¬ 
en en 4 synchronistische tabellen, 4to. 
krijgbaar, gebonden in een buckram-stempelband 
zijn voor contribuanten nog verkrijgbaar, resp. 
Register) ƒ 5.—. De erbij behorende buckrarnband 
everd. Men ontvangt dus voorlopig, indien een 
laar. — De Jaarberichten N° 1, 2 en 3 worden, 

)43. XLIV en 816 blz., XL platen, 91 tekst- 


uanten ƒ 30.—. De Jaarberichten 6 , 7 en 8 zijn ook 
ƒ 7.50 per nummer. Index, Voorwerk en Register 
De bij dit deel behorende buckrarnband is voor 

blz., XXXII platen, 97 tekstillustraties, 3 

gelijk met het Supplement zal ook een buckram- 
binden. Prijs gebonden in buckram-stempelband 
jn ook los verkrijgbaar voor ƒ 15.— respectievelijk 
c ƒ 15.— per nummer. Het Supplement met index, 
r ƒ 10.—, voor contribuanten ƒ 5.—. De bij dit deel 


d. Van Heurnius tot Boeser (1620-1935) 
)lz., 4 photo’s en 1 plaat, met uitvoerige 

i Egyptian Tomb Chapel in the Museum of 

en 104 blz., 2 platen, 54 tekstillustraties. 


igen in het Nabije Oosten I: ras es-samra 
itverkocht. Antiquarische exemplaren ƒ 5.—. 
moderne beleving . 1947, 4to, x en 278 blz., 
tner, hetwelk is uitgegeven ter herinnering 
33-1943) bevat bijdragen van B. A. van 
L iGMANN, A. A. Kampman, F. M. Th. de 
ers, W. van Os en B. H. Stricker. Prijs 
sp. ƒ 12.50 en ƒ 15.—. 

gue Frangois Thureau-Dangin (1872-1944) 
iogravure. Prijs ƒ 3.50, voor contribuanten 


ion of its Problems door Prof. Dr I. L. 
voor contribuanten ƒ 8.25. 
mscrits et traduits par F. Thureau-Dangin 
F 20 .—. 


het Nabjje Oosten: 

delingen N° 6 ; Nos IMV zijn uitverkocht, 
di rijven : 


£ 1 ^ in 14 ^ 1 ^ 152, 155, 161), Th. A.Busink (205), 
k®? 00, 26, 95), J. Coppens (75), Georges Dossin 
, C. C. van Essen (150, 177), W. H. C. van Esveld 
Johannes Friedrich (7, 9), C. J. Gadd ( 66 ), J M 
L ^ H ;^ r0nd ' is (84, 102) ’ J- H - Holwerda (93), G. 
o3f, 166), A. A. Kampman (31, 46, 50, 61, 92 202) 

3’ (55). G. van der Leeuw 

•derwald ( 38 ), J. P. M. van der Ploeg O.P (67 94 
Hermann Ranke (20), A. Roe* (62, 76, 83, 89 136’ 
nn (81, 183, 185), J. Simons S.J. (19, 25, 39, 68 8 S’ 
unissen (107, 127„ 128), J. Vergote (99, 197) M [’ 
( 101 ), Th. C. Vriezen 57, 82, 134, 199 203), F.' t 
er (165), W. D. van Wijngaarden (194). Prijs per 









jRB. BOL N° II 


EL^ 



UITGAVEN VAN HET VOORAZIATISCH-EGYPTISCH GENOOTSCHAP 

C EX ORIENTE LUX 3 : 


A. Jaarbericht, Deel I (n os 1-5 en Supplement) 1933-1938. XXXII en 500 blz., XL platen, 26 tekst- 
illustraties, 4'tabellen en 1 kaart in de tekst, 3 kaarten en 4 synchronistische tabellen, 4to. 
Uitverkocht. Prijs van antiquarische exemplaren, indien verkrijgbaar, gebonden in een buckram-stempelband 
voor contribuanten ± ƒ 50.—. De Jaarberichten 4 en 5 zijn voor contribuanten nog verkrijgbaar, resp. 
voor ƒ 4.— en ƒ 5.—; Supplement (met Index, Voorwerk en Register) ƒ 5.—. De erbij behorende buckramband 
is momenteel uitverkocht en kan pas later worden bij geleverd. Men ontvangt dus voorlopig, indien een 
compleet stel geleverd kan worden, een ongebonden exemplaar. — De Jaarberichten N° 1, 2 en 3 worden, 
indien antiquarisch verkrijgbaar, niet los verkocht. 

Jaarbericht, Deel II (n os 6-8 en Supplement) 1939-1943. XLIV en 816 blz., XL platen, 91 tekst- 
illustraties, 1 tabel, 5 kaarten, 4to. 

Prijs gebonden in buckram-stempelband ƒ 40.—, voor contribuanten ƒ 30.—. De Jaarberichten 6, 7 en 8 zijn ook 
los verkrijgbaar voor ƒ 10.— per nummer, voor contribuanten ƒ 7.50 per nummer. Index, Voorwerk en Register 
zijn los verkrijgbaar voor ƒ 8.40, voor contribuanten ƒ 6.—. De bij dit deel behorende buckramband is voor 
contribuanten verkrijgbaar voor ƒ 2.75. 

Jaarbericht, Deel III (n os 9 en 10) 1944-1948. 576 blz., XXXII platen, 97 tekstillustraties, 3 
kaarten, 4to. 

Het Supplement op deel III zal najaar 1950 verschijnen; tegelijk met het Supplement zal ook een buckram- 
stempelband verkrijgbaar worden gesteld, om deel III in te binden. Prijs gebonden in buckram-stempelband 
ƒ 50.—, voor contribuanten ƒ30.—. De Jaarberichten 9 en 10 zijn ook los verkrijgbaar voor ƒ 15.— respectievelijk 
ƒ 35.— per nummer, voor contribuanten ƒ 10.— respectievelijk ƒ 15.— per nummer. Het Supplement met index, 
voorwerk en register zal los verkrijgbaar worden gesteld voor ƒ 10.—, voor contribuanten ƒ 5.—. De bij dit deel 
behorende buckramband voor contribuanten voor ƒ 2.75. 

Serie Mededeelingen en Verhandelingen 

N° 2: Drie Honderd Jaren Egyptologie in Nederland. Van Heurnius tot Boeser (1620-1935) 
door Dr W. D. van Wijngaarden, 1935, 4to, 26 blz., 4 photo’s en 1 plaat, met uitvoerige 
hibliographie. Prijs ƒ 1.50, voor contribuanten ƒ 1.—. 

N° 5; The Mastaba of Hetep-Her-Akhti. Study <on an Egyptian Tomb Chapel in the Museum of 
antiquities Leiden by H. Th. Mohr. 1943, 4to, xvi en 104 blz., 2 platen, 54 tekstillustraties. 
Prijs ƒ 17.50, voor contribuanten ƒ 10.—. 

N° 6: Overzichten van de Geschiedenis en Opgravingen in het Nabije Oosten I: ras es-samrd 
en minet el-beida? door Jan P. Lettinga. 1942. 4to. Uitverkocht. Antiquarische exemplaren ƒ 5.—. 
N° 7: Kernmomenten der antieke beschaving en haar moderne beleving . 1947, 4to, x en 278 blz., 
19 platen en 123 tekstillustraties, 2 kaarten. Dit nummer, hetwelk is uitgegeven ter herinnering 
aan het tienjarig bestaan van het Gezelschap (1933-1943) bevat bijdragen van B. A. van 
Proosdij, A. de Buck, Th. C. Vriezen, I. L. Seeligmann, A. A. Kampman, F. M. Th. de 
Liagre Böhl, P. van der Meer O.P., J. H. Kramers, W. van Os en B. H. Stricker. Prijs 
ƒ 20.—, in linnen band ƒ 22.50, voor contribuanten resp. ƒ 12.50 en ƒ 15.—. 

N° 8: Hommage a la mémoïre de 1’éminent assyriologue Frangois Th ure au-Dan gin ( 1872 - 1944 ) 
par E. Dhorme. 1946, 4to, 35 pages, 1 portrait en héliogravure. Prijs ƒ 3.50, voor contribuanten 
ƒ 2.50. 

N° 9: The Septuagint Version of Isaiah , A discussion of its Problems door Prof. Dr I. L. 
Seeligmann, 1948, 4to., X en 124 blz. Prijs ƒ 13.25, voor contribuanten ƒ 8.25. 

C. Uitgave N° 1: Textes mathématiques babyloniens, transcrits et traduits par F. Thureau-Dangin, 
1939, 4to, 293 blz. Prijs ƒ 25.—, voor contribuanten ƒ 20.—. 

D. Overzichten van de geschiedenis en opgravingen in het Nabye Oosten: 

N° I in deze serie is identiek met Mededeelingen en Verhandelingen N° 6; Nos II-IV zijn uitverkocht. 

E. Inleidingen en Verslagen der lezingen o.a. in Rondschrijven : 

C. U. Ariëns Kappers (42), H. Asselberghs (27), W. van Bemmelen (41), C. J. Bleeker (145, 158, 178), F. C. M. 
Boenders (60), H. Bolkestein (113), F. M. Th. de Liagre Böhl (13, 18, 36, 45, 63, 73, 74, 96, 98, 115, 120, 156, 159, 162, 
164, 167, 171, 172), A. de Buck (11, 17, 30, 40,53, 56, 71, 78, 87, 104, 119, 146, 147, 149, 152, 155, 161), Th. A. Busink (205), 
A. W. Bijvanck (35, 52, 110, 131, 133* 142), Jean Capart (85), D. Cohen (10, 26, 95), J. Coppens (75), Georges Dossin 
(69), A. H. Edelkoort (34, 122), B. D. Eerdmans (105, 106, 118, 193), C. C. van Essen (150, 177), W. H. C. van Esveld 
(196), R. J. Forbes (28, 37, 48, 65J 108 130, 143), H. Frankfort (6), Johannes Friedrich (7, 9), C. J. Gadd (66), J. M. 
Gerritsen (23), Einar Gjerstad (59), S. R. K. Glanville (32, 203), L. H. Grondys (84, 102), J. H. Holwerda (93), G. 
van Hoorn (111), Jozef M. A. Janssen (72, 157), J. H. Jongkees (153r, 166), A. A. Kampman (31, 46, 50, 61, 92, 202), 
A. H. Kan (198, J. J. Koopmans (132), J. H. Kramers (22, 44, 64, 77, 114, 168), J. H. Kroeze (55), G. van der Leeuw 
(51, 90, 121, 135, 148), J. de Meyer (140), H. W. Obbink (124), J. Oderwald (58), J. P. Al. van der Ploeg O.P. (67,94, 
109, 154), A. van Praag (204), B. A. van Proosdij (112, 160, 176), Hermann Ranke (20), A. Roes (62, 76, 83, 89, 136, 
169), A. G. Roos (189), J. T. von Schmid (100, 129), I. L. Seeligmann (81, 183, 185), J. Simons S.J. (19, 25, 39, 68, 88, 
126), A. Sizoo (173), K. Sprey (123, 151, 184, 200, 201), W. P. Theunissen (107, 127,, 128), J. Vergote (99, 197), M. J. 
Vermaseren (206), Elisabeth Visser (144, 180, 182), J. Ph. Vogel (101), Th. C. Vriezen 57, 82, 134, 199 203), F. J. 
de Waele (80, 141, 190), H. Wagenvoort (91, 97, 163), R. H.Woltjer (165), W. D. van Wijngaarden (194). Prijs per 
nummer ƒ 0,10 incl. porto voor toezending. 









BESTUUR, ORGANISATIE EN STUDIEKRINGEN 


algemene raad : Prof. Dr F. M. Th. de Liagre Böhl, Prof. Dr A. DE Buck, Prof. Ir R. J. Forbes, 
Mevr. C. F. L. van Heek-van Heek, Dr J. J. Koopmans, Ir F. B. J. M. Moubis, Prof. Dr J. P. M. 
van der Ploeg O.P., Prof. Dr J. Vergote, Prof. Dr Th. C. Vriezen, 
bestuur: B. A. van Proosdij, voorzitter; Dr A. A. Kampman, secretaris-penningmeester, Dr J. 

M. A. Janssen, 2 de secretaris-penningmeester; Prof. Dr J. H. Hospers; Mr J. Houwink. 
secretariaat en administratie: Noordeindsplein 4a, Leiden, tel. 23682. 

Belgisch secretariaat : Prof. Dr J. Vergote, Leo Dartelaan 4, Heverlee-Leuven, tel. 2247. 
bureau en bibliotheek van het genootschap : Noordeindsplein 4a, Leiden, tel. 23682. 

Het Algemeen Secretariaat, Bureau en de Bibliotheek van het Genootschap zijn ondergebracht 
in het Nederlandsch Instituut voor het Nabije Oosten te Leiden, Noordeindsplein 4a. Het 
Bureau is geopend op werkdagen van 8.30-12.30 en 14-17 uur; des Zaterdags van 8.30-12.30 uur. 
De Bibliotheek van het Instituut is geopend van 9-12.30 en 14-17.30 uur; op aanvraag zo 
mogelijk ook des avonds. 

postrekening: 229501, t.n.v. de secretaris-penningmeester Dr A. A. Kampman te Leiden. 
Bankiers: Amsterdamsche, Rotterdamsche en Twentsche Bank te Leiden. 

Kredietbank te Leuven (bankrekening 9980 van Prof. Dr J. Vergote te Leuven). 
studiekringen in Nederland: 

1933 Leiden: voorz. Prof. Dr F. M. Th. de Liagre Böhl; secr. Dr A. A. Kampman, Noordeinds¬ 

plein 4a. 

1934 Groningen: voorz. Prof. Dr Th. C. Vriezen; secr. R. Frankena, Kraneweg 63 A. 

1935 Nijmegen: voorz. Prof. Dr J. P. M. van der Ploeg; secr. M. J. Vermaseren, Stijn Buys- 
straat 68. 

1936 Amsterdam: voorz. Prof. Dr M. A. Beek; secr. C. J. Wesseling, Churchill-laan 83 1 . 

1936 *s Gravenhage: voorz. K. C. A. Collette; secr. Dr W. J. A. Visser, Doornikschestraat 35. 
1.936 Rotterdam: voorz. Dr F Kossmann, Gemeente-Bibliotheek, Nieuwe Markt 1. 

1938 Utrecht: voorz. Prof. Dr A. H. Edelkoort; secr. D. J. Hoens, Iiugc de Grootstraat 18 bis. 

1939 Doetinchem: voorz. J. H. A. van Heek; secr. A. van der Steeg, Dr Hubernoodtstraat 9. 

1941 Enschede: voorz. H. van Heek Hzn; secr. Mevr. C. F. L. van Heek-van Heek, Oliemolen¬ 

singel 135. 

1942 Arnhem: voorz. Dr J. J. Koopmans; secr. Mr W. F. Leemans, van Ruisdaelstraat 61. 

1942 Breda: voorz. Dr Ph. G. Gunning; secr.Ds H. Coolsma, Dreef 7, Princenhage. 

1942 Amersfoort: voorz. Dr R. van der Velde, Piersonlaan 20. 

1942 Venlo: voorz. P. M. Nieuwhof; secr. H. Th. E. Pröpper, Burg. van Rijnsingel 23. 

1943 Zwolle: voorz. J. H. Sypkens Smit, Geldèrschedijk B 23, Hattem. 

1943 Heerlen: voorz. P. Dr Th. Bouwman O.F.M.; secr. P. J. Reus, Molenberglaan 83. 

1943 Leeuwarden: voorz. Prof. Dr C. G. Wagenaar; secr. E. Veenstra, P. J. Troelstraweg 4. 

1944 Eindhoven: voorz. Prof. Dr C. Zwikker; secr. H. A. Baljet, Floralaan 128. 

1944 Zutphen: voorz. Dr J. J. van Manen secr. Ir J. Th. Joosting, De Vrijhof, Almen. 

1944 Alkmaar: voorz. Dr J. C. Kamerbeek; secr. Mr G. A, de Lange, Breedstraat A 10 . 

1945 ’s Hertogenbosch: voorz. Dr W. P. Theunissen; secr. Drs W. Murkoster, Stationsweg 8. 

1946 Tiel: voorz. Dr W. J. Scholte, Stedelijk Gymnasium. 

1946 Haarlem: voorz. Dr W. H. C. van Esveld ; secr. A. Haije, Koninginneweg 33. 

1946 Hoorn: voorz. N. J. Swierstra; secr. C. Urban, Keern 169a. 

1949 Kampen: voorz. Prof. B. Holwerda; secr. W. Vis, Graafschap 3. 

1950 Dordrecht: voorz. P. W. van Houten; secr. Mevr. J. H. L. van Furth-van Antwerpen, 

Grote Kerkbuurt 1. 
studiekringen in belgië: 

1939 Leuven: voorz. Prof. Mag. J. Coppens; secr. Prof. Dr J. Vergote, Leo Dartelaan 4, Heverlee. 
1939 Antwerpen: voorz. G. Schmock; secr. Mej. I. Vertessen, Kreeftstraat 5. 

1939 Brugge: voorz. Dr J. Buysschaert; secr. Prof. V. Laridon, Potterije. 

1939 Luik: voorz. Prof. G. Dossin; secr. Prof. Helene Danthine, Rue du Pare 67. 

1946 Gent: voorz. Dr A. Zwaenepoel; secr. H. van Looy, Papegaaistraat 63. 

1947 Mechelen: voorz. Dr G. Goossens; secr. Dr A. Stokkaer, Leopoldstraat 47. 

1948 Brussel: voorz. Prof. Dr P. Naster; secr. Prof. C. de Wit, Kattenberg 34, Boschvoorde. 


PRINTED IN THE NETHERiLANDS — GEDRUKT BIJ E. J. BRILL TE LEIDEN